Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9220

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
C/10/552268 / FA RK 18-4530
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 1:253a BW. Vervangende toestemming voor verhuizing van Hellevoetsluis naar Sommelsdijk.

De vrouw heeft haar belang bij de verhuizing voldoende onderbouwd en het is niet reëel om van haar te verwachten dat zij met deze verhuizing wacht tot de minderjarige naar de middelbare school gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/552268 / FA RK 18-4530

Beschikking van 21 september 2018 betreffende vervangende toestemming ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[naam verzoekster] , de vrouw,

wonende te [woonplaats verzoekster] , [adres verzoekster] ,

advocaat mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge,

t e g e n

[naam verweerder] , de man,

wonende te [woonplaats verweerder] , [adres verweerder]

advocaat mr. W.R. Arema te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 11 juni 2018;

  • -

    het F-formulier met bijlagen van de vrouw, gedateerd 22 juni 2018;

  • -

    het verweerschrift met bijlage.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 23 augustus 2018.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, die pleitaantekeningen in het geding heeft gebracht;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat, die pleitaantekeningen in het geding heeft gebracht;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw [naam vertegenwoordigster] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen hebben van 1995 tot september 2013 een affectieve relatie gehad.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] (hierna: [voornaam minderjarige] ), geboren op [geboortedatum minderjarige] 2009 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.3.

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Sinds het uiteengaan van partijen heeft [voornaam minderjarige] hoofdverblijf bij de vrouw.

2.5.

Tussen [voornaam minderjarige] en de man geldt een contact- en zorgregeling, waarbij [voornaam minderjarige] bij de man verblijft de ene week een weekend tot maandagochtend naar school en de andere week van donderdagmiddag na school tot vrijdagochtend naar school, alsmede de helft van de vakanties.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoek tot verhuizing

3.1.1.

De vrouw verzoekt vervangende toestemming te verlenen om met [voornaam minderjarige] naar Sommelsdijk te verhuizen.

3.1.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige wenselijk voorkomt. Ook bij de beantwoording van de vraag of een ouder toestemming dient te krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

3.1.4.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover staan andere belangen waarbij te denken valt aan (niet uitputtend opgesomd):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de extra kosten van contact na de verhuizing;

  • -

    de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.

3.1.5.

De vrouw heeft de wens om te verhuizen naar Sommelsdijk en daar in te trekken bij haar huidige partner. Zij voert aan dat zij en haar partner na een voorbereidingsfase van twee jaar tot de conclusie zijn gekomen dat hun relatie bestendig is en dat [voornaam minderjarige] het gezin van de partner van de vrouw als zeer prettig ervaart. De vrouw beschikt over een huurwoning die niet ruim genoeg is om met haar partner (en in de weekenden met zijn zoons) in te verblijven, terwijl de partner van de vrouw beschikt over een ruime koopwoning. De vrouw heeft in Sommelsdijk een voor [voornaam minderjarige] geschikte basisschool gevonden en de huidige contact- en zorgregeling tussen [voornaam minderjarige] en de man behoeft geen wijziging, omdat de afstand tussen de woning van de man en de beoogde woonplaats van de vrouw en [voornaam minderjarige] slechts 23 kilometer en de reistijd ongeveer 20 minuten bedragen, aldus de vrouw.

De man verklaart dat hij zich niet tegen een verhuizing door de vrouw naar Sommelsdijk verzet, maar wel tegen het moment waarop. De man acht het in het belang van [voornaam minderjarige] dat de verhuizing pas over drie jaar plaatsvindt, zodra [voornaam minderjarige] naar de middelbare school gaat.

3.1.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw, in het licht van hetgeen de man daartegen heeft ingebracht, haar belang bij een verhuizing naar Sommelsdijk voldoende onderbouwd en is het niet reëel van de vrouw te verwachten dat zij met deze verhuizing wacht totdat [voornaam minderjarige] naar de middelbare school gaat. Hoewel de vrouw de adresgegevens van de woning in Sommelsdijk niet kenbaar heeft gemaakt, staat onweersproken vast dat met de auto de enkele reis van Hellevoetsluis (de woning van de man) naar Sommelsdijk ongeveer twintig tot vijfentwintig minuten duurt. Deze reistijd is weliswaar langer dan de huidige vijf minuten reistijd van de woning van de man naar de basisschool van [voornaam minderjarige] , maar staat – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – de uitvoering van de huidige contact- en zorgregeling niet in de weg. Daarbij staat vast dat mocht de grotere afstand door de man als te belastend worden ervaren, de vrouw een aanbod heeft gedaan de man hierin tegemoet te komen door het vervoer voor haar rekening te nemen. De man heeft aangevoerd dat [voornaam minderjarige] geregeld tussen de middag bij zijn ouders luncht en dat dit door de verhuizing onmogelijk wordt. De vrouw heeft daartegen evenwel onweersproken aangevoerd dat de huidige basisschool van [voornaam minderjarige] vanaf het schooljaar 2018-2019 werkt met een continurooster, zodat deze lunchmomenten ook zonder de verhuizing niet meer mogelijk zijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verhuizing naar Sommelsdijk en/of het overstappen naar een basisschool aldaar zich tegen belang van [voornaam minderjarige] verzet(ten). Partijen zijn het met elkaar eens dat [voornaam minderjarige] een gevoelig en introvert kind is, maar uit het door de man gestelde volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze karaktereigenschappen van [voornaam minderjarige] zich verzetten tegen een overstap op dit moment naar een andere basisschool. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij een basisschool in Sommelsdijk heeft gevonden die past bij [voornaam minderjarige] . Een overstap naar een andere school is, zoals voor elk kind, spannend en het is aan partijen om [voornaam minderjarige] daarbij, waar nodig, te steunen en helpen. Anders dan de man stelt, is het de rechtbank niet gebleken dat de vrouw de man de afgelopen jaren onvoldoende heeft geïnformeerd over schoolaangelegenheden. Dat partijen desondanks een geheel andere indruk hebben van hoe het met [voornaam minderjarige] gaat op zijn huidige basisschool acht de rechtbank met de raad zorgelijk. De rechtbank geeft partijen dan ook in overweging hieraan aandacht te geven en er in het belang van [voornaam minderjarige] voor te zorgen dat hun onderlinge communicatie wordt verbeterd.

3.1.7.

Alle belangen tegen elkaar afwegend, wordt het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing toegewezen.

3.2.

Hoofdverblijfplaats

3.2.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat [voornaam minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij haar in Sommelsdijk zal aanhouden. De man verzet zich niet tegen dit verzoek.

3.2.2.

Zoals hiervoor overwogen, kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daarover, zoals over de hoofdverblijfplaats van een minderjarige, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank constateert evenwel dat sinds het uiteengaan van partijen het hoofdverblijf van [voornaam minderjarige] bij de vrouw is en dat de man zich daartegen niet verzet, zodat niet gebleken is van een geschil over de hoofdverblijfplaats. Bij gebrek aan belang zal de rechtbank de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

3.3.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verleent de vrouw vervangende toestemming om met [voornaam minderjarige] naar Sommelsdijk te verhuizen;

4.2.

bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] ;

4.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, voorzitter, tevens kinderrechter, en

mr. M. Fiege en mr. L. Berghuis-Knijff, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.S. Jansen op 21 september 2018.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.