Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9135

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
C/10/538931 / JE RK 17-3670
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het is in de visie van de kinderrechter van het grootste belang dat er thans een situatie wordt gecreëerd die de minderjarige voldoende rust, veiligheid en stabiliteit biedt om zich zo snel en zo goed mogelijk te gaan hechten in het pleeggezin. De door de moeder gewenste uitbreiding van de bezoeken zal daaraan in de weg staan en gemakkelijk tot grote verwarring en een grote emotionele belasting bij de minderjarige kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/538931 / JE RK 17-3670

datum uitspraak: 19 januari 2018

beschikking vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2014 te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 10 november 2017, ingekomen bij de griffie op 10 november 2017,

- het bericht met bijlagen van de GI van 18 december 2017, ingekomen bij de griffie op

27 december 2017.

Op 29 december 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. R.F.H. Tamboenan,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de grootmoeder moederszijde,

[naam grootmoeder] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

Op 9 juli 2014 is de eerste ondertoezichtstelling over [voornaam minderjarige] uitgesproken. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

Laatstelijk is bij beschikking van 20 juni 2017 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 9 juli 2018.

Tevens is bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 9 juli 2018.

Feitelijk verbleef [voornaam minderjarige] vanaf april 2017 na een spoedmachtiging in een crisispleeggezin, en is hij op 6 oktober 2017 doorgeplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin van Horizon.

[voornaam minderjarige] is ook uithuisgeplaatst geweest van 28 mei 2015 na een spoedmachtiging, tot 2 mei 2016, toen [voornaam minderjarige] weer thuis werd geplaatst bij de moeder. In de periode van de eerste uithuisplaatsing heeft hij achtereenvolgens bij een neutraal pleeggezin verbleven, bij grootouders m.z., bij een crisispleeggezin en bij grootmoeder v.z.

Naar aanleiding van een e-mailbericht van de GI aan de moeder van 30 augustus 2017 heeft de kinderrechter bij beschikking van 19 oktober 2017 de in voormelde e-mail vervatte omgangsregeling aangemerkt als schriftelijke aanwijzing en deze vervallen verklaard, en is de GI opgedragen om een nieuwe schriftelijke aanwijzing op te stellen. Tevens is bepaald dat tot het moment van de nieuwe schriftelijke aanwijzing, de regeling van kracht is zoals die gold voor 30 augustus 2017.

De GI heeft op 30 oktober 2017 een schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling gegeven. Hierin is het volgende opgenomen:

- de bezoeken van de moeder aan [voornaam minderjarige] zullen één keer per vier weken plaatsvinden, waarbij de moeder zich dient te houden aan de door de GI gestelde voorwaarden;

- naast de voornoemde bezoeken zal er in de week vóór ieder bezoek telefonisch contact plaatsvinden tussen de moeder en [voornaam minderjarige] .

Het verzoek van de moeder

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren. Voorts verzoekt de moeder om een omgangs- en contactregeling vast te stellen waarbij de moeder om de twee weken één dagdeel omgang zal hebben met [voornaam minderjarige] . Subsidiair verzoekt de moeder een omgangsregeling te bepalen welke de rechtbank in goede justitie juist acht. De moeder handhaaft haar verzoek ter zitting en licht haar verzoek, deels bij monde van haar advocaat, als volgt toe. De moeder is niet, althans niet voldoende, in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze in te dienen in de zin van artikel 1:3 Awb. De stelling van de GI dat er minder bezoeken plaats dienen te vinden nu [voornaam minderjarige] in een perspectiefbiedend pleeggezin is geplaatst kan de schriftelijke aanwijzing niet dragen. De GI stelt dat dat de bezoeken tussen de moeder en [voornaam minderjarige] belastend zijn voor [voornaam minderjarige] , maar onderbouwt deze stelling niet. De contacten tussen [voornaam minderjarige] en de moeder zijn belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van [voornaam minderjarige] . De frequentie van de bezoeken dient los te staan van een eventueel perspectiefbesluit van de GI. De bezoeken verlopen goed, maar er is te weinig terugkoppeling en feedback over de bezoeken vanuit de GI richting de moeder. In de richtlijnen van de GI staat dat frequent en snel bezoek van belang is wanneer een minderjarige uit huis is geplaatst. De GI heeft in de schriftelijke aanwijzing niet gemotiveerd waarom zij afwijkt van dit beleid. De stelling van de GI dat de moeder [voornaam minderjarige] blootstelt aan haar emoties klopt niet. De moeder uit haar emoties pas wanneer [voornaam minderjarige] weg is. De moeder kan de huidige situatie niet accepteren en is bereid om alles te doen om [voornaam minderjarige] terug te krijgen. De stelling van de GI dat de moeder altijd op de hoogte is geweest van de intentie van de GI om de bezoekfrequentie te reduceren klopt niet. Voorts is de stelling van de GI dat de moeder tijdens telefonische contacten met [voornaam minderjarige] aan [voornaam minderjarige] vraagt waar hij verblijft niet juist. Tot slot verzoekt de moeder de GI om video-bellen toe te staan tijdens de telefonische contacten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . De telefonische contacten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] verlopen goed, maar [voornaam minderjarige] is snel afgeleid. Het is mogelijk dat [voornaam minderjarige] tijdens het video-bellen minder snel afgeleid zal zijn.

Het standpunt van de GI

De GI verzet zich tegen het verzoek van de moeder en licht haar standpunt als volgt toe. De bezoeken worden teruggebracht van één bezoek per twee weken naar één bezoek per drie weken en vervolgens naar één bezoek per vier weken. Het is een misverstand dat op grond van de CHOP-lijst werd gekomen op één bezoek per drie weken. Met behulp van die lijst wordt namelijk tot minder frequente omgang gekomen dan ééns per vier weken. Echter, maatwerk is vereist, en voorafgaand aan de perspectiefbiedende plaatsing was er ééns per twee weken één uur bezoek. Zodoende is de GI op ééns per vier weken bezoek uitgekomen. De GI wilde daar geleidelijk naar toe. De e-mail van 30 augustus 2017, waarin die geleidelijke vermindering was opgenomen, werd vervolgens al aangemerkt als schriftelijke aanwijzing en vervallen verklaard.

De GI heeft haar intentie om de bezoekfrequentie te reduceren na de perspectiefbiedende plaatsing al vroeg uitgesproken richting de moeder.

De perspectiefbiedende plaatsing is in overeenstemming met het perspectiefbesluit dat door de GI is genomen en ook met de visie van het Hof op de uithuisplaatsing zoals die blijkt uit het arrest van 1 november 2017. De GI heeft ook de intentie om de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. Een ondertoezichtstelling is op dit moment geen passende maatregel meer, nu de GI niet meer de intentie heeft om te werken aan het realiseren van een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] .

De GI begrijpt dat dit proces voor de moeder enorm zwaar is, maar vindt dat er duidelijkheid dient te komen over [voornaam minderjarige] ’s toekomstperspectief.

De overgang van [voornaam minderjarige] vanuit het crisispleeggezin naar het perspectiefbiedende pleeggezin is stapsgewijs verlopen en verliep soepel. Het is thans van groot belang dat [voornaam minderjarige] goed in kan groeien in het perspectiefbiedende pleeggezin en zich optimaal aan het gezin kan gaan hechten. Een bezoekfrequentie van één bezoek per twee weken is in die situatie niet passend. [voornaam minderjarige] is nog maar drie jaar en heeft al veel verschillende woonplekken en woonsituaties gekend, en hij heeft bij de moeder thuis veel meegemaakt. Bij wekelijkse of twee-wekelijkse bezoeken krijg je een verscheurd kind. [voornaam minderjarige] heeft nu rust nodig en moet in het pleeggezin mogen zijn van de moeder. De perspectiefbiedende plaatsing is echter voor de moeder heel moeilijk te accepteren. De moeder is emotioneel, en [voornaam minderjarige] reageert daarop. Hij voelt de spanning. In de huidige situatie dat niet meer wordt gewerkt aan een thuisplaatsing vindt de GI het belang, dat [voornaam minderjarige] niet teveel wordt blootgesteld aan de emoties en de spanningen van de moeder, zwaar wegend. Tijdens de bezoeken kan worden gezien dat de bezoeken belastend zijn voor [voornaam minderjarige] . Dit is zichtbaar in het gedrag van [voornaam minderjarige] , in zijn waakzaamheid als de moeder iets zegt. Eerder is een aantal bezoeken van de moeder aan [voornaam minderjarige] niet goed verlopen. De moeder wil niet dat [voornaam minderjarige] de pleegmoeder mama noemt en kan er niet goed mee omgaan wanneer [voornaam minderjarige] dat toch doet. De moeder wordt boos en [voornaam minderjarige] hoort dat aan haar. Het levert spanningsvolle situaties op tijdens de bezoeken. De GI en de pleegmoeder hebben er geen problemen mee dat [voornaam minderjarige] de pleegmoeder mama noemt. De pleegmoeder heeft tegen [voornaam minderjarige] gezegd dat hij de moeder ook mama mag noemen. Tijdens de bezoeken heeft de moeder [voornaam minderjarige] ook een keer gefilmd en [voornaam minderjarige] heeft zelf een keer aangegeven dat hij naar huis (pleegouders) wilde gaan. De moeder vraagt tijdens een telefonisch contact soms aan [voornaam minderjarige] waar hij verblijft en dit werkt belastend voor [voornaam minderjarige] . Qua spelen met, en aandacht voor [voornaam minderjarige] , verlopen de bezoeken wel goed, en de moeder doet enorm haar best om haar grote verdriet niet eerder dan na het afscheid van [voornaam minderjarige] te uiten.

De beoordeling

Vast staat dat de moeder in ieder geval sinds de e-mail van 30 augustus 2017 bekend is met het voornemen van de GI, de bezoekfrequentie te verminderen in verband met de perspectiefbiedende plaatsing die toen was voorzien eind september of begin oktober 2017. De moeder heeft haar visie hieromtrent naar voren kunnen brengen voor, tijdens en ook na de zitting van 19 oktober 2017. De GI is blijkens de thans bestreden schriftelijke aanwijzing bij haar voornemen gebleven. Dat de GI deze beslissing op onzorgvuldige wijze heeft voorbereid is de kinderrechter niet gebleken en volgt ook niet uit het gegeven dat de GI haar visie niet heeft bijgesteld naar aanleiding van het kennisnemen van de visie van de moeder.

Mede gelet op de toelichting die ter zitting door de GI is gegeven, concludeert de kinderrechter dat de GI het belang van een goede hechtingsontwikkeling in het pleeggezin gebaat acht met een vermindering van de bezoekfrequentie, én dat de GI van mening is dat het belang van een goede hechtingsontwikkeling thans boven elk ander belang gaat. Immers is mét de perspectiefbiedende plaatsing, het uitgangspunt geworden dat [voornaam minderjarige] in het huidige pleeggezin zal opgroeien, en wordt er niet meer toegewerkt naar een thuisplaatsing.

Deze visie van de GI is niet onbegrijpelijk of willekeurig, en heeft de GI ook voldoende onderbouwd.

De kinderrechter heeft er hierbij op gelet dat [voornaam minderjarige] nog heel jong is maar toch al vele wisselingen van opvoedplekken en opvoedsituaties heeft meegemaakt. Ook neemt de kinderrechter de onveilige situaties in aanmerking waarin [voornaam minderjarige] herhaaldelijk bij de moeder heeft verkeerd. Al deze factoren zijn immers van negatieve invloed op de mogelijkheid van een kind zich veilig aan de primaire opvoeder te hechten. De GI heeft voorts voldoende onderbouwd dat de bezoeken voor [voornaam minderjarige] niet alleen fijn, maar ook belastend zijn.

Het is daarom ook in de visie van de kinderrechter van het grootste belang dat er thans een situatie wordt gecreëerd die [voornaam minderjarige] voldoende rust, veiligheid en stabiliteit biedt om zich zo snel en zo goed mogelijk te gaan hechten in het pleeggezin. De door de moeder gewenste frequentie van de bezoeken – en de door haar gewenste aanzienlijke uitbreiding in duur – zal daaraan in de weg staan en gemakkelijk tot grote verwarring en een grote emotionele belasting bij [voornaam minderjarige] kunnen leiden. De kinderrechter ziet dan ook geen aanleiding om een andere bezoekfrequentie vast te stellen dan de GI in de bestreden schriftelijke aanwijzing heeft gedaan. Het verzoek van de moeder zal, gelet op het vorenstaande, worden afgewezen.

Wel is de kinderrechter van oordeel dat het passend is dat geleidelijk wordt gekomen tot de frequentie van ééns per vier weken contact, en in de week daaraan voorafgaand, telefonisch contact. Dit was ook het oorspronkelijke voornemen van de GI. De kinderrechter acht het passend dat na twee tussenperioden van drie weken, de tussenperiode van vier weken wordt aangehouden.

Voorts acht de kinderrechter het van belang dat er steeds naar wordt gestreefd dat de moeder zo goed mogelijk invulling aan de bezoeken kan geven. Met behulp van feedback en evaluaties kan na verloop van tijd worden nagegaan of een langere duur van de bezoekcontacten in het belang van [voornaam minderjarige] kunnen worden geacht. Ook dient na verloop van tijd te worden geëvalueerd of nog steeds de uitkomst van de CHOP-lijst is dat bezoeken op neutraal terrein moeten plaatsvinden.

De beslissing
De kinderrechter:

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. de Geus, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

J.C. de Vries als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.