Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:9004

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
10/730003-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geweldpleging op 26 december 2014 voor Club Blender in Rotterdam met ernstig (hersen)letsel tot gevolg. Rechtstreekse betrokkenheid van verdachte blijkt niet uit getuigenverklaring(en), noch uit camerabewakingsbeelden. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730003-15

Datum uitspraak: 2 november 2018

Tegenspraak (279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. F.A. Dudok van Heel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (poging doodslag);

  • -

    oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden met aftrek van voorarrest.

4 Motivering vrijspraak

4.1.

De feiten

In de vroege ochtend van 26 december 2014 zijn bij en in de buurt van Club Blender in Rotterdam verschillende vechtpartijen uitgebroken tussen de twee vriendengroepen van enerzijds de verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] en anderzijds het latere slachtoffer [naam slachtoffer] . Op enig moment is een aantal jongens van beide groepen achter elkaar aan naar de overkant van de straat gerend en korte tijd later is aan die overkant achter een busje liggend op de grond en buiten bewustzijn [naam slachtoffer] aangetroffen.

[naam slachtoffer] is per ambulance naar het Erasmus Medisch Centrum gebracht. Daar is gebleken dat sprake was van ernstig hersenletsel. Onder andere was het noodzakelijk om een deel van zijn schedel tijdelijk te verwijderen. Tot 5 januari 2015 is [naam slachtoffer] in coma gehouden. Hij mocht op 13 januari 2015 de intensive care verlaten. Nadien heeft hij nog langdurig gerevalideerd en intensieve behandelingen voor posttraumatische stressstoornis gevolgd.

4.2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen. De getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij een lange jongen van ongeveer 1,90 meter, blank uiterlijk, kort bruin haar in een kuif en een licht shirt met lange mouwen achter [naam slachtoffer] heeft zien aanrennen naar de overkant van de straat. Deze omschrijving voldoet aan het signalement van de verdachte. Verder heeft [naam getuige 1] , toen [naam ] die nacht als verdachte werd aangehouden, verklaard dat “die jongen terwijl het slachtoffer al op de grond lag op zijn hoofd heeft geschopt”. Later is gebleken dat sprake was van een persoonsverwisseling en dat niet [naam ] , maar de verdachte die schoppende persoon moet zijn geweest. Verder is op de beelden te zien dat (een persoon met het uiterlijk voorkomen van) de verdachte een trappende beweging tegen het hoofd van [naam slachtoffer] maakt. Het vol tegen het hoofd trappen van een ander die op de grond ligt, levert voorwaardelijk opzet op het dodelijk verwonden van die ander op.

4.3

Beoordeling

Vaststaat dat tegen [naam slachtoffer] ernstig geweld is gebruikt en dat hij daarbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het de verdachte is die hiervoor (al dan niet samen met iemand anders) verantwoordelijk voor is. De raadsman heeft namens de verdachte ontkend geweld te hebben gebruikt tegen [naam slachtoffer] .

[naam getuige 1] heeft verklaard dat hij [naam slachtoffer] naar de overkant van de straat heeft zien rennen, dat hij ( [naam slachtoffer] ) door een jongen achterna werd gezeten en dat hij van die jongen een klap tegen het hoofd kreeg, waarna hij, [naam slachtoffer] , doorrende. De beschrijving die [naam getuige 1] heeft gegeven van deze jongen past bij het signalement van de verdachte zoals dat uit het dossier naar voren komt. Hieruit kan echter niet worden opgemaakt dat het de verdachte moet zijn geweest die het geweld heeft gepleegd waardoor [naam slachtoffer] het zware (hoofd)letsel heeft opgelopen. Daaraan doet niet af dat [naam getuige 1] die nacht tegen een agent zou hebben gezegd dat de persoon die was aangehouden [naam slachtoffer] tegen zijn hoofd zou hebben getrapt. Die persoon was namelijk niet de verdachte, maar [naam ] . Bovendien heeft [naam getuige 1] in zijn verhoor van 8 januari 2015 verklaard dat hij niet heeft gezien dat [naam slachtoffer] werd geschopt en dat hij alleen de klap op het hoofd heeft gezien. Dit een en ander betekent dat de verklaringen van [naam getuige 1] niet kunnen bijdragen aan het bewijs van het aan de verdachte verweten geweld.

In het dossier bevinden zich verder de camerabeelden van café [naam horecagelegenheid] en het mede op basis daarvan opgemaakte proces-verbaal van uitkijken van die beelden. Aan de hand hiervan kan echter evenmin met de vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte naar de overkant is gerend en zich daar vervolgens schuldig heeft gemaakt aan geweldshandelingen tegen [naam slachtoffer] . Het proces-verbaal is opgemaakt nadat de camerabeelden technisch zijn bewerkt en vervolgens frame voor frame met een vergrootglas bekeken. Het bevat diverse conclusies van de verbalisanten ten aanzien van gedragingen verricht door de verdachte (en de medeverdachte), terwijl de rechtbank op grond van de inhoud van het proces-verbaal in onvoldoende mate kan vaststellen op basis van welke concrete waarnemingen de verbalisanten tot deze conclusies zijn gekomen. Uit het proces-verbaal blijkt dat deze conclusies onder meer zijn getrokken op basis van de hiervoor besproken verklaringen van [naam getuige 1] . Daarbij komt dat de rechtbank niet de beschikking heeft over de beelden zoals door de verbalisanten bekeken. Op de onbewerkte camerabeelden zijn onderscheidende kenmerken niet voldoende waar te nemen. Wel zijn rennende personen te zien, maar niet kan worden vastgesteld dat de verdachte één van die personen is. De beelden zijn daar simpelweg te onduidelijk voor.

Ook het feit dat uit de camerabeelden van Club Blender blijkt dat de verdachte in het gezelschap van de medeverdachte en de door [naam getuige 2] als ‘Marokkaanse jongen’ omschreven persoon in het tijdsbestek dat de geweldshandelingen moeten hebben plaatsgevonden, het terras verlaten en even later weer komen aanrennen, is daartoe onvoldoende.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat geen bewijsmiddelen voorhanden zijn, ook niet in onderling verband en samenhang, waaruit de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde geweldshandelingen tegen [naam slachtoffer] volgt. De conclusie is dan ook dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

5 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] te Rotterdam, bijgestaan door mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam ter zake van het laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.264.91 aan materiële schade en een vergoeding van € 50.000,- aan immateriële schade.

Hoewel evident is dat de benadeelde partij als gevolg van wat hem op 26 december 2014 is overkomen materiële en immateriële schade heeft geleden, zal hij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De verdachte wordt namelijk vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering is gebaseerd.

Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

6 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en W.M. Stolk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 november 2018.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 26 december 2014 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht)

- op/tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen

(waardoor deze ten val is gekomen), en/of

- ( vervolgens) die [naam slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag) op/tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 26 december 2014 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur in (het wandbeen van) de schedel en/of (een) hersenbloeding(en) en/of hersenkneuzing(en) heeft toegebracht,

tengevolge waarvan deze [naam slachtoffer] een aantal blijvende en/of langdurige gevolgen heeft ondervonden (o.a. cognitief van aard en/of met betrekking tot zijn ruimtelijk inzicht)
door deze [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen diens hoofd, althans lichaam te stompen en/of slaan en/of schoppen en/of trappen (waardoor deze ten val is gekomen)
en/of (vervolgens) die [naam slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag) meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met geschoeide voet) tegen het (achter)hoofd te trappen en/of schoppen en/of stompen en/of slaan;

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 26 december 2014 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de Witte de Withstraat, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht)

- schoppen/trappen en/of stompen/slaan op/tegen het lichaam en/of het hoofd van die [naam slachtoffer] (waardoor deze ten val is gekomen), en/of

- ( vervolgens) die [naam slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag) op/tegen het hoofd schoppen/trappen en/of stompen/slaan,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten een factuur in het (wandbeen van) de schedel en/of (een) hersenbloeding(en) en/of hersenkneuzing(en) tengevolge waarvan deze [naam slachtoffer] een aantal blijvende en/of langdurige gevolgen heeft ondervonden), althans enig lichamelijk letsel voor die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.