Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:901

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
10/081813-16 en 10/145819-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling: beroep op noodweer verworpen: mishandeling is wettig en overtuigend bewezen.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht: wettig en overtuigend bewezen.

Diefstal: wettig en overtuigend bewezen. Beroep op ontbreken wederrechtelijkheid is verworpen.

Handelen in strijd met artikel 2 onder C Opiumwet gegeven verbod: wettig en overtuigend bewezen. Artikel 49 WWM: doorzoeking van de woning van de verdachte is rechtmatig geweest, zodat de vondst van de drugs niet als bewijs wordt uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/081813-16 en 10/145819-16

Datum uitspraak: 25 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. E. Kok, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 10/081813-16 en in de dagvaarding met parketnummer 10/145819-16, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W. van Prooijen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10/081813-16 onder 1, 2, 3 en 4 en van het in de zaak met parketnummer 145819-16 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van feit 1 (parketnummer 10/081813-16)

4.1.1.

Bewezenverklaring

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de ruzie met aangeefster een zwaaiende beweging met mijn arm heeft gemaakt, waarbij hij aangeefster onopzettelijk met zijn hand in haar gezicht heeft geraakt. Uit de aangifte van aangeefster volgt dat het daarbij gaat om een klap die opzettelijk is gegeven.

4.2.

Ten aanzien van feit 2 (parketnummer 10/081813-16)

4.2.1.

Standpunt verdediging

Er kan niet bewezen worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging zoals ten laste gelegd. Het is niet aannemelijk dat de bovenbuurman van aangeefster, getuige [naam getuige] , vanuit zijn woning op de vierde verdieping enig woord heeft kunnen horen van wat de verdachte op de eerste verdieping tegen aangeefster zou hebben gezegd. Er is reden voor twijfel aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en haar schoonzoon. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

4.2.2.

Beoordeling

De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd door onder meer te zeggen dat ze er was geweest, en dat hij haar zou gaan vermoorden. De aangifte wordt ondersteund door getuige [naam getuige] , die zowel op de dag van het incident als daags na het incident gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over de bedreigingen die verdachte tegen de aangeefster heeft geuit. Er is geen enkele aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen. Dat [naam getuige] zich ruim een jaar later, bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris, niet meer precies kon herinneren wat de verdachte heeft gezegd, doet in ieder geval niets af aan de eerste verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd.

Dat de verdachte dreigende taal gericht tot aangeefster uitsloeg, blijkt ten slotte uit de verklaring van de schoonzoon van de aangeefster. Hij heeft verklaard dat hij tijdens het incident werd gebeld door de verdachte. De verdachte zei toen tegen hem (de schoonzoon) dat hij moest komen omdat hij (de verdachte) zijn schoonmoeder dood ging maken. De schoonzoon van aangeefster hoorde zijn schoonmoeder op de achtergrond schreeuwen en blijkens de verklaring van aangeefster heeft zij dit ook meegekregen.

Op grond van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging van de aangeefster.

4.3.

Ten aanzien van feit 3 (parketnummer 10/081813-16)

4.3.1.

Standpunt verdediging

Er kan niet worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. De verdachte had niet het oogmerk om zich de telefoon en de laptop wederrechtelijk toe te eigenen. Hij heeft deze spullen meegenomen om zich ervan te verzekeren dat hij zijn eigen spullen die zich nog in de woning van aangeefster bevonden terug zou krijgen. Voorts zou bewezenverklaring van het meenemen van deze spullen geen diefstal, doch verduistering opleveren, aangezien de verdachte gerechtigd was tot het gebruik van deze spullen. Immers heeft de verdachte in het verleden regelmatig met toestemming van aangeefster gebruik van deze spullen gemaakt.

4.3.2.

Beoordeling

Vaststaat dat de verdachte zonder toestemming van aangeefster een laptop van de dochter van aangeefster en telefoon van aangeefster uit de woning van aangeefster heeft meegenomen. Ook als dit door de verdachte is gedaan om de teruggave van zijn eigendommen te verzekeren, is dit een onrechtmatige toe-eigening van spullen van een ander. De omstandigheden dat de laptop niet van aangeefster was, maar van haar dochter, dat er door haar geen aangifte van diefstal is gedaan, dat de verdachte in het verleden regelmatig van de laptop en telefoon gebruik heeft gemaakt en dat hij voornemens was deze spullen uiteindelijk weer terug te geven, maken dit niet anders. Nu verder niet is komen vast te staan dat de verdachte, op het moment dat hij de spullen meenam, gerechtigd was tot het gebruik van deze spullen (en hij de goederen dus op dat moment niet ‘anders dan door misdrijf’ onder zich had), was er sprake van diefstal en niet van verduistering.

