Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9067

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
10/682065-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Sedum. Openlijke geweldplegingen door groep verdachten na lokken van slachtoffers via datingapp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/682065-18

Datum uitspraak: 1 november 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2001 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. A.C. van 't Hek , advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 2 oktober 2018 en 18 oktober 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 6 weken met aftrek
    van voorarrest, waarvan 3 wekenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte een geldbedrag van € 250,- zal storten op een rekening t.n.v. het Schadefonds Geweldsmisdrijven,

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit de leerstraf TACt Regulier voor de duur van 35 uur, subsidiair 17 dagen vervangende jeugddetentie.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging/officier van justitie

Ter zitting heeft de officier van justitie gesteld dat per abuis zaak 1 aan de verdachte ten laste is gelegd. Omdat deze fout vlak voor aanvang van de zitting pas kenbaar is geworden, kon de dagvaarding niet meer worden ingetrokken.

De officier van justitie verzoekt daarom vrijspraak voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding had moeten worden ingetrokken. Ook een vrijspraak kan mogelijk negatieve consequenties hebben voor de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van de verdachte.

4.2.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het dossier enige aanwijzing waaruit blijkt dat de verdachte bij de onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde feiten (zaak 1) betrokken is geweest. De officier van justitie heeft dit beaamd en onderkent dat dit hem al geruime tijd bekend was. De rechtbank constateert dat de officier van justitie daarom in dezen te lichtvaardig tot de beslissing om te vervolgen is gekomen. Door dit onzorgvuldig handelen heeft de officier van justitie de beginselen van een goede procesorde geschonden. De rechtbank zal hieraan de consequentie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie verbinden ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

4.3.

Conclusie

De officier van justitie is niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Standpunt verdediging/officier van justitie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 4 partieel dient te worden vrijgesproken van de verfeitelijkingen vervat in de eerste twee gedachtestreepjes, omdat de verdachte daarop geen opzet had, laat staan dat de verdachte daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

5.1.2

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat iemand die deel uitmaakt van een groep die openlijk in vereniging geweld pleegt, strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het geweld dat door andere leden van die groep wordt gepleegd. Er is sprake van 'in vereniging' plegen van geweld in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die 'in vereniging' geweld pleegt (vgl. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823).

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet alleen in de groep aanwezig was en aldus de groep getalsmatig versterkte, maar dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd. De verdachte heeft telefonisch contact gelegd met het latere slachtoffer en is op de weg gaan staan, zodat het slachtoffer hem zou zien zodra hij aan kwam rijden. De medeverdachten die zich in de bosjes hadden verstopt, zijn op dat moment tevoorschijn gekomen en hebben met voorwerpen naar de auto gegooid. De verdachte heeft het bierflesje dat hij in zijn hand had, door de ruit van de auto gegooid. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens uitgescholden en is achter de auto aangerend. De verdachte heeft derhalve actief deel

uitgemaakt van de aanvalsgolf van de groep richting het slachtoffer. Daarmee heeft de verdachte een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld geleverd.

Alhoewel de verfeitelijkingen onder de eerste twee gedachtestreepjes op zichzelf geen geweldshandelingen inhouden, kan niet gezegd worden dat deze verfeitelijkingen niet relevant zijn voor de bewezenverklaring. Wanneer voor deze verfeitelijkingen voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen voorhanden zijn, dient hiervoor dan ook geen vrijspraak te volgen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

5.1.3

Conclusie

De rechtbank acht feit 4 – ook ten aanzien van de eerste twee gedachtestreepjes- wettig en overtuigend bewezen.

5.2

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

4.

hij

op 01 april 2018 te Dordrecht,

op of aan de openbare weg, Schenkeldijk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd en een personenauto [merk Citroën, type C5], welk geweld bestond uit

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr met de persoon die onder

nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie geregistreerd is en

- het lokken naar een stille/afgelegen locatie van die persoon en

- het gooien met bier flessen en takken en stenen naar/tegen die Citroën C5 en

- schreeuwen en het achter de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door

de politie is geregistreerd en de Citroën C5 aanrennen, terwijl hij, verdachte, opzettelijk een ruit van die personenauto heeft vernield;

5.

hij

op 01 april 2018 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto [merk Citroën, type C5], in elk geval enig goed, die aan de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd

toebehoorde, heeft, beschadigd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De kennelijke verschrijvingen in de bewezen verklaarde tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid feiten

6.1.

Kwalificatie

6.1.1.

Standpunt verdediging

Door de raadsman is primair de eendaadse samenloop van de feiten onder 4 en 5 bepleit.

De verdachte wordt eigenlijk tweemaal de vernieling van de auto ten laste gelegd. Dit is dubbel en ontoelaatbaar. Derhalve moet alleen zaak 4 worden toegepast, nu daar de hoogste hoofdstraf op staat, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging bepleit omdat feit 5 onvoldoende gespecificeerd ten laste is gelegd. Er is niet ten laste gelegd waardoor de vernieling van de auto namens de verdachte zou zijn opgetreden, waardoor dit geen strafbaar feit oplevert.

6.1.2.

Beoordeling

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de onder 4 en 5 bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren, dat de verdachte (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Dit betekent dat sprake is van eendaadse samenloop.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat onder feit 5 een vernieling ten laste is gelegd zonder enige feitelijke omschrijving van de verweten gedraging(en).

Aan de in de tenlastelegging gebruikte begrippen komt immers tevens feitelijke betekenis toe. Op grond van de inhoud van het dossier alsmede op grond van hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, stelt de rechtbank vast dat het voor de verdachte duidelijk is op welke van zijn gedragingen dit deel van de tenlastelegging ziet. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde voldoende feitelijk omschreven en verwerpt het verweer van de raadsman dienaangaande.

6.1.3.

Conclusie

De bewezen feiten 4 en 5 leveren op:

De eendaadse samenloop van

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, terwijl de schuldige opzettelijk goederen vernielt

en

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de bewezen feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Context van de door de verdachte gepleegde feiten

In twee achtereenvolgende nachten hebben twee openlijke geweldplegingen plaatsgevonden waarbij slachtoffers via een datingapp onder valse voorwendselen door een groep verdachten naar een afgelegen plek gelokt zijn waar zij vervolgens te grazen zijn genomen door de groep verdachten.

In de nacht van 31 maart 2018 is het slachtoffer onder andere met een bierflesje op het hoofd geslagen, geschopt en beschimpt door een groep van acht verdachten. Ook diens auto heeft het moeten ontgelden. Onder andere zijn autospiegels eraf getrapt en één van de banden is lek gestoken. Het slachtoffer is een nabijgelegen kantine ingevlucht om te kunnen ontsnappen aan de verdachten.

In de daarop volgende nacht van 1 april 2018 is er een ander slachtoffer wederom via een datingapp onder valse voorwendselen door een groep verdachten naar een afgelegen plek gelokt. Het slachtoffer, gezeten in zijn auto, is vervolgens door de groep verdachten die inmiddels was uitgegroeid tot elf man, belaagd. De auto van dit slachtoffer is bekogeld met stenen, bierflesjes en takken. Ook dit slachtoffer is in paniek gevlucht en heeft zich moeten verstoppen om aan de verdachten te ontkomen.

De verdachte was bij het tweede incident van 1 april betrokken. Hij heeft telefonisch contact opgenomen met het beoogde slachtoffer en is op de weg gaan staan om het slachtoffer te doen stoppen. Op dat moment zijn de medeverdachten begonnen met het bekogelen van de auto van het slachtoffer. De verdachte heeft met een bierflesje de ruit van de auto ingegooid

Een aantal verdachten heeft met name voor wat betreft het eerste incident op 31 maart 2018 hun handelen vergoeilijkt door te stellen dat deze aangever een seksafspraak met een minderjarige had gemaakt en dus zelf strafbaar en laakbaar handelde.

