Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9068

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
10/681019-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Sedum. Openlijke geweldplegingen door groep verdachten na lokken van slachtoffers via datingapp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/681019-18

Datum uitspraak: 1 november 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. K.M.S. Bal, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 oktober 2018 en 18 oktober 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 t/m 5 ten laste gelegde ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte een geldbedrag van € 250,- zal storten op rekening t.n.v. het Schadefonds Geweldsmisdrijven;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunten verdediging en officier van justitie

Ten aanzien van feit 3 en 5

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 3 en feit 5 dient te worden vrijgesproken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige bijdrage aan de vernieling van de auto’s heeft gehad.

De officier van justitie acht de onder 3 ten laste gelegde vernieling ten aanzien van de jas en de bril van de aangever wettig en overtuigend bewezen. De ten laste gelegde vernieling ten aanzien van de auto acht de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte dient hiervan partieel vrijgesproken te worden. De officier van justitie acht de onder feit 5 ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen.

4.1.2.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 3

Onder feit 3 is aan de verdachte ten laste gelegd het medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van de auto, de jas en de bril van een ander.

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de auto van de aangever is vernield door medeverdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] . Zij hebben de buitenspiegels, de ruitenwisser en de band van de auto van de aangever beschadigd. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen dat de verdachte zelf enige handeling heeft verricht waardoor de auto van het slachtoffer is beschadigd of vernield. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf het voertuig van het slachtoffer heeft beschadigd of vernield.

Dan kan evenwel alsnog een bewezenverklaring volgen wanneer sprake is geweest van medeplegen. De vraag is dan of de verdachte voldoende nauw en bewust heeft samengewerkt met - in ieder geval - de hiervoor genoemde medeverdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] . Hiervoor ontbreekt echter eveneens het wettig en overtuigend bewijs.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat op basis van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld door welke handelingen de jas en de bril van het slachtoffer zijn beschadigd c.q. zijn weggemaakt en in welke mate deze verdachte daaraan heeft bijgedragen.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het hem onder 3 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 5

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de personenauto van het slachtoffer is beschadigd doordat de medeverdachte [naam medeverdachte 4] een bierflesje door een ruit van die auto heeft gegooid. Voor zover in het dossier aanknopingspunten te vinden zijn voor andere beschadigingen aan de auto van het slachtoffer, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen wie de handeling of handelingen heeft verricht waardoor deze beschadigingen zijn veroorzaakt.

Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf het voertuig van het slachtoffer heeft beschadigd of vernield. Dan kan evenwel alsnog een bewezenverklaring volgen wanneer sprake is geweest van medeplegen. De vraag is dan of de verdachte voldoende nauw en bewust heeft samengewerkt met - in ieder geval – de hiervoor genoemde medeverdachte [naam medeverdachte 4] . Hiervoor ontbreekt evenwel eveneens het wettig en overtuigend bewijs.

4.1.3.

Conclusies

Het onder feit 3 en feit 5 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunten verdediging en officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 en 4

De officier van justitie acht feit 1, inclusief de strafverzwarende omstandigheden van letsel bij de aangever en vernieling van de jas en bril van de aangever, en ook feit 4, inclusief de strafverzwarende omstandigheid van vernieling van de ruit van de personenauto, wettig en overtuigend bewezen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldplegingen ten laste gelegd onder feit 1 en feit 4. Zijn enkele aanwezigheid en het zich niet distantiëren levert niet direct een wezenlijke en significatie bijdrage op. De verdachte dient derhalve van deze feiten te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw zich voorts op het standpunt gesteld dat er helemaal geen sprake is van geweld tegen de aangever, maar alleen ten aanzien van diens auto.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van feit 2.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige geweldshandeling of bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen.

4.2.2.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1 en 4

Vooropgesteld wordt dat van 'in vereniging' plegen van geweld in de zin van artikel 141, eerste lid, Sr sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die 'in vereniging' geweld pleegt (vgl. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823).

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet alleen in de groep aanwezig was en aldus de groep getalsmatig versterkte, maar dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte welbewust een zekere confrontatie heeft opgezocht en bovendien vervolgens gedurende enige tijd is meegegaan in de aanvalsgolven van de groep richting de slachtoffers.

Illustratief is de eigen verklaring van de verdachte van 10 april 2018 waarin hij zegt dat hij met de groep in de bosjes wachtte en hij de bosjes is uitgegaan toen de groep de bosjes uitrende en de man aanviel. De verdachte verklaart letterlijk dat de groep zich op de man stortte. Op de vraag wie dan de groep is die zich op de man stort, antwoordt hij: “[naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 5] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 6] en ik”. De verdachte maakt hiermee duidelijk dat hij onderdeel was van de geweldplegende groep.

De verdachte heeft ook bijgedragen aan de sfeer van ontremming die het openlijk geweld tegen personen en tegen goederen heeft mogelijk gemaakt. Illustratief daarvoor is de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 7] van 17 april 2018 voor wat betreft zaak 2 “[naam medeverdachte 8] wilde dat het gewoon doorging, [naam medeverdachte 8] had er zin in” en de appgespreken van de verdachte en zijn medeverdachten in de groepsapp [naam groepsapp] voorafgaand aan de openlijke geweldpleging op 1 april 2018. “Weer ff pedo’s klappen” appt medeverdachte [naam medeverdachte 7] in de namiddag. “Wordt weer leuk” appt medeverdachte [naam medeverdachte 9] . [naam medeverdachte 10] appt de verdachte. De verdachte heeft het vervolgens over dat hij een “pyro Tunder” bij zich heeft waarop medeverdachte [naam medeverdachte 11] appt “Tunder in zijn kont”. De verdachte appt vlak voor middernacht om zijn medeverdachten op te roepen: “Kom nu. 12 uur. Sta half 12 allemaal hier. Bespreken” Medeverdachte [naam medeverdachte 7] stuurt dan in reply: “Dus die pedo’s komen om 12 uur?”. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Ten aanzien van het betoog van de raadsvrouw dat ten aanzien van feit 4 geen sprake is van geweld tegen personen overweegt de rechtbank het volgende.

Het getuigt van een te enge opvatting van de bepaling, wanneer het geweld dat wordt uitgeoefend op een personenauto waarin een persoon zit, niet ook gericht zou zijn tegen de inzittende. Voor een inzittende in de situatie als de onderhavige, waarbij het ook evident is dat dat geweld en de woede van de menigte niet alleen op de auto is gericht, maar zeker ook op de inzittende, is dat geweld persoonlijk bedreigend. Daarbij komt dat voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging, tegen goederen dan wel personen, niet vereist is dat er daadwerkelijk schade of letsel is. Het is een feitelijke constatering achteraf dat de inzittende geen letsel heeft opgelopen door het gepleegde geweld. Het ontbreken van opzet daarop kan daaruit, gezien de feitelijke verschijningsvorm van de gedragingen, niet worden afgeleid.

Partiële vrijspraak met betrekking tot de strafverzwarende omstandigheden

Met de raadsvrouw is de rechtbank met betrekking tot feit 1 van oordeel dat op grond van het dossier niet vast is te stellen dat de verdachte enige handeling heeft verricht waardoor de auto en de jas van het slachtoffer zijn vernield. Noch kan de rechtbank vaststellen of het handelen van de verdachte, het ten gelegde letsel van de aangever, te weten een bult op het achterhoofd en/of een schaafwond in het gezicht heeft veroorzaakt.

Voorts is de rechtbank met betrekking tot feit 4 van oordeel dat op grond van het dossier niet vast kan worden gesteld dat de verdachte enige handeling heeft verricht waardoor (een ruit van) de personenauto van het slachtoffer is vernield.

De onder 1 en 4 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheden zijn niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de aangever is geschopt, geslagen en gestompt. De aangever heeft daardoor letsel opgelopen en heeft pijn ondervonden. Een aantal van de medeverdachten heeft bekend geweldshandelingen jegens de aangever te hebben gepleegd.

Onder verwijzing naar het beoordelingskader van medeplegen zoals dat hiervoor ten aanzien van feit 3 uiteen is gezet, overweegt de rechtbank dat uit de gebezigde bewijsmiddelen waaronder de hiervoor reeds aangehaalde eigen verklaring van de verdachte waarin hij onder meer verklaart dat hij wist dat er een “pedo” naar [plaats] zou komen, dat zij als groep naar [plaats] zijn gegaan om medeverdachte [naam medeverdachte 1] te helpen en dat hij tot de groep behoorde die zich op de aangever hebben “gestort”, volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest om hem als medepleger aan te merken.

4.2.3.

Conclusie

De onder feit 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten zijn wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de onder 1 en 4 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheden niet wettig en overtuigend zijn bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

op of omstreeks 31 maart 2018 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, Smitsweg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de persoon die onder nummer

[registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd en een personenauto [Merk Mazda, type 323F] en een bril en een jas, welk geweld bestond uit

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr en

- het meenemen van deze persoon naar een stille/afgelegen locatie en

- het (luidruchtig) roepen "kankerhomo, je wilt mij neuken" en

- het slaan en schoppen en stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam

van de persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] en

- het bij de jas beetpakken en

-houden van de persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] en

- het leksteken van een band van de personenauto en

- het trappen/schoppen tegen de buitenspiegels van de personenauto en

- het verbuigen van een ruitenwisser van de personenauto,

2.

hij

op 31 maart 2018 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

met voorbedachten rade de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd, heeft mishandeld door

- het slaan en schoppen en stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam

van persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] ;

4.

hij

op 01 april 2018 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, Schenkeldijk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de persoon die onder

nummer [registratienummer slachtoffer 2] door de politie is geregistreerd en een personenauto [merk Citroën, type C5], welk geweld bestond uit

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr met de persoon die onder

nummer [registratienummer slachtoffer 2] door de politie geregistreerd is en

- lokken naar een stille/afgelegen locatie van die persoon en

- het gooien met bierflessen en takken en stenen naar/tegen die Citroën C5 en

- schreeuwen en het achter de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] door de politie is geregistreerd en de Citroën C5 aanrennen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

Samenloop

De onder 1 en 2 bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Dit betekent dat sprake is van eendaadse samenloop.

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De eendaadse samenloop van

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen

en

medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade

Feit 4

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan twee openlijke geweldplegingen.

Bij beide incidenten die op achtereenvolgende nachten hebben plaatsgevonden zijn de slachtoffers via een datingapp onder valse voorwendselen door de verdachte en zijn medeverdachten naar een afgelegen plek gelokt waar zij vervolgens te grazen zijn genomen door de groep verdachten.

In de nacht van 31 maart 2018 is het slachtoffer onder andere met een bierflesje op het hoofd geslagen, geschopt en beschimpt door een groep van acht verdachten waartoe ook de verdachte behoorde. Ook diens auto heeft het moeten ontgelden. Onder andere zijn autospiegels zijn eraf getrapt en één van de banden is lek gestoken. Het slachtoffer is een nabijgelegen kantine ingevlucht om te kunnen ontsnappen aan de verdachten.

In de volgende nacht van 1 april 2018 is er een ander slachtoffer wederom via een datingapp onder valse voorwendselen door de verdachte en zijn medeverdachten naar een afgelegen plek gelokt. Het slachtoffer, gezeten in zijn auto, is vervolgens door de groep verdachten die inmiddels was uitgegroeid tot elf man, belaagd. De auto van dit slachtoffer is bekogeld met stenen, bierflesjes en takken. Ook dit slachtoffer is in paniek gevlucht en heeft zich moeten verstoppen om aan de verdachten te ontkomen.

De verdachte heeft weliswaar zelf geen geweld gebruikt tegen de slachtoffers en hun auto’s, maar wel heeft hij vooral voorafgaand aan het tweede incident een grotere rol gehad door bij te dragen aan een sfeer van ontremming.

De verdachte en een aantal van zijn medeverdachten hebben met name voor wat betreft het eerste incident op 31 maart 2018 hun handelen vergoeilijkt door te stellen dat deze aangever een seksafspraak met een minderjarige had gemaakt en dus zelf strafbaar en laakbaar handelde.

De vraag of dit zo was, en meer in het algemeen de vraag naar de mogelijk kwalijke intenties van de mannen die met de medeverdachte(n) afspraken, zal in deze strafzaak niet worden beantwoord. Wat daar namelijk ook van zij, die omstandigheid rechtvaardigt niet het gedrag van de verdachte en zijn medeverdachten om te handelen zoals is bewezen verklaard. Eigenrichting kan nooit worden toegestaan.

Feiten als de onderhavige hebben een grote impact op slachtoffers en dragen bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid. Slachtoffers van dergelijke feiten ervaren daarvan vaak, naast fysiek ongemak en overige materiële schade, langdurig de nadelige psychische gevolgen.

De rechtbank begrijpt dat de onderhavige zaken in het bijzonder in de LHBT-gemeenschap gevoelens van onrust, angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. De rechtbank rekent dat de verdachte en de medeverdachten zwaar aan.

7.2.1.

Discriminatoir karakter?

Voor de rechtbank staat vast dat de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] aanvankelijk op zoek waren naar kwetsbare slachtoffers om te beroven, dan wel af te persen. De uitzending van Alberto Stegeman over jongensprostitutie is daarbij vervolgens voor hen een inspiratiebron geworden. In dat programma speelt een jongen van 18 jaar een minderjarige prostitué. Hij neemt op homosites als persoon de leeftijd van 17/16 en soms 15 jaar oud aan. Er worden op homosites meerdere lokaccounts geplaatst om te kijken hoeveel volwassen mannen reageren omdat zij seks willen hebben met een minderjarige.

Dit komt grotendeels overeen met de werkwijze van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] . Na het aanmaken van een account op de homodatingapp Grindr, proberen zij als minderjarige jongen afspraakjes te maken met gebruikers van Grindr. Uit de chatgesprekken van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] komt onder meer naar voren dat ze “30 plussers” moeten hebben omdat ze anders te boek staan als homohaters in plaats van pedojagers en dat zij Grindr een “goudmijn voor pedo’s” vinden. Zij slagen erin om met meerdere mannen in contact te komen. Vervolgens hebben zij de overige medeverdachten erbij gehaald door hen te vertellen dat de verdachte een afspraak met “een pedo” heeft gemaakt.

Zij lokken twee mannen naar bekende hangplekken van de groep, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de twee openlijke geweldplegingen door de groep verdachten.

Uitvoerig is door de raadsman van het eerste slachtoffer in diens hoedanigheid van raadsman van de benadeelde partij en door de officier van justitie betoogd dat sprake zou zijn geweest van homohaat dan wel homofoob geweld.

Dat het gepleegde geweld daarin zijn oorsprong heeft gevonden, is de rechtbank niet gebleken. Aanknopingspunten daarvoor missen in het dossier. Dat door de verdachten ook een aantal keren de termen “(kanker)homo”, “flikker” of “gay” worden gebezigd naast het veelvuldige gebruik van het woord “pedo” maakt dat in de ogen van de rechtbank niet anders. Hoe laakbaar en kwetsend het gebruik van dergelijke termen ook moge zijn, deze zijn naar het oordeel van de rechtbank betreurenswaardig meer illustratief voor het dagelijks taalgebruik van deze verdachten dan dat de verdachten zich doelbewust op de homoseksuele geaardheid van de (potentiële) slachtoffers hebben willen richten en hen om die reden in elkaar hebben willen slaan. Alle verdachten in deze zaak hebben het bestaan van een dergelijk motief ook uitdrukkelijk ontkend.

Veeleer lijkt er sprake te zijn geweest van een giftige cocktail van sensatiezucht, geldbelustheid, een misplaatste opvatting over gerechtvaardigde eigenrichting ten aanzien van pedoseksuelen en een fascinatie voor geweld, dit alles gegoten in een door groepsdruk versterkte en verhitte sfeer waarin enige rationele zelfreflectie heeft ontbroken.

De rechtbank zal het discriminatoire aspect – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – dan ook niet in strafverzwarende zin betrekken bij het bepalen van de strafmaat.

7.2.2.

Media-aandacht

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachten de ontstane media-aandacht aan zichzelf te wijten hebben en dat hij om die reden daarmee bij het formuleren van zijn eis geen rekening heeft gehouden in strafmatigende zin.

Door een aantal raadslieden in de zaken Sedum is naar voren gebracht dat sprake is geweest van “tendentieuze berichtgeving” dan wel “negatieve framing” door de media, waarmee in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden, dan wel dat de rechtbank zich niet door die “framing” moet laten brengen tot strafverzwaring.

Voorop staat dat het de rechtbank in beginsel vrij staat bij het bepalen van de straf rekening te houden met nadeel dat door media-aandacht voor een verdachte is veroorzaakt, ook indien dit niet aan het toedoen van het openbaar ministerie is te wijten of indien dit niet als een schending van artikel 8 EVRM kan worden aangemerkt. Deze factoren kunnen wel van belang zijn voor het bepalen van de ernst van het nadeel en mate waarin met die nadelige gevolgen bij de strafoplegging rekening wordt gehouden. Dat betekent overigens niet dat een verdachte indien hij te lijden heeft gehad van indringende media-aandacht omtrent zijn strafzaak, recht heeft op matiging van de hem op te leggen straf. Media-aandacht kan daarnaast evenzeer wijzen op de omvang van de maatschappelijke onrust die het bewezenverklaarde heeft veroorzaakt.

Onbetwist is dat onderhavige zaken en de verdachten onderwerp zijn geweest van aanzienlijke media-aandacht. Dat de ten laste gelegde en bewezenverklaarde openlijke geweldplegingen, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen, acht de rechtbank echter voorzienbaar en inherent aan de aard en inhoud van dergelijke zaken.