4.4.

Ten aanzien van feit 4 (parketnummer 10/081813-16)

Rechtmatigheid doorzoeking

4.4.1.

Standpunt verdediging

Primair geldt dat de doorzoeking van de woning van de verdachte op grond van het bepaalde in artikel 49 Wet wapens en munitie (hierna: WWM) onrechtmatig was, omdat er geen aanwijzingen waren dat de verdachte de beschikking over een wapen had. Alleen aangeefster heeft in het eerste contact met de politie gezegd dat de verdachte een wapen ging halen. Vervolgens is de (mogelijke) aanwezigheid van een wapen voorafgaand aan de doorzoeking niet nader onderzocht; het is niet meer ter sprake gekomen in gesprekken met aangeefster en getuigen, noch in het verhoor van de verdachte. Enige verdenking van wapenbezit kon ook niet uit het strafblad van de verdachte of eerdere registraties bij de politie worden afgeleid. Bovendien heeft de huiszoeking bij de verdachte pas een dag na de melding plaatsgevonden, zodat er geen sprake meer was van een noodsituatie. De cocaïne die als gevolg van die onrechtmatige doorzoeking is verkregen, dient daarom te worden uitgesloten van het bewijs.

4.4.2.

Beoordeling

Het verweer treft geen doel. De aangeefster heeft in haar eerste telefonische contact met de meldkamer van de politie verklaard dat zij is bedreigd door haar ex, dat hij haar laptop en telefoon heeft meegenomen en dat hij weg is gegaan om een pistool te halen, terug zou komen en haar dood zou schieten. De verbalisanten die op deze melding zijn afgegaan hebben ter plaatse zowel met aangeefster gesproken als met getuige [naam getuige] , die kon bevestigen dat zijn buurvrouw door haar ex-vriend was bedreigd. Vervolgens is de verdachte aangehouden, die bij zijn aanhouding inderdaad in het bezit bleek te zijn van de laptop en telefoon zoals door aangeefster verklaard. Nu de melding van aangeefster op meerdere punten werd ondersteund, konden de verbalisanten op basis daarvan redelijkerwijs vermoeden dat in de woning van de verdachte een vuurwapen aanwezig was, zodat de doorzoeking voldoet aan het bepaalde in artikel 49 WWM. Dat de doorzoeking pas een dag ná de melding heeft plaatsgevonden, doet daar niet aan af.

Reeds daarom is er geen grond het proces-verbaal van doorzoeking waaruit blijkt dat in de slaapkamer van de verdachte verdovende middelen zijn aangetroffen uit te sluiten van het bewijs.

4.5.

Ten aanzien van parketnummer 10/145819-16

Primair is ten laste gelegd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift, hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.6.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/081813-16 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/145819-16 primair ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Parketnummer 10/081813-16:

1.

hij op 16 april 2016 te Schiedam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door haar eenmaal (met kracht)

in het gezicht te slaan;

2.

hij op 16 april 2016 te Schiedam [naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd:

- " Je bent er geweest" en

- " Ik ga je vermoorden" en

- " Ik ga jou en je familie dood maken" en

- " Ik ga mensen regelen die je gaan verkrachten en vermoorden" en

- " Ik ga je afmaken. Je bent van mij";

3.

hij op 16 april 2016 te Schiedam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

- een telefoon (merk/type: Samsung Galaxy S4) en- een laptop (merk/type: Toshiba),

toebehorende aan een ander dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 16 april 2016 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 42,3 gram van een materiaal

bevattende cocaïne ((-)-3-beta-benzoyloxytropaan-2-beta-carbonzure

methylester),

zijnde cocaïne ((-)-3-beta-benzoyloxytropaan-2-beta-carbonzure

methylester),

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

10/145819-16

hij in de periode van 17 juni 2016 tot en met 22 juni 2016 te Schiedam en/of Rotterdam,

opzettelijk, door middel van het openlijk op Facebook en WhatsApp tentoonstellen van geschriften, de eer en/of de goede

naam van [naam slachtoffer] heeft aangerand door tenlastlegging van een of meer

bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te

geven, immers heeft verdachte telkens met voormeld doel via Facebook

en Whatsapp een pagina of bericht of een (profiel) status

aangemaakt of tentoongesteld met daarop onder

meer de teksten:

- ' hoeren tegenwordig gaan niet meer naar dansie om dat ze daar geen

aandacht meer krijgen dan maar de hoer uithangen in de man dier samen

met je ma. vrijdag mannen aftrekken op werk bios maandag heilig poohja

doen. of niet ( [naam slachtoffer] )' en;

- ' [naam slachtoffer] aftrekhoer pathe' en;

- ' [naam slachtoffer] weekend een hoer uit hangen maandag phooja huigelaar' en;

- ' [naam slachtoffer] alleen op je geld uit mannen' en;

- ' [naam slachtoffer] aftrekhoer gemeente schiedam';

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

5.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren op:

10/081813-16

Feit 1:

Mishandeling

Feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 3:

Diefstal

Feit 4:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

10/145819-16 (primair)

Smaadschrift

5.2.

Beroep op noodweer (feit 1 onder parketnummer 10/081813-16)

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdachte handelde uit noodweer. De aangeefster duwde de verdachte namelijk als eerste tegen zijn gezicht, waarna de verdachte uit zelfverdediging met zijn hand een zwaai richting de aangeefster maakte waarbij hij haar in het gezicht sloeg. Het was niet zijn bedoeling haar in het gezicht te raken. Hij wilde zich slechts afweren.

5.2.2.

Beoordeling

Een beroep op noodweer kan alleen slagen in een situatie waarin de verdediging van (in dit geval) het eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of tegen het onmiddellijk dreigende gevaar van een zodanige aanranding, noodzakelijk en geboden is.

De aangeefster en de verdachte hebben beiden verklaard dat het handgemeen tussen hen het gevolg was van een uit de hand gelopen woordenwisseling. De aangeefster heeft verklaard dat zij de verdachte heeft verzocht haar woning te verlaten, maar dat hij daar geen gehoor aan gaf. Uiteindelijk heeft zij hem een duw in zijn gezicht gegeven. Hierop heeft de verdachte aangeefster met vlakke hand, waaraan ringen zaten, met kracht in het gezicht geslagen.

De verdachte heeft eerst ter terechtzitting verklaard dat hij ruzie had met de aangeefster, dat zij hem eerst in het gezicht duwde en dat hij vervolgens een zwaaiende beweging met zijn arm heeft gemaakt, waarbij hij de aangeefster met zijn hand in haar gezicht heeft geraakt.

De gedragingen van de aangeefster kunnen weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte, maar het is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf. Er waren voor de verdachte andere en minder vergaande middelen aanwezig om te reageren op de aanval van aangeefster, bijvoorbeeld door weg te lopen, niet terug te slaan, of de klap van aangeefster enkel af te weren.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

5.2.3.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van zijn ex-partner, diefstal van een telefoon en een laptop, smaad en het voorhanden hebben van cocaïne.

De verdachte heeft het slachtoffer, zijn ex-partner, in haar eigen woning met vlakke hand met kracht in haar gezicht geslagen, met pijn en zwellingen op haar wang en voorhoofd als gevolg. Voorts heeft hij haar bedreigd met woorden als: "ik ga jou en je familie dood maken" en "ik ga mensen regelen die je gaan verkrachten en vermoorden". Vervolgens heeft hij de woning van het slachtoffer verlaten, waarbij hij - kennelijk om haar onder druk te zetten - zonder haar toestemming een telefoon en een laptop uit haar woning meenam.

Verder heeft de verdachte beledigende teksten over het slachtoffer op zijn facebookaccount geplaatst. Deze teksten waren zichtbaar voor alle contacten van de verdachte, waaronder familie en collega's van het slachtoffer.

Deze gedragingen van de verdachte moeten voor het slachtoffer beangstigend en vernederend zijn geweest. Slachtoffers van voormelde delicten hebben vaak langdurig te leiden van de ten gevolge van deze delicten veroorzaakte emotionele schade, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring.

Wat betreft de aangetroffen verdovende middelen geldt het volgende. Harddrugs, waaronder cocaïne, vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid. Het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Het bezit van harddrugs dient dan ook krachtig te worden bestreden.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf wordt meegewogen dat de mishandeling en bedreiging van de ex-partner eerst hebben plaatsgevonden nadat de eerste duw door het slachtoffer zelf is gegeven, en ook met de omstandigheid en de grievende teksten over het slachtoffer op social media slechts een beperkte periode op Facebook en WhatsApp hebben gestaan. Zou een en ander anders hebben gelegen, zou dit tot een hogere straf aanleiding hebben gegeven, dan de straf die nu wordt opgelegd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 december 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweld gerelateerde feiten. De verdachte heeft geen strafblad ter zake van drugsgerelateerde delicten.

Het dossier bevat een reclasseringsrapport van 21 maart 2017, dat is opgemaakt ten behoeve van een andere strafzaak. De reclassering heeft (in die zaak) geadviseerd om de verdachte een werkstraf op te leggen en heeft daarbij geen bijzondere voorwaarden geadviseerd omdat de verdachte, zo begrijpt de rechtbank, zijn leven op orde lijkt te hebben.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en in plaats daarvan een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank heeft daarvoor mede aanleiding gevonden in het reclasseringsrapport van 21 maart 2017.

Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 261, 285, 300, 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10/081813-16 ten laste gelegde feiten en het in de zaak met parketnummer 10/145819-16 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 116 (honderdzestien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 58 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en mr. M. Timmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Dam, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari 2018.

De voorzitter griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst (gewijzigde) tenlasteleggingen

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

10-081813-16

1

hij op of omstreeks 16 april 2016 te Schiedam

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal (met kracht)

in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan/stompen;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2

hij op of omstreeks 16 april 2016 te Schiedam

[naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer] dreigend de

woorden toegevoegd:

- " Je bent er geweest" en/of

- " Ik ga je vermoorden" en/of

- " Ik ga jou en je familie dood maken" en/of

- " Ik ga mensen regelen die je gaan verkrachten en vermoorden" en/of

- " Ik ga je afmaken. Je bent van mij",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3

hij op of omstreeks 16 april 2016 te Schiedam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

- een telefoon (merk/type: Samsung Galaxy S4) en/of

- een laptop (merk/type: Toshiba),

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

4

hij op of omstreeks 16 april 2016 te Rotterdam

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 42,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne ((-)-3-beta-benzoyloxytropaan-2-beta-carbonzure

methylester),

zijnde cocaïne ((-)-3-beta-benzoyloxytropaan-2-beta-carbonzure

methylester),

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

10/145819-16

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2016 tot en met 22 juni 2016,
te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk, door middel van het openlijk (op Facebook en/of Whatsapp)

tentoonstellen en/of aanslaan van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede

naam van [naam slachtoffer] heeft aangerand door tenlastlegging van een of meer

bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te

geven, immers heeft verdachte (telkens) met voormeld doel via Facebook

en/of Whatsapp een pagina en/of bericht en/of een (profiel) status

aangemaakt en/of aangeslagen en/of tentoongesteld met daarop (onder

meer) de tekst(en):

- ' hoeren tegen wordig gaan niet meer naar dansie om dat ze daar geen

aandacht meer krijgen dan maar de hoer uithangen in de mandier samen

met je ma. vrijdag mannen aftrekken op werk bios maandag heilig poohja

doen. of niet ( [naam slachtoffer] )' en/of;

- ' [naam slachtoffer] aftrekhoer pathe' en/of;

- ' [naam slachtoffer] weekend een hoer uit hangen maandag phooja huigelaar' en/of;

- ' [naam slachtoffer] alleen op je geld uit mannen' en/of;

- ' [naam slachtoffer] aftrekhoer gemeente schiedam';

art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2016 tot en met 22 juni 2016 te

Schiedam en/of te Rotterdam, althans in Nederland, een persoon, te weten

[naam slachtoffer] , in het openbaar heeft beledigd door via Facebook en/of Whatsapp

een pagina en/of bericht en/of een (profiel)status aan te maken en/of aan te

slaan en/of tentoon te stellen met daarop (onder meer) de tekst(en):

- ' hoeren tegen wordig gaan niet meer naar dansie om dat ze daar geen

aandacht meer krijgen dan maar de hoer uithangen in de mandier samen

met je ma. vrijdag mannen aftrekken op werk bios maandag heilig poohja

doen. of niet ( [naam slachtoffer] )' en/of;

- ' [naam slachtoffer] aftrekhoer pathe' en/of;

- ' [naam slachtoffer] weekend een hoer uit hangen maandag phooja huigelaar' en/of;

- ' [naam slachtoffer] alleen op je geld uit mannen' en/of;

- ' [naam slachtoffer] aftrekhoer gemeente schiedam';

althans woorden van gelijke beledigende aard en / of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht