Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9219

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
C/10/524205 / HA ZA 17-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in de zin van art. 3:305a lid 2 BW. Er bestaat onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. De belangen van deze personen lopen in ieder geval in dit stadium parallel aan de belangen van de personen achter de Stichting. Dat neemt niet weg dat in een later stadium van deze procedure of van vervolgprocedures alsnog geoordeeld zal kunnen worden dat voormelde belangen zodanig uiteen lopen, dat, gelet op de (huidige) governance van de Stichting, de belangen van de polishouders onvoldoende gewaarborgd zijn. Voor de huidige ontvankelijkheid van de Stichting in deze procedure is dat echter, gelet op de vorderingen in de hoofdzaak, niet relevant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/524205 / HA ZA 17-331

Vonnis in incident van 18 juli 2018

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING WAKKERPOLIS NNCLAIM,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WAKKERPOLIS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser 6],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. A.J. de Gier te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd in Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R. van de Klashorst te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Wakkerpolis c.s. en NN genoemd worden. Eiseres sub 1 zal afzonderlijk worden aangeduid als ‘de Stichting’ en eiseres sub 2 als ‘de B.V.’. Eisers sub 1 en 2 zullen samen worden aangeduid als ‘Wakkerpolis’. Eisers sub 3 tot en met 6 zullen samen worden aangeduid als ‘de individuele eisers’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident tot voeging van 29 november 2017, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken,

  • -

    de conclusie van eis in het incident, met producties 1 tot en met 5,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met producties 82 tot en met 98,

  • -

    de akte houdende overlegging aanvullende producties van NN, met producties 6 tot en met 8,

  • -

    de door Wakkerpolis c.s. ten behoeve van het pleidooi overgelegde productie 99,

  • -

    het op 6 juni 2018 gehouden pleidooi in het incident en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Stichting en de BV zijn op 21 oktober 2013 opgericht door de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en de heer [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).

2.2.

In de aktes van oprichting van de Stichting respectievelijk de BV is vermeld dat het doel van de Stichting respectievelijk de BV is: – kort gezegd – het behartigen van de belangen van verzekeringnemers en/of verzekerden en/of begunstigden en/of hun rechtsopvolgers (hierna: de verzekeringnemers) in relatie tot hun rechten uit hoofde van de zogenaamde woekerpolisaffaire.

2.3.

Bestuurders van de BV zijn [bedrijf] (waarvan [persoon 2] de enig aandeelhouder en bestuurder is) en Just Legal Finance B.V. (waarvan [persoon 1] de bestuurder is).

2.4.

Tot 15 mei 2017 waren [persoon 1] en [persoon 2] de enige bestuurders van de Stichting. Per 15 mei 2017 is [persoon 2] als bestuurder teruggetreden en zijn de heer [persoon 3] en de heer [persoon 4] benoemd als bestuurders van de Stichting naast [persoon 1] .

2.5.

De Stichting heeft sinds mei 2017 een raad van toezicht. Als leden van de raad van toezicht zijn benoemd de heer [persoon 5] en (per 8 mei 2018) de heer [persoon 6] . Daarnaast is er nog één vacature.

2.6.

De onderhavige procedure wordt gefinancierd door Just Legal Finance B.V., die zich richt op financiering en organisatorische ondersteuning inzake massaschadeverhaalsacties.

2.7.

Bij Wakkerpolis aangesloten verzekeringnemers hebben deelnemingsovereenkomsten gesloten met de Stichting en/of de BV. Op grond van deze overeenkomsten zijn de deelnemers een resultaatsafhankelijke vergoeding aan de Stichting dan wel de BV verschuldigd. Indien NN enig bedrag uitkeert zal deze vergoeding 17,5% bedragen van wat de deelnemers van NN uit hoofde van hun vordering op NN ontvangen.

3 Het geschil in het incident

3.1.

NN vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) Wakkerpolis c.s. in de hoofdzaak niet-ontvankelijk te verklaren,

2) Wakkerpolis c.s. te veroordelen in de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis.

3.2.

NN stelt hiertoe – kort gezegd – dat de Stichting niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten die voortvloeien uit artikel 3:305a lid 2 BW. De belangen van degenen voor wie de Stichting stelt op te treden zijn namelijk onvoldoende gewaarborgd. De onderhavige procedure is duidelijk primair ingegeven door het eigen commerciële belang van de ((rechts)personen achter) de Stichting en de BV. Dit blijkt uit de wijze waarop Wakkerpolis haar governance heeft ingericht, haar deelnemers heeft geworven en gecontracteerd, de geldstromen heeft georganiseerd en deze procedure heeft ingestoken.

Daarnaast is de collectieve procedure van Wakkerpolis overbodig en dient deze geen enkel doel. Er lopen al twee collectieve procedures tegen NN die zien op dezelfde rechtsvragen. De belangen van polishouders worden reeds afdoende beschermd door deze collectieve procedures.

De individuele vorderingen zijn verkapte collectieve vorderingen en de individuele eisers zijn daarin om die reden niet-ontvankelijk. De individuele eisers maken met hun verkapte collectieve vorderingen bovendien misbruik van (proces)bevoegdheid (artikel 3:13 BW jo. 3:15 BW) en zijn ook om die reden niet-ontvankelijk. Voor wat betreft de BV stelt NN: Daarnaast zijn de individuele eisers niet-ontvankelijk om dezelfde redenen als de Stichting niet-ontvankelijk is, namelijk: de belangen van de polishouders zijn onvoldoende gewaarborgd, er is geen rechtvaardiging voor de aanvullende rechtbescherming van een collectieve 305a-vordering en er is geen rechtens te respecteren belang bij de procedure (welke niet-ontvankelijkheidsgronden evenzeer gelden voor de BV, die bovendien ook evident niet optreedt als vereniging of stichting).

3.3.

Wakkerpolis c.s. voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In het incident

Ten aanzien van de Stichting

4.1.

De Stichting baseert haar bevoegdheid tot het instellen van haar vorderingen in de hoofdzaak op het bepaalde in artikel 3:305a BW.

4.2.

Op grond van lid 1 van artikel 3:305a BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. De enkele vermelding van het belang in de statuten is daarbij niet voldoende. De organisatie moet het belang waar het in de procedure om gaat ook feitelijk behartigen.

Artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, BW bepaalt dat een rechtspersoon zoals bedoeld in lid 1 niet-ontvankelijk is, indien deze partij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde te bereiken. Op grond van artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, BW is een dergelijke organisatie eveneens niet-ontvankelijk, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld, onvoldoende gewaarborgd zijn.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de in artikel 3:305a lid 1 BW opgenomen vereisten voor ontvankelijkheid.

De Stichting is een stichting die als zodanig volledige rechtsbevoegdheid heeft en uit de onweersproken inhoud van haar statuten (zoals geciteerd door Wakkerpolis c.s. in haar conclusie van antwoord in het incident) blijkt dat zij de behartiging van (onder meer) de collectieve belangen van verzekeringnemers van NN inzake hun claims (ter zake beleggingsverzekeringen) tot doel heeft. Die belangen kunnen als ‘gelijksoortig’ worden gekwalificeerd. In de hoofdzaak vordert de Stichting immers diverse verklaringen voor recht met betrekking tot door NN verkochte beleggingsverzekeringen over – meer in het bijzonder – de door NN ingehouden eerste kosten, het hefboom- en inteereffect en de door NN in rekening gebrachte overlijdensrisicopremie. Die vorderingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank beoordeeld worden zonder de omstandigheden van iedere polishouder afzonderlijk in ogenschouw te nemen. Een beslissing over deze punten is vervolgens voor elke individuele polishouder van belang, nu deze dan ziet op algemene kenmerken van de wijze waarop NN haar producten had ingericht, zodat deze in beginsel bij elke beleggingsverzekeringpolis van het betreffende type aan de orde zijn.

Als het gaat om de eis dat blijkt van werkelijke belangenbehartiging, en niet slechts opname in de statuten, is voldaan aan de eisen van de wet zoals die in de jurisprudentie zijn uitgelegd. Wakkerpolis heeft zich in het openbaar debat gemengd, zich gerepresenteerd als voorvechter van de belangen van polishouders en, aanvankelijk samen met de Consumentenbond, deelgenomen aan overleg met NN. Dit aspect komt hierna, in rechtsoverweging 4.7, nader aan de orde in verband met de belangenbehartiging.

4.4.

In het verlengde van voorgaande stelt de Stichting, als het gaat om de ontvankelijkheidseis van art. 3:305a lid 2 BW, dat zij het overleg met NN heeft gezocht. NN heeft die stelling niet betwist. Voorts heeft NN ter zitting verklaard dat zij met de Stichting in gesprek is geweest en dat dat tot niets heeft geleid.

Tegen die achtergrond is voldaan aan de eisen die de wet op dat punt stelt. Daarbij is meegewogen dat deze wettelijke voorwaarde met name is ingegeven door de wenselijkheid van het, eerst, pogen om onderling tot een oplossing te komen voordat de gang naar de rechter wordt gemaakt. Voor zover NN heeft bedoeld te stellen dat in deze zaak, die wordt gekenmerkt door een grote mate van activiteit van diverse kanten, onder meer van verschillende belangenbehartigers, verdergaande eisen moeten worden gesteld aan zodanig overleg dan in andere gevallen, volgt de rechtbank haar niet. De wet en de ratio daarvan geven aan een dergelijke stelling geen steun. Daargelaten of in het algemeen gestreefd dient te worden naar het concentreren van acties als deze en of wellicht daarin in de toekomst zal worden voorzien, bestaat op dit moment geen breed gedragen consensus op dat punt die mee zou moeten of kunnen wegen in dit geval.

4.5.

Tussen partijen is in geschil of – zoals NN stelt en de Stichting betwist – met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld (de polishouders/verzekeringnemers), onvoldoende gewaarborgd zijn.

4.6.

De vraag of de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld, voldoende gewaarborgd zijn, moet aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval worden beantwoord. Naar de Stichting terecht stelt, dient die toets ‘ex nunc’, dat wil zeggen op grond van de situatie zoals die nu is, plaats te vinden.

4.7.

Uit de wetgeschiedenis blijkt dat bij bovenvermelde beoordeling twee vragen centraal staan, namelijk 1) in hoeverre hebben de betrokkenen uiteindelijk baat bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen, en 2) in hoeverre mag er op worden vertrouwd dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn onder meer:

  • -

    welke overige werkzaamheden heeft de organisatie verricht om zich voor de belangen van betrokkenen in te zetten en heeft de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk doelstellingen kunnen realiseren,

  • -

    indien sprake is van een ad hoc organisatie, is deze opgericht door een reeds bestaande organisatie die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen heeft behartigd,

  • -

    hoeveel benadeelden zijn aangesloten bij de organisatie en in hoeverre ondersteunen zij de collectieve actie, en

  • -

    voldoet de organisatie aan de principes uit de Claimcode.

4.8.

Bovenvermelde Claimcode is een door de Commissie Claimcode in 2011 opgesteld document waarin principes zijn uitgewerkt waaraan organisaties die, zoals thans de Stichting, optreden op grond van artikel 3:305a BW, moeten voldoen. De Claimcode is een vorm van zelfregulering door betrokken marktpartijen, bedoeld om wildgroei van rechtspersonen die optreden overeenkomstig artikel 3:305a BW te voorkomen en ervoor te zorgen dat het de belangen van de gedupeerden zijn die worden gewaarborgd en niet de (commerciële) belangen van de oprichters van deze rechtspersonen. De Claimcode bevat daartoe regels over de samenstelling, taak en beloning van het bestuur en de taak en samenstelling van een raad van toezicht, alsmede regels over het behartigen van collectieve belangen zonder winstoogmerk, onafhankelijkheid en vermijding van belangentegenstellingen.

4.9.

Naar NN terecht stelt voldeed de Stichting geruime tijd op een groot aantal punten niet aan de Claimcode. Zo bestond het bestuur van de Stichting uit [persoon 1] en [persoon 2] , die beiden ook middellijk bestuurders waren van de BV, en werd die verwevenheid ook (tot de statutenwijziging in 2017) uitdrukkelijk in de statuten vereist. De Stichting had geen raad van toezicht en werd bovendien gefinancierd door een onderneming waaraan [persoon 1] verbonden is. Voorts zou een eventuele financiële afwikkeling van de compensatie op grond van de deelnemingsovereenkomsten via de BV verlopen.

4.10.

Vaststaat dat de Stichting sinds de aanvang van de procedure in de hoofdzaak het een en ander heeft aangepast. [persoon 2] is als bestuurder teruggetreden en de Stichting heeft twee externe bestuurders (met relevante ervaring en kennis) naast [persoon 1] aangesteld. Ter zitting heeft de Stichting toegelicht dat de bestuurders alleen gezamenlijk bevoegd zijn de Stichting te vertegenwoordigen. Daarnaast heeft de Stichting een raad van toezicht ingesteld. De raad van toezicht heeft - bij volledige bezetting - drie leden. Ook heeft de Stichting een deelnemersraad ingesteld die gevraagd en ongevraagd advies kan geven.

Met betrekking tot de geldstromen heeft de Stichting ter zitting toegezegd dat zij eventuele aan de polishouders toekomende gelden zal afwikkelen via een kwaliteitsrekening van een accountant, notaris of advocaat.

4.11.

Ondanks de hiervoor vermelde aanpassingen voldoet de Stichting nog steeds niet volledig aan de Claimcode; meer in het bijzonder voldoet de governance structuur van de Stichting naar het oordeel van de rechtbank op dit moment nog niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden om te voorkomen dat de commerciële belangen van [persoon 1] prevaleren boven de belangen van de bij de Stichting aangesloten verzekeringnemers.

[persoon 1] is nog steeds bestuurder van de Stichting, terwijl daarnaast Just Legal Finance B.V., een rechtspersoon waarbij [persoon 1] nauw betrokken is, de Stichting financiert.

Daarnaast is niet aannemelijk dat de inmiddels ingestelde raad van toezicht voldoende tegenspraak en tegenwicht kan bieden tegenover het bestuur. De raad van toezicht bestaat op dit moment slechts uit de heer [persoon 5] en de heer [persoon 6] ; er is nog steeds één vacature. Op basis van zijn curriculum vitae lijkt de heer [persoon 6] niet over relevante ervaring en kennis te beschikken. Ter zitting is bovendien duidelijk geworden dat de heer [persoon 6] zelf een van de polishouders is voor wie de Stichting optreedt. De heer [persoon 6] heeft over dezelfde problematiek reeds een procedure bij het Kifid gevoerd, waarbij hij werd bijgestaan door [persoon 2] . Deze procedure werd gefinancierd door Just Legal Finance B.V. De Stichting treedt bovendien ook in de onderhavige procedure voor [persoon 6] op in verband met andere polissen van [persoon 6] bij NN dan de polis die onderwerp was van de Kifid-procedure. Dit maakt dat [persoon 6] een persoonlijk belang heeft bij de door de Stichting uitgevoerde activiteiten hetgeen in strijd is met principe VI.3 van de Claimcode.

De door de Stichting ingestelde deelnemersraad lijkt evenmin (voldoende) tegenspraak en tegenwicht tegenover het bestuur te kunnen geven. Ter zitting is gebleken dat deze deelnemersraad feitelijk slechts inhoudt dat er klachten op de website van Wakkerpolis kunnen worden geuit, terwijl niet voorzien is in bevoegdheden van die raad en het bestuur van de Stichting ook niet gehouden is om actie te ondernemen naar aanleiding van een eventueel advies van de deelnemersraad.

4.12.

Het voorgaande betekent echter niet zonder meer dat de belangen van de polishouders in het kader van deze procedure onvoldoende gewaarborgd zijn. In deze procedure betreffen de collectieve vorderingen van de Stichting slechts verklaringen voor recht. Naar de Stichting terecht stelt lopen de belangen van de verzekeringnemers hierbij in ieder geval in dit stadium parallel aan de belangen van de personen achter de Stichting. Zowel de verzekeringnemers als de personen achter de Stichting hebben baat bij toewijzing van de gevorderde verklaringen voor recht. Toewijzing van die vorderingen zou immers in beginsel leiden tot vaststelling van aansprakelijkheid van NN voor door de verzekeringnemers geleden schade, hetgeen evenzeer in het belang van de Stichting is.

Omtrent enig concreet commercieel belang van de (personen achter de) Stichting dat op gespannen voet zou staan met de belangen van de polishouders is niets gesteld.

Daarbij komt dat de Claimcode reeds een aantal jaren geleden tot stand is gekomen, terwijl zich ontwikkelingen hebben voorgedaan in onder meer de financiering van dit soort procedures en nu wordt gewerkt aan een herziene versie. Bovendien kent de Claimcode het principe van “pas toe of leg uit”. Aan afwijkingen behoeft dus, mits deugdelijk wordt toegelicht waarom zij bestaan en welke maatregelen zijn getroffen om het door de Claimcode nagestreefde doel op andere wijze te waarborgen, niet de betekenis te worden toegekend die NN daaraan in deze procedure toekent. Ten slotte is ook mogelijk dat, hoewel de governance op zichzelf, in het licht van de Claimcode, onvoldoende waarborgen biedt, deze waarborgen op andere wijze worden geboden. In dat verband is van belang dat, in het algemeen, de financiering van collectieve acties een probleem is waarvoor verschillende oplossingen bestaan.

Op deze kwesties kan, zo nodig, later in deze procedure worden teruggekomen.

4.13.

Op grond van het voorgaande en nu de kennis en vaardigheden van de Stichting door NN niet in twijfel worden getrokken, en deze naar het oordeel van de rechtbank voor een procedure als de onderhavige op dit moment in voldoende mate aanwezig zijn, bestaat op dit moment onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de belangen van de polishouders onvoldoende gewaarborgd zijn.

4.14.

Het bovenstaande neemt niet weg dat in een later stadium van deze procedure of van vervolgprocedures, bijvoorbeeld in het kader van een vordering tot schadevergoeding of een verzoek tot algemeen verbindendverklaring van een overeenkomst tot schadevergoeding, alsnog geoordeeld zal kunnen worden dat de belangen van de verzekeringnemers en die van de personen verbonden aan de Stichting zodanig uiteen lopen, dat gelet op de (huidige) governance van de Stichting de belangen van de polishouders onvoldoende gewaarborgd zijn. Voor de huidige ontvankelijkheid van de Stichting in deze procedure is dat echter, gelet op de vorderingen in de hoofdzaak, niet relevant.

4.15.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren omdat er al twee collectieve procedures lopen tegen NN over (ongeveer) dezelfde rechtsvragen. De vorderingen en de geschilpunten in de onderhavige procedure vertonen samenhang met de procedures die zijn aangespannen door Woekerpolis.nl respectievelijk de Consumentenbond, maar de vorderingen en de juridische geschilpunten zijn niet identiek. Bovendien zijn er geen rechtsvragen aan de orde die reeds in hoogste instantie zijn beantwoord. De vorderingen van de Stichting hebben daarnaast betrekking op meer typen beleggingsverzekeringen dan de andere procedures. De Stichting heeft er dus voldoende recht op en belang bij om op basis van haar eigen stellingen, met haar eigen onderbouwing, een uitspraak te verkrijgen op haar vorderingen tegen NN. Of zij inderdaad, zoals zij stelt doch NN betwist, over meer of ander bewijsmateriaal beschikt dat de eisers in de andere procedures kan in het midden blijven (en zal eventueel later blijken). Dat dit, wellicht, voor NN tot dubbeling van bepaalde werkzaamheden en verhoging van kosten leidt is geen reden om hierover anders te oordelen; NN kan geen aanspraak maken op een (verplichte) bundeling van alle collectieve acties in één procedure. Daarbij komt, dat de procedure van de Consumentenbond nog nauwelijks verder gevorderd is dan de onderhavige; de inhoudelijke behandeling in die zaak is eerst dit najaar voorzien. Als NN zich niet tegen voeging had verzet hadden deze procedures gevoegd behandeld kunnen worden, zodat de door haar nu genoemde bezwaren zich in zoverre niet hadden voorgedaan.

4.16.

Daarbij komt nog, dat de Stichting niet louter een vordering op de voet van art. 3:305a BW heeft ingesteld, maar ook vorderingen op basis van volmacht en lastgeving namens [persoon 7] , [persoon 8] en [persoon 9] . Dit zijn, naar op zichzelf niet ter discussie staat, houders van polissen waaromtrent een verklaring voor recht wordt gevraagd. Voor de ontvankelijkheid van de Stichting in die vorderingen is niet meer nodig dan dat voldaan is aan de algemene eisen van art. 3:302 en 303 BW. Nu het gaat om verklaringen voor recht omtrent polissen waarbij de last- en volmachtgevers, en dus ook de Stichting als gevolmachtigde/lasthebber, onmiddellijk betrokken zijn is voldaan aan het vereiste dat art. 3:302 BW stelt. Dat voldoende belang bestaat bij de verklaringen voor recht volgt voldoende uit de omstandigheid dat, als die worden toegewezen, in beginsel aanspraak gemaakt kan worden op een geldelijke tegemoetkoming van NN. Dat een eiser, om hem of haar moverende redenen, ervoor kiest om niet meteen een bedrag aan schadevergoeding te vragen maar eerst een verklaring voor recht is als zodanig niet ongebruikelijk en leidt er naar vaste jurisprudentie ook niet toe dat het vereiste belang bij die verklaring voor recht ontbreekt. Dat een polishouder een ander, de Stichting, last en volmacht heeft gegeven om die vordering voor hem of haar in te stellen en dus als eiser op te treden doet in dit verband niet ter zake.

4.17.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de huidige incidentele vordering van NN tot het niet-ontvankelijk verklaren van de Stichting in haar vorderingen, moet worden afgewezen.

Ten aanzien van de vorderingen van de individuele eisers

4.18.

Met betrekking tot de stelling van NN dat de individuele eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat deze vorderingen als verkapte collectieve vorderingen moeten worden aangemerkt, oordeelt de rechtbank als volgt.

4.19.

De eisen die art. 3:305a BW stelt zien slechts op stichtingen en verenigingen die een collectieve actie als in die bepaling bedoeld instellen. Voor de individuele eisers gelden, als het om de ontvankelijkheid van een vordering die strekt tot een verklaring voor recht gaat, naast de algemene eisen van art. 3:302 en art.3: 303 BW geen bijzondere eisen. Wakkerpolis c.s. hebben toegelicht dat de vorderingen van de individuele eisers betrekking hebben op hun individuele polissen.

4.20.

Gelet op de tekst van het petitum en de toelichting daarop gaat de rechtbank ervan uit dat de vorderingen in het petitum van de dagvaarding 10) tot en met 16) louter individuele vorderingen (van de individuele eisers en de hierna te bespreken BV) zijn en geen collectieve vorderingen, ook geen verkapte collectieve vorderingen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de individuele eisers daarom in deze vorderingen worden ontvangen, omdat is voldaan aan de gebruikelijke eisen voor ontvankelijkheid als bedoeld in art. 3:302 en 303 BW, op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 4.16 toegelicht.

De stelling van NN dat Wakkerpolis c.s. ten aanzien van de individuele vorderingen (daaronder al dan niet begrepen de vorderingen van de Stichting als bedoeld in 4.16) – kort gezegd – niet hebben voldaan aan hun stel- en motiveringsplicht, behoeft op dit moment geen nadere beoordeling. Er is voldoende gesteld om voormeld belang te onderbouwen. Het overigens niet voldoen aan de stel- en motiveringsplicht leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van eisers, maar hoogstens, te zijner tijd, tot afwijzing van de vordering. Of de individuele eisers al dan niet hebben voldaan aan hun stel- en motiveringsplicht (voor zover die verder gaat dan hun betrokkenheid en hun belang als hiervoor bedoeld), is dus in dit incident niet aan de orde. Die vraag zal moeten worden beantwoord in de hoofdzaak.

4.21.

Het voorgaande brengt mee dat de individuele eisers kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. De incidentele vordering van NN zal daarom ook ten aanzien van de individuele eisers worden afgewezen.

Ten aanzien van de BV

4.22.

Hoewel NN ook de niet ontvankelijkheid van de BV heeft gevorderd heeft zij die vordering nauwelijks toegelicht (zie 3.2, slot). Kennelijk baseert zij zich met name op de gedachte dat de wijze waarop de onderhavige vorderingen van de BV zijn ingericht neerkomen om het omzeilen van de eisen van art. 3:305a BW.

4.23.

Dat de BV niet kan optreden als eiseres bij een collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a BW volgt reeds uit de omstandigheid dat zij geen stichting of vereniging is; zij stelt dan ook een dergelijke vordering niet in. Dat het ontoelaatbaar of misbruik van recht zou zijn om een wel voor haar openstaande weg in te slaan en in dat verband samen met de Stichting, maar met eigen vorderingen, als eiseres in deze procedure op te treden volgt niet uit de tekst, het systeem of de ratio van de wet, terwijl ook steun in de jurisprudentie ontbreekt. Wel dient de BV, vanzelfsprekend, te voldoen aan de eisen voor ontvankelijkheid in de vordering die zij instelt. Ook voor de BV zijn dat slechts de eisen van art. 302 en 303 BW nu zij optreedt als eiseres op basis van volmacht en lastgeving namens Uithol en Verbeek. Ook deze vorderingen –onder 10-16 van het petitum - hebben betrekking op de betreffende individuele polissen. Hetgeen hiervoor onder 4.16 en onder 4.18 e.v. werd overwogen geldt evenzeer voor de BV in haar hoedanigheid van gevolmachtigde/lasthebber.

Ook de BV, als gevolmachtigde/lasthebber, kan ontvangen worden in haar vorderingen en ook jegens haar wordt de incidentele vordering afgewezen.

4.24.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

In de hoofdzaak

4.25.

NN heeft in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd. Wakkerpolis c.s. stellen dat uit artikel 128 lid 3 Rv voortvloeit dat NN haar verweer in de hoofdzaak gelijktijdig had moeten aanvoeren met haar eis in het incident, omdat op dit incident niet eerst en vooraf beslist hoefde te worden. Dit verweer treft geen doel. De rechtbank heeft NN vanuit het oogpunt van een efficiënte procesvoering in de gelegenheid gesteld het onderhavige incident in te stellen en de procesvoering zo ingericht dat daarop zou worden beslist voordat NN voor antwoord zou concluderen in de hoofdzaak. De rechtbank zal de procedure in de hoofdzaak daarom verwijzen naar de rol voor het nemen van de conclusie van antwoord. Gelet op de aard van deze procedure en de op dat punt ter zitting naar voren gebrachte argumenten en gemaakte procesafspraken zal NN een ruime periode voor het nemen van die conclusie worden gegund.

4.26.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 november 2018 voor conclusie van antwoord,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.C.A.T. Frima en

mr. P. Volker en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

2083/106/1659/2221