De vraag of dit zo was, en meer in het algemeen de vraag naar de mogelijk kwalijke intenties van de mannen die met de (mede)verdachte(n) afspraken, zal in deze strafzaak niet worden beantwoord. Wat daar namelijk ook van zij, die omstandigheid rechtvaardigt niet het gedrag van de verdachte en zijn medeverdachten om te handelen zoals is bewezen verklaard. Eigenrichting kan nooit worden toegestaan.

Feiten als de door de verdachte gepleegde hebben een grote impact op slachtoffers en dragen bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid. Slachtoffers van dergelijke feiten ervaren daarvan vaak, naast fysiek ongemak en overige materiële schade, langdurig de nadelige psychische gevolgen.

De rechtbank begrijpt dat die feiten in het bijzonder in de LHBT-gemeenschap gevoelens van onrust, angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. De rechtbank rekent dat de verdachte voor wat betreft zijn aandeel bij het tweede incident zwaar aan.

8.2.1.

Discriminatoir karakter?

Voor de rechtbank staat vast dat de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aanvankelijk op zoek waren naar kwetsbare slachtoffers om te beroven, dan wel af te persen. De uitzending van Alberto Stegeman over jongensprostitutie is daarbij vervolgens voor hen een inspiratiebron geworden. In dat programma speelt een jongen van 18 jaar een minderjarige prostitué. Hij neemt op homosites als persoon de leeftijd van 17/16 en soms 15 jaar oud aan. Er worden op homosites meerdere lokaccounts geplaatst om te kijken hoeveel volwassen mannen reageren omdat zij seks willen hebben met een minderjarige.

Dit komt grotendeels overeen met de werkwijze van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] . Na het aanmaken van een account op de homodatingapp Grindr, proberen zij als minderjarige jongen afspraakjes te maken met gebruikers van Grindr. Uit de chatgesprekken van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] komt onder meer naar voren dat ze “30 plussers” moeten hebben omdat ze anders te boek staan als homohaters in plaats van pedojagers en dat zij Grindr een “goudmijn voor pedo’s” vinden. Zij slagen erin om met meerdere mannen in contact te komen. Vervolgens hebben zij de overige medeverdachten erbij gehaald door hen te vertellen dat de verdachte een afspraak met “een pedo” heeft gemaakt.

Zij lokken twee mannen naar bekende hangplekken van de groep, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de twee openlijke geweldplegingen door de groep verdachten.

Uitvoerig is door de raadsman van het eerste slachtoffer in diens hoedanigheid van raadsman van de benadeelde partij en door de officier van justitie betoogd dat sprake zou zijn geweest van homohaat dan wel homofoob geweld.

Dat het gepleegde geweld daarin zijn oorsprong heeft gevonden, is de rechtbank niet gebleken. Aanknopingspunten daarvoor missen in het dossier. Dat door de verdachten ook een aantal keren de termen “(kanker)homo”, “flikker” of “gay” worden gebezigd naast het veelvuldige gebruik van het woord “pedo” maakt dat in de ogen van de rechtbank niet anders. Hoe laakbaar en kwetsend het gebruik van dergelijke termen ook moge zijn, deze zijn naar het oordeel van de rechtbank betreurenswaardig meer illustratief voor het dagelijks taalgebruik van deze verdachten dan dat de verdachten zich doelbewust op de homoseksuele geaardheid van de (potentiële) slachtoffers hebben willen richten en hen om die reden in elkaar hebben willen slaan. Alle verdachten in deze zaak hebben het bestaan van een dergelijk motief ook uitdrukkelijk ontkend.

Veeleer lijkt er sprake te zijn geweest van een giftige cocktail van sensatiezucht, geldbelustheid, een misplaatste opvatting over gerechtvaardigde eigenrichting ten aanzien van pedoseksuelen en een fascinatie voor geweld, dit alles gegoten in een door groepsdruk versterkte en verhitte sfeer waarin enige rationele zelfreflectie heeft ontbroken.

De rechtbank zal het discriminatoire aspect – anders dan de officier van justitie heeft gevorderd – dan ook niet in strafverzwarende zin betrekken bij het bepalen van de strafmaat.