Er is naar het oordeel van de rechtbank voorts niet gebleken dat verdachten door de media-aandacht op zodanige, de ernst van de feiten te boven gegane wijze, in hun persoonlijke levenssfeer zijn geschaad dat dit op de straf matigend zou moeten werken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 september 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 september 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is een achttienjarige man die niet eerder in aanraking is gekomen met justitie. Hij kent geen geschiedenis van hulpverleningscontacten.

De verdachte heeft een zinvolle dagbesteding bestaande uit scholing en werk en heeft goed contact met beide ouders hetgeen beschermende factoren zijn. Tevens heeft hij een coöperatieve houding laten zien in het lopende reclasseringstoezicht.

Tijdens het tenlastegelegde lijkt de verdachte zich negatief te hebben laten beïnvloeden door zijn sociale netwerk. Tevens was hij onder invloed van alcohol, hetgeen een negatief effect op zijn gedrag kan hebben gehad. Sinds het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden, lijkt de verdachte afstand te hebben genomen van dit sociale netwerk en zijn er geen aanwijzingen dat hij regelmatig (overmatig) onder invloed is van alcohol. Ten aanzien van het psychosociaal functioneren zijn er tot op heden, op basis van de beschikbare informatie, geen aanwijzingen dat er delict gerelateerde problemen zijn. De reclassering adviseert op basis van het Wegingskader Adolescentenstrafrecht het volwassenenstrafrecht toe te passen, daar er onvoldoende indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht.

Bij een veroordeling wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd, daar er geen indicaties zijn voor verdere interventies zoals een voortzetting van het toezicht of ambulante behandeling. Daarnaast wordt het recidiverisico als laag ingeschat. Verder zullen de afspraken in het kader van verdere interventies het leerwerktraject van de verdachte verder blijven belemmeren, terwijl zijn dagbesteding bestaande uit werk en opleiding juist als een belangrijke beschermende factor wordt beschouwd.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan nadelige gevolgen op sociaal-maatschappelijk vlak hebben, zo zou de verdachte zijn werk en opleiding kunnen kwijtraken. Een voorwaardelijke straf kan worden aangevuld met een onvoorwaardelijke werkstraf. De verdachte is werkstrafgeschikt.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

7.4.1.

Straffen

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter toch afwijken van de eis van de officier van justitie en de verdachte niet terugsturen naar de gevangenis. De rechtbank doet dat in de eerste plaats omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie. De rechtbank ziet daartoe ook aanleiding – anders dan door de officier van justitie is gevorderd – in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een nu nog ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zou zijn situatie ernstig verstoren en eerder de recidivekans verhogen dan verlagen, mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte ‘first offender’ is. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals gevorderd, wordt een taakstraf opgelegd in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De voorwaardelijke gevangenisstraf dient de ernst van het feitcomplex tot uitdrukking te laten komen en verdachte ervan te weerhouden om zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan enig strafbaar feit.

De officier van justitie heeft aan de door hem geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar de bijzondere voorwaarde verbonden van storting van een geldbedrag à € 250,- op een rekening van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank zal de officier van justitie hierin niet volgen en overweegt daartoe dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven is bedoeld voor slachtoffers van een geweldsmisdrijf, waarbij er sprake moet zijn van ernstig letsel. Hoewel de door de verdachte gepleegde feiten zeker als ernstig kunnen worden aangemerkt, is niet gebleken van ernstig letsel bij de slachtoffers. Storting in dat fonds komt de rechtbank daarom niet gepast voor.

7.4.2.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: de persoon die door de politie is geregistreerd onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.526,39 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft meegedeeld dat vordering integraal dient te worden toegewezen, met toepassing van artikel 36f Sr, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, nu de raadsvrouw een integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd ten aanzien van de gevorderde materiële schade en heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 (zaak 1) bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering ten aanzien van de autoband, de autospiegel en het eigen risico rechtsbijstand genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering ten aanzien van deze posten worden toegewezen.

De vordering ten aanzien van de bril zal, rekening houdend met de afschrijvingskosten, tot een bedrag van € 197,50 (10% afschrijving per 6 maanden) worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering ten aanzien van de bril worden afgewezen.

Het deel van de vordering dat ziet op het eigen risico zorgverzekering is onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de behandeling van dit deel van de vordering zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Onderhavige vordering is in 13 zaken (onderzoek Sedum) ingediend. Ook uit de nadere onderbouwing die na de terechtzitting, maar voor de sluiting van het onderzoek namens de benadeelde partij is overgelegd komt niet naar voren dat het eigen risico à € 385,- ten laste van onderhavige feiten is gebruikt. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.250,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd. Onder verwijzing naar hetgeen onder het kopje ‘discriminatoir karakter’ is opgemerkt, heeft de rechtbank anders dan door de raadsman van de benadeelde partij is betoogd in het verhandelde ter zitting en in het dossier geen aanknopingspunten voor het standpunt dat het de verdachten ging om het gebruiken van geweld tegen mannen vanwege hun homoseksuele geaardheid.

Nu de verdachte de strafbare feiten waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 maart 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.193,89.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 55, 141 en 301 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden,

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 128 (honderdachtentwintig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 64 (vierenzestig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij geregistreerd onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 2.193,89 (zegge: eenentwintighonderddrieënnegentig euro en negenentachtig eurocent), bestaande uit € 943,89 aan materiële schade en € 1.250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de schadepost eigen risico zorgverzekering;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen

€ 2.193,89 (hoofdsom, zegge: eenentwintighonderddrieënnegentig euro en negenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.193,89 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 31 (eenendertig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Benaissa, voorzitter,

en mrs. M.P. van der Stoom en M. van Kuilenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 november 2018.

Bijlage I

tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[zaak 1]

hij

op of omstreeks 31 maart 2018 te Dordrecht,

op of aan de openbare weg, Smitsweg, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de persoon die onder nummer

[registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd en/of een personenauto [Merk Mazda,

type 323F] en/of een bril en/of een jas, welk geweld bestond uit

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr en/of

- het meenemen van deze persoon naar een stille/afgelegen locatie en/of

- het (luidruchtig) roepen "kankerhomo, je wilt mij neuken" en/of

- het slaan en/of schoppen en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam

van de persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] en/of

- het bij de jas beetpakken en/of -houden van de persoon bekend onder nummer

[registratienummer slachtoffer 1] en/of

- het leksteken van een band van de personenauto en/of

- het trappen/schoppen/slaan tegen de buitenspiegel(s) van de personenauto

en/of

- het verbuigen van een ruitenwisser van de personenauto,

terwijl hij, verdachte, opzettelijk die personenauto en/of een jas heeft

vernield en/of

het door verdachte gepleegde geweld enig letsel voor de persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] tot gevolg heeft gehad, te weten een bult op het achterhoofd en/of een schaafwond in het gezicht en/of spierpijn in de schouder en/of de rug en/of een kuit.

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

[zaak 1]

hij

op of omstreeks 31 maart 2018 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met voorbedachten rade

de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd, heeft

mishandeld door

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr en/of

- het meenemen van deze persoon naar een stille/afgelegen locatie en/of

- het (luidruchtig) roepen "kankerhomo, je wilt mij neuken" en/of

- het slaan en/of schoppen en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam

van persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] ;

art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

[zaak 1]

hij

op of omstreeks 31 maart 2018 te Dordrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk en wederrechtelijk

een personenauto [Merk Mazda, type 323F] en/of een bril en/of een jas, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of

zijn/haar mededader(s), te weten aan de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door

de politie is geregistreerd, toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

[zaak 2]

hij

op of omstreeks 01 april 2018 te Dordrecht,

op of aan de openbare weg, Schenkeldijk, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de persoon die onder

nummer [registratienummer slachtoffer 2] door de politie is geregistreerd en/of een personenauto [merk

Citroën, type C5], welk geweld bestond uit

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr met de persoon die onder

nummer [registratienummer slachtoffer 2] door de politie geregistreerd is en/of

- het brengen/lokken naar een stille/afgelegen locatie van die persoon en/of

- het gooien met (een) bierfles(sen) en/of (een) tak(ken) en/of (een)

ste(e)n(en) naar/tegen die Citroën C5 en/of het slaan en/of schoppen tegen

die Citroën C5 en/of

- schreeuwen/joelen en/of het achter de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] door

de politie is geregistreerd en/of de Citroën C5 aanrennen,

terwijl hij, verdachte, opzettelijk (een ruit van) die personenauto heeft

vernield;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

[zaak 2]

hij

op of omstreeks 01 april 2018 te Dordrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk en wederrechtelijk

een personenauto [merk Citroën, type C5], in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te

weten aan de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] door de politie is geregistreerd

toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht