Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9222

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
C/10/551764 / FA RK 18-4291
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

In het kader van voorlopige voorzieningen acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen om de bestaande situatie te handhaven en de minderjarigen voorlopig aan de man toe te vertrouwen. Vervangende toestemming voor verhuizing van Schiedam naar Amersfoort. Verhuist de man niet, dan zal hem geen verlenging van het contract worden aangeboden en raakt de man zijn baan kwijt. De verhuizing is voorbereid en weloverwogen en geen ernstige beperking in de mogelijkheden van contact tussen de vrouw en de minderjarigen. Op dit moment zijn de contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen al beperkt, omdat de vrouw niet beschikt over woonruimte waar zij de minderjarigen kan ontvangen en ter zitting is gebleken dat het voor de vrouw nog niet duidelijk is waar zij zich zal vestigen. Benoeming bijzondere curator die in de echtscheidingsprocedure zal rapporteren over haar onderzoek naar de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Beschikking van 2 juli 2018

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer C/10/551764 / FA RK 18-4291, betreffende voorlopige voorzieningen van

[naam verzoekster] , de vrouw,

ingeschreven te [woonplaats verzoekster] , [adres verzoekster] ,

feitelijk verblijvende op een onbekend adres te [verblijfplaats verzoekster] ,

advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,

t e g e n

[naam verweerder] , de man,

wonende te [woonplaats verweerder] , [adres verweerder] ,

advocaat mr. C.C. van Bodegom te ’s-Gravenhage,

en

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer: C/10/551995 / FA RK 18-4410, betreffende vervangende toestemming tot verhuizing ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het vaststellen van een zorgregeling van:

[naam verweerder] , de man,

wonende te [woonplaats verweerder] , [adres verweerder] ,

advocaat mr. C.C. van Bodegom te 's-Gravenhage,

t e g e n

[naam verzoekster] , de vrouw,

ingeschreven te [woonplaats verzoekster] , [adres verzoekster] ,

feitelijk verblijvende op een onbekend adres te [verblijfplaats verzoekster] ,

advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in de zaak C/10/551764 / FA RK 18-4291 (hierna: 18-4291) blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 4 juni 2018;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de man, met bijlagen, ingekomen op 15 juni 2018, dat door de man is vervangen bij F-formulier, gedateerd

18 juni 2018;

- de brief, met bijlagen, van de vrouw, gedateerd 18 juni 2018.

1.2.

Het verloop van de procedure in de zaak C/10/551995 / FA RK 18-4410 (hierna: 18-4410) blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 6 juni 2018;

- de brief houdende verzoek ambtshalve benoeming bijzondere curator van de man, gedateerd 7 juni 2018.

1.3.

De minderjarige kinderen van partijen hebben elk afzonderlijk hun mening mondeling kenbaar gemaakt.

1.4.

Op 20 juni 2018 zijn de twee zaken gevoegd behandeld. Met instemming van partijen zijn de verzoeken in de zaak 18-4410 en de verzoeken in de zaak 18-4291 betreffende de toevertrouwing minderjarigen, de echtelijke woning en de regeling van de zorg- en opvoedingstaken en benoeming bijzondere curator, meervoudig behandeld en zijn aansluitend daarop de overige verzoeken in de zaak 18-4291 (betreffende de kinder- en partnerbijdrage) enkelvoudig behandeld.

1.5.

Bij de mondelinge behandeling door de meervoudige kamer zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat die ter zitting een pleitnota in het geding heeft gebracht;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat die ter zitting een pleitnota met bijlagen in het geding heeft gebracht;

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door de heer [naam vertegenwoordiger] en mevrouw [naam vertegenwoordigster] .

1.6.

In deze beschikking wordt beslist op de verzoeken die meervoudig zijn behandeld. In een afzonderlijke beschikking wordt beslist op de verzoeken die enkelvoudig zijn behandeld.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op 26 februari 2004 te Echteld, na het maken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

- [naam minderjarige 1] (hierna: [voornaam minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2004 te [geboorteplaats minderjarige 1] ;

- [naam minderjarige 2] (hierna: [voornaam minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2006 te [geboorteplaats minderjarige 2] ;

- [naam minderjarige 3] (hierna: [voornaam minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2009 te [geboorteplaats minderjarige 3] .

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders van rechtswege gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/545261 / FA RK 18-1395 en staat voor verweer op zelfstandig verzoek.

2.5.

De vrouw heeft de Duitse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Toevertrouwing van de minderjarigen

3.1.1.

De vrouw verzoekt de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen.

3.1.3.

Bij de beantwoording van de vraag aan wie van de ouders de minderjarigen voor de duur van de echtscheidingsprocedure worden toevertrouwd, met andere woorden wie van de ouders tijdelijk dient zorg te dragen voor de dagelijkse verzorging en opvoeding, staat het belang van de minderjarigen voorop.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw op dit moment niet beschikt over woonruimte waar zij met de minderjarigen kan verblijven en dat zij geen ander concreet voorstel aandraagt dan dat zij bij toevertrouwing van de minderjarigen aan haar, met de minderjarigen in de echtelijke woning in Schiedam gaat wonen. Vast staat evenwel dat die woning eigendom is van de man, zodat die situatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Daarbij is de feitelijke situatie op dit moment dat de man samen met de minderjarigen in die woning verblijft en dat de man sinds januari 2018 belast is met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De man stelt dat deze situatie het gevolg is van de beslissing van de vrouw om per januari 2018 terug te keren naar Duitsland en brengt ter onderbouwing van zijn stelling kopieën van WhatsApp-berichten tussen hem en de vrouw in het geding. Naar het oordeel van de rechtbank onderbouwen deze, door de vrouw niet weersproken, berichten dat de vrouw in ieder geval in december 2017 nog het plan had om zich kort daarna in Duitsland te gaan vestigen en daar te gaan werken. In het licht van deze met stukken onderbouwde stelling had het op de weg van de vrouw gelegen om met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat het de man is geweest die eenzijdig, moedwillig en tegen haar wil per januari 2018 alle zorgtaken voor de kinderen op zich heeft genomen. Dit heeft de vrouw nagelaten. Daarbij had het voor de hand gelegen dat de vrouw tegen een dergelijke gang van zaken direct was opgekomen, terwijl zij niet eerder dan in juni 2018 het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen met betrekking tot de minderjarigen heeft ingediend. De rechtbank sluit niet uit dat de vrouw op enig moment na januari 2018 is teruggekomen op haar beslissing om naar Duitsland te gaan. Dit staat de vrouw vrij, maar neemt niet weg dat de vrouw op dit moment de minderjarigen geen stabiele basis kan bieden. In het kader van voorlopige voorzieningen acht de rechtbank het dan ook in het belang van de minderjarigen om de bestaande situatie te handhaven en de minderjarigen voorlopig aan de man toe te vertrouwen. Het verzoek van de man zal dan ook worden toegewezen en het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

3.2.

Echtelijke woning

3.2.1.

De vrouw verzoekt, kort gezegd, te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning ( [adres] te [woonplaats] ) en de tot de inboedel daarvan behorende zaken.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat hij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning.

3.2.3.

Beide partijen verzoeken om het voortgezet gebruik van de woning aan de [adres] te Schiedam met uitsluiting van de ander, zodat de rechtbank de belangen van partijen tegen elkaar zal afwegen. De vrouw heeft ter zitting onweersproken verklaard dat zij vanaf juli 2018 niet meer kan beschikken over haar tijdelijke woonruimte in Den Haag. Dit belang van de vrouw prevaleert naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet boven het belang van de man bij het voortgezet gebruik van de woning in Schiedam. Zoals hiervoor is beslist, worden de minderjarigen voorlopig toevertrouwd aan de man. Verder staat vast dat de man en de minderjarigen op dit moment al in de woning verblijven. Daarbij heeft de man gemotiveerd betwist dat hij thans de beschikking heeft over een tweede woning. Volgens de man wordt de woning in Amersfoort pas in augustus 2018 aan hem geleverd en is bij de financiering van die woning betrokken dat de woning in Schiedam zal worden verkocht. Daarnaast heeft de man aangegeven dat hij in de woning in Schiedam zal blijven wonen, indien hij geen toestemming krijgt om naar Amersfoort te verhuizen. Het verzoek van de man zal dan ook worden toegewezen en het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

3.3.

Toestemming verhuizing

3.3.1.

De man verzoekt, samengevat, vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Amersfoort te verhuizen en om de minderjarigen aldaar op scholen en sportverenigingen in te schrijven.

3.3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarigen wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder toestemming dient te krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarigen weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

3.3.4.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige(n) hoofdverblijfplaats hebben in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige(n) elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover staan andere belangen waarbij te denken valt aan (niet uitputtend opgesomd):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de extra kosten van contact na de verhuizing;

  • -

    de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.

3.3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man de noodzaak voor de verhuizing voldoende aangetoond. De man heeft onderbouwd gesteld dat hij per 1 september 2017 een jaarcontract heeft gekregen bij een werkgever in Apeldoorn en dat dit contract na een jaar zou worden verlengd. Het aanvaarden van deze baan viel samen met de periode dat partijen uit elkaar zijn gegaan. Aan dit dienstverband is vanaf aanvang de voorwaarde verbonden dat de man binnen twee jaar zou verhuizen naar de regio Apeldoorn, hetgeen bij de vrouw bekend was. De man kreeg in de beginperiode veel ruimte van zijn werkgever om de thuissituatie en het werk op elkaar af te stemmen, mede gelet op de echtscheidingssituatie. De man verbleef drie dagen per week in een hotel en op die dagen zorgde de vrouw voor de minderjarigen in de echtelijk woning. Hij werkte twee dagen vanuit huis, zodat hij werk en zorg voor de minderjarigen goed kon combineren. Sinds januari 2018 draagt de man alleen de zorg voor de minderjarigen en reist hij veelvuldig op en neer naar zijn werk. De reisafstand (125 km enkele reis) valt de man sindsdien zwaar. De werkgever heeft de man inmiddels bericht dat verlenging van het jaarcontract alleen mogelijk is als de man op korte termijn verhuist naar de regio Apeldoorn. Verhuist de man niet naar de regio Apeldoorn, dan zal hem geen verlenging van het contract worden aangeboden en raakt de man zijn baan kwijt.

3.3.6.

Anders dan de vrouw stelt, is de verhuizing voorts door de man wel degelijk voldoende voorbereid en weloverwogen. De man heeft een woning in Amersfoort gekocht en kan deze betrekken voordat het schooljaar 2018-2019 van start gaat. De man is op zoek gegaan naar voor de minderjarigen geschikte scholen en naar buitenschoolse opvang voor [voornaam minderjarige 3] . Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij wist dat de man in september 2017 de baan in Apeldoorn had gekregen en dat zij blij voor hem was, maar dat zij op geen enkele wijze is gekend in de beslissing van de man om naar Amersfoort te verhuizen. In reactie daarop heeft de man gewezen op het ter zitting in het geding gebrachte WhatsApp-bericht van de vrouw aan de man van eind november 2017 waarin de vrouw aan de man vraagt: “weet jij al wanneer je naar Apeldoorn of Arnhem of waar wil gaan verhuizen. Ik vraag dat omdat ik me wil inschrijven voor een woning.”. Uit dit bericht leidt de rechtbank af dat de vrouw wist van en geen bezwaar maakte tegen een verhuizing van de man dichter in de buurt van Apeldoorn en dat laatste is het geval met een verhuizing naar Amersfoort.

3.3.7.

Dat een verhuizing naar Amersfoort voor de vrouw veel meer (reis)kosten met zich brengt, is ook niet gebleken. Op dit moment woont de vrouw nog in Den Haag en verblijft zij soms in Hamburg. De man heeft terecht gesteld dat de reisafstand tussen Den Haag en Schiedam nagenoeg dezelfde is als de reisafstand tussen Den Haag en Amersfoort en dat de reisafstand tussen Duitsland en Amersfoort aanzienlijk korter is dan de reisafstand tussen Duitsland en Schiedam.

3.3.8.

De vrouw stelt verder dat de man haar geen alternatieven heeft geboden om te waarborgen dat zij na de verhuizing op dezelfde wijze als tijdens het huwelijk invulling kan geven aan haar zorgtaken voor de minderjarigen. De man voert aan dat hij wel degelijk alternatieven heeft aangedragen, maar dat de vrouw geen openheid geeft over haar toekomstplannen.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de vrouw door een verhuizing van de man met de minderjarigen naar Amersfoort ernstig beperkt wordt in de mogelijkheden van contact met de minderjarigen. Op dit moment zijn de contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen al beperkt, omdat de vrouw niet beschikt over woonruimte waar zij de minderjarigen kan ontvangen. Ter zitting is gebleken dat het voor de vrouw nog niet duidelijk is waar zij zich zal vestigen. De vrouw stelt geen band te hebben met de regio Amersfoort, maar stelt evenmin onderbouwd dat zij gebonden is aan de regio Schiedam.

De vrouw stelt een voorkeur te hebben voor de regio Delft, maar dat zij niet beschikt over een urgentieverklaring en financiële middelen om in aanmerking te komen voor woonruimte aldaar. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de lastige (financiële) situatie waarin de vrouw momenteel verkeert, ligt het op haar weg om haar toekomst vorm te geven en om daarover duidelijkheid te verschaffen.

Pas als de vrouw weet waar zij zich gaat vestigen, is het mogelijk om met de man in gesprek te gaan over maatregelen die haar in staat stellen om invulling te geven aan haar zorgtaken. Dat deze invulling van de zorgtaken anders zal zijn dan tijdens het huwelijk is niet het gevolg van een verhuizing van de man naar Amersfoort, maar van de beslissing van partijen tot het beëindigen van hun huwelijk.

3.3.9.

Alle belangen tegen elkaar afwegend, wordt het verzoek van de man om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing toegewezen.

3.4.

Regeling van de zorg- en opvoedingstaken en benoeming bijzondere curator

3.4.1.

De vrouw verzoekt, indien de minderjarigen niet aan haar worden toevertrouwd, tussen haar en de minderjarigen de volgende regeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen: de minderjarigen verblijven bij haar minimaal eens per veertien dagen van donderdagmiddag (na school) tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties.

De vrouw verzoekt aan deze zorgregeling de voorwaarde te verbinden dat zij, als de minderjarigen bij haar zijn, met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning in Schiedam en dat bij verhuizing naar Amersfoort de man op zijn kosten moet realiseren dat de vrouw de minderjarigen op een geschikte wijze in de nabije omgeving van Amersfoort zal kunnen opvangen.

3.4.2.

De man voert hiertegen gemotiveerd verweer. In de zaak 18-4410 verzoekt de man om een zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen bij de vrouw verblijven eenmaal in de drie weken van vrijdagmiddag tot zondag en de helft van de vakanties en feestdagen. Ook verzoekt de man om vervangende toestemming te verlenen om een deskundige te benaderen die de minderjarigen met de toekomstige zorgregeling zal bijstaan en hen daarin zal kunnen adviseren. In zijn brief van 7 juni 2018 verzoekt de man daarnaast om ambtshalve een bijzondere curator te benoemen.

3.4.3.

Ter zitting voert de vrouw tegen de verzoeken van de man gemotiveerd verweer.

3.4.4.

De rechtbank is gebleken dat wat betreft de invulling van de zorgregeling sprake is van conflicterende belangen tussen de ouders en de minderjarigen. Gelet op de aard van deze belangenstrijd acht de rechtbank het noodzakelijk dat een onafhankelijke persoon de belangen van de minderjarigen zowel in als buiten rechte vertegenwoordigt. De rechtbank ziet daarom aanleiding het verzoek van de man tot het benoemen van een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW toe te wijzen, zodat de minderjarigen met de hulp van een bijzondere curator hun mening over de uiteindelijke invulling van de zorgregeling kenbaar kunnen maken. De minderjarigen hebben in hun gesprekken met de kinderrechter aangegeven dat zij graag met een bijzondere curator in gesprek gaan. In ieder geval [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 1] hebben verklaard dat zij op termijn met beide ouders ongeveer evenveel contact willen en ook [voornaam minderjarige 2] vindt contact met haar moeder belangrijk, maar ondervindt op dit moment vooral last van de contactmomenten.

3.4.5.

Gelet op het bezwaar van de vrouw tegen de door de man aangedragen persoon als bijzondere curator, de naderende zomervakantie en de verhuizing van de man met de minderjarigen naar Amersfoort ziet de rechtbank aanleiding om een bijzondere curator te benoemen die werkzaam is in de regio Amersfoort.

De rechtbank verzoekt de bijzondere curator de hierna volgende vragen te onderzoeken en te beantwoorden en daarover aan de rechtbank in de echtscheidingsprocedure te rapporteren:

  • -

    welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij de minderjarigen onbelast contact hebben met beide ouders, wordt het meest in het belang van de minderjarigen geacht en wat wordt daarbij van de ouders verwacht?

  • -

    hoe kan de relatie tussen [voornaam minderjarige 2] en de vrouw verbeterd worden?

3.4.6.

De afgelopen maanden hebben de contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarigen slechts bestaan uit een dagje uit in het weekend of in de vakantie. De rechtbank acht het voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen van belang dat zo snel mogelijk weer op regelmatige basis een meer uitgebreid contact tot stand wordt gebracht, zodat het contact met elk van de minderjarigen op een voor hen passende wijze kan plaatsvinden. In afwachting van de rapportage van de bijzondere curator ziet de rechtbank dan ook aanleiding om een voorlopige zorgregeling (inclusief een regeling voor de zomervakantie 2018) te bepalen als volgt:

de minderjarigen zullen bij de vrouw verblijven éénmaal per veertien dagen van donderdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. In de zomervakantie 2018 zullen de minderjarigen van zondag 22 juli tot en met zondag 5 augustus bij de vrouw (al dan niet in het buitenland) verblijven. [voornaam minderjarige 2] zal daarnaast van woensdag 8 augustus tot zondag 12 augustus 2018 bij de vrouw verblijven in verband met een bezoek aan Parijs.

Ter zitting heeft de man tegen dit deel van de door de vrouw verzochte zorgregeling en tegen de verzochte vakantieregeling niets op onderbouwde wijze aangevoerd en niet gebleken is dat het belang van de minderjarigen zich tegen een dergelijke zorgregeling verzet. De rechtbank verwacht van partijen dat zij de minderjarigen waar nodig zullen stimuleren om deze voorlopige zorgregeling na te komen.

3.4.7.

De rechtbank constateert dat de vrouw aan de door haar verzochte zorgregeling voorwaarden heeft verbonden. Dit deel van het verzoek van de vrouw valt niet onder de in artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gegeven opsomming van te vragen voorlopige voorzieningen en zal als niet op de wet gegrond worden afgewezen. Dit laat evenwel onverlet dat partijen, in het belang van de minderjarigen, in onderling overleg dienen te regelen dat de vrouw de minderjarigen op een geschikte wijze kan ontvangen. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen tot dit overleg zullen overgaan, mede gelet op de eerder door de man gedane toezeggingen op dit gebied, en geeft partijen in overweging om daartoe desgewenst een viergesprek met hun advocaten te beleggen of zich te wenden tot een mediator.

3.4.8.

Omdat niet gesteld of gebleken is dat de man met de benoeming van de bijzondere curator nog belang heeft bij zijn verzoek om hem vervangende toestemming te verlenen om een deskundige te benaderen die de minderjarigen bij de zorgregeling zal bijstaan en adviseren, wordt dit verzoek van de man afgewezen.

3.4.9.

De verzoeken in de zaak met zaaknummer / rekestnummer C/10/551764 / FA RK 18-4291 tot vaststelling van een kinderbijdrage en een partnerbijdrage worden verwezen naar de enkelvoudige kamer.

3.5.

Proceskosten

3.5.1.

In de zaak 18-4410 bepaalt de rechtbank, gelet op de aard van de procedure, dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.5.2.

Omdat in de zaak 18-4291 nog niet op alle verzoeken een eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer C/10/551764 / FA RK 18-4291:

4.1.

bepaalt dat de minderjarigen aan de man worden toevertrouwd, waarbij de man krachtens artikel 812 Rv van rechtswege het recht heeft tot het aan hem doen afgeven van de minderjarigen, zo nodig met behulp van de sterke arm;

4.2.

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] te [woonplaats] ;

4.3.

bepaalt dat de voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

  • -

    de minderjarigen verblijven bij de vrouw om de week van donderdagmiddag (na school) tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties.

  • -

    in de zomervakantie 2018 zullen de minderjarigen van zondag 22 juli tot en met zondag 5 augustus bij de vrouw (al dan niet in het buitenland) verblijven en [voornaam minderjarige 2] zal daarnaast van woensdag 8 augustus tot zondag 12 augustus 2018 bij de vrouw verblijven in verband met een bezoek aan Parijs;

4.4.

verwijst de overige verzoeken naar de enkelvoudige kamer;

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer: C/10/551995 / FA RK 18-4410:

4.5.

verleent de man vervangende toestemming om met de minderjarigen naar de gemeente Amersfoort te verhuizen en om de minderjarigen aldaar in te schrijven op scholen en bij sportverenigingen;

4.6.

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarigen:

mevrouw drs. B.M.H. (Ine) Vosbergen, kantoorhoudende te (1077 EL) Amsterdam, Gerrit van der Veenstraat 100 te Amsterdam;

4.7.

bepaalt dat de bijzondere curator na de zomervakantie 2018 aanvangt met haar werkzaamheden en uiterlijk acht weken daarna (15 oktober 2018) in de tussen partijen lopende echtscheidingsprocedure (met zaak-en rekestnummer C/10/545261 / FA RK

18-1395) schriftelijk verslag doet van haar bevindingen omtrent de in r.o. 3.4.5. geformuleerde vragen;

4.8.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in beide zaken:

4.9.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Fiege, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S. Jansen op 2 juli 2018.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.