8.2.2.

Media-aandacht

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachten de ontstane media-aandacht aan zichzelf te wijten hebben en dat hij om die reden daarmee bij het formuleren van zijn eis geen rekening heeft gehouden in strafmatigende zin.

Door een aantal raadslieden in de zaken Sedum is naar voren gebracht dat sprake is geweest van “tendentieuze berichtgeving” dan wel “negatieve framing” door de media, waarmee in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden, dan wel dat de rechtbank zich niet door die “framing” moet laten brengen tot strafverzwaring.

Voorop staat dat het de rechtbank in beginsel vrij staat bij het bepalen van de straf rekening te houden met nadeel dat door media-aandacht voor een verdachte is veroorzaakt, ook indien dit niet aan het toedoen van het openbaar ministerie is te wijten of indien dit niet als een schending van artikel 8 EVRM kan worden aangemerkt. Deze factoren kunnen wel van belang zijn voor het bepalen van de ernst van het nadeel en mate waarin met die nadelige gevolgen bij de strafoplegging rekening wordt gehouden. Dat betekent overigens niet dat een verdachte indien hij te lijden heeft gehad van indringende media-aandacht omtrent zijn strafzaak, recht heeft op matiging van de hem op te leggen straf. Media-aandacht kan daarnaast evenzeer wijzen op de omvang van de maatschappelijke onrust die het bewezenverklaarde heeft veroorzaakt.

Onbetwist is dat onderhavige zaken en de verdachten onderwerp zijn geweest van aanzienlijke media-aandacht. Dat de ten laste gelegde en bewezenverklaarde openlijke geweldplegingen, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen, acht de rechtbank echter voorzienbaar en inherent aan de aard en inhoud van dergelijke zaken.

Er is naar het oordeel van de rechtbank voorts niet gebleken dat verdachten door de media-aandacht op zodanige, de ernst van de feiten te boven gegane wijze, in hun persoonlijke levenssfeer zijn geschaad dat dit op de straf matigend zou moeten werken.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte was ten tijde van de gepleegde feiten 17 jaar.

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 september 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

8.3.2.

Rapportage

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 september 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

[inhoud rapportage]

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank ziet echter – anders dan door de officier van justitie primair is gevorderd – in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om hem niet terug te sturen in detentie. De verdachte is ‘first-offender’ en hij lijkt momenteel zijn leven na een heftige periode weer op orde te krijgen. Een nu nog ten uitvoer te leggen jeugddetentie zou derhalve naar het oordeel van de rechtbank zodanig verstorend zijn, dat dit eerder het recidiverisico verhoogt dan verlaagt en in zoverre contraproductief zijn. In plaats van een onvoorwaardelijke jeugddetentie zal de rechtbank derhalve aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen.

Nu de Raad begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank aan de voorwaardelijke jeugddetentie de voorwaarden verbinden die hierna worden genoemd. Ook dient de voorwaardelijke jeugddetentie de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten tot uitdrukking te laten komen en verdachte ervan te weerhouden om zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan enig strafbaar feit.

De officier van justitie heeft aan de door hem geëiste voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar de bijzondere voorwaarde verbonden van storting van een geldbedrag à € 250,- op een rekening van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank zal de officier van justitie hierin niet volgen en overweegt daartoe dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven is bedoeld voor slachtoffers van een geweldsmisdrijf, waarbij er sprake moet zijn van ernstig letsel. Hoewel de door de verdachte gepleegde feiten zeker als ernstig kunnen worden aangemerkt, is niet gebleken van ernstig letsel bij het slachtoffer. Storting in dat fonds komt de rechtbank daarom niet gepast voor.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

9 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: de persoon door de politie geregistreerd onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] , ter zake van de onder zaak 1 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.526,39 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Standpunt benadeelde partij

Ter zitting is namens de benadeelde partij aangegeven dat pas op zitting duidelijk is geworden dat de verdachte niet verweten wordt betrokken te zijn geweest bij de feiten waarop de vordering betrekking heeft (zaak 1). Nu die feiten de verdachte niet worden verweten, kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard.

9.2

Beoordeling

Gelet op het voorgaande, is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 55, 77a, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 1 (een) maand,

bepaalt dat deze jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als zijn begeleiders in overleg met de jeugdreclassering nodig achten, zijn medewerking verleent aan MDFT begeleiding;

- gedurende de proeftijd een schoolopleiding volgt en op passende wijze afmaakt;

- gedurende de proeftijd een passende vrije tijdsbesteding heeft;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 96 (zesennegentig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 48 (achtenveertig) dagen;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) uur, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject TACt Regulier van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 17 (zeventien) dagen;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Benaissa, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M.P. van der Stoom en M. van Kuilenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 november 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[zaak 1]

hij

op of omstreeks 31 maart 2018 te Dordrecht,

op of aan de openbare weg, Smitsweg, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de persoon die onder nummer

[registratienummer slachtoffer 2] door de politie is geregistreerd en/of een personenauto [Merk Mazda,

type 323F] en/of een bril en/of een jas, welk geweld bestond uit

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr en/of

- het meenemen van deze persoon naar een stille/afgelegen locatie en/of

- het (luidruchtig) roepen "kankerhomo, je wilt mij neuken" en/of

- het slaan en/of schoppen en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam

van de persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] en/of

- het bij de jas beetpakken en/of -houden van de persoon bekend onder nummer

[registratienummer slachtoffer 2] en/of

- het leksteken van een band van de personenauto en/of

- het trappen/schoppen/slaan tegen de buitenspiegel(s) van de personenauto

en/of

- het verbuigen van een ruitenwisser van de personenauto,

- het schreeuwen/joelen en/of achter de persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 2]

aan rennen

terwijl hij, verdachte, opzettelijk die personenauto [Merk Mazda, type 323F]

en/of een jas heeft vernield en/of

het door verdachte gepleegde geweld enig letsel voor de persoon bekend onder

nummer [registratienummer slachtoffer 2] tot gevolg heeft gehad, te weten een bult op het achterhoofd

en/of een schaafwond in het gezicht en/of spierpijn in de schouder en/of de

rug en/of een kuit;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

[Zaak 1]

hij

op of omstreeks 31 maart 2018 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met voorbedachten rade

de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] door de politie is geregistreerd, heeft

mishandeld door

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr en/of

- het meenemen van deze persoon naar een stille/afgelegen locatie en/of

- het (luidruchtig) roepen "kankerhomo, je wilt mij neuken" en/of

- het slaan en/of schoppen en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam

van persoon bekend onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] ;

art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

[zaak 1]

hij

op of omstreeks 31 maart 2018 te Dordrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk en wederrechtelijk

een personenauto [Merk Mazda, type 323F] en/of een bril en/of een jas, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of

zijn/haar mededader(s), te weten aan de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 2] door

de politie is geregistreerd, toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

[zaak 2]

hij

op of omstreeks 01 april 2018 te Dordrecht,

op of aan de openbare weg, Schenkeldijk, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de persoon die onder

nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd en/of een personenauto [merk

Citroën, type C5], welk geweld bestond uit

- het maken van een afspraak via datingapp Grindr met de persoon die onder

nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie geregistreerd is en/of

- het brengen/lokken naar een stille/afgelegen locatie van die persoon en/of

- het gooien met (een) bierfles(sen) en/of (een) tak(ken) en/of (een)

ste(e)n(en) naar/tegen die Citroën C5 en/of het slaan en/of schoppen tegen

die Citroën C5 en/of

- schreeuwen/joelen en/of het achter de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door

de politie is geregistreerd en/of de Citroën C5 aanrennen,

terwijl hij, verdachte, opzettelijk (een ruit van) die personenauto heeft

vernield;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

[zaak 2]

hij

op of omstreeks 01 april 2018 te Dordrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk en wederrechtelijk

een personenauto [merk Citroën, type C5], in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te

weten aan de persoon die onder nummer [registratienummer slachtoffer 1] door de politie is geregistreerd

toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht