Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:900

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
10/004320-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring witwassen. Vermoeden van witwassen jegens de verdachte is gerechtvaardigd. De verdachte heeft over het bij haar aangetroffen geld drie onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Het door haar geboden tegenwicht tegen de jegens haar gerezen verdenking geeft daarom onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/004320-15

Datum uitspraak: 31 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis;

  • -

    verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 15.500,- en teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 144,-.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Rechtmatigheid fouillering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de fouillering van de verdachte onrechtmatig is geweest, omdat er op dat moment geen ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet jegens haar bestonden. Dit dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag.

4.1.2.

Beoordeling

De verbalisanten hebben uitvoerig geverbaliseerd over de omstandigheden die hebben geleid tot de fouillering van de verdachte. Op 5 september 2013 zijn de verbalisanten naar de woning van de minderjarige [naam medeverdachte 1] gegaan om zijn moeder, [naam medeverdachte 2] , te berichten dat bij [naam medeverdachte 1] dealerhoeveelheden cocaïne en heroïne waren aangetroffen. De verdachte, een tante van [naam medeverdachte 1] , was toen ook in de woning aanwezig. Tijdens het gesprek met de verbalisanten in de woonkamer is de verdachte plotseling samen met [naam medeverdachte 2] en haar dochter [naam medeverdachte 3] naar een slaapkamer gegaan, waarna de deur werd gesloten. De verbalisanten hoorden gerommel en gekraak van plastic zakken. Na een paar minuten kwamen de vrouwen weer naar de woonkamer. De verdachte maakte een nerveuze indruk op de verbalisanten en zij hield haar hand steeds op haar linker jaszak, ook bij het aantrekken van haar schoenen wat er onnatuurlijk uitzag. Zij vertelde dat zij moe was en naar huis ging. Nadat de verdachte de woning had verlaten, is zij gefouilleerd.

Aangezien bij [naam medeverdachte 1] dealerhoeveelheden verdovende middelen waren aangetroffen, bestond er een reële kans dat er ook in de woning verdovende middelen zouden liggen.

Dit gegeven, het gerommel door de vrouwen in een slaapkamer buiten het zicht van de verbalisanten en de verdachte die zich vervolgens snel uit de voeten wilde maken terwijl zij constant haar hand in haar linker jaszak hield, acht de rechtbank voldoende voor een redelijk vermoeden dat de verdachte trachtte verdovende middelen de woning uit voeren.

Er bestonden dan ook ernstige bezwaren jegens de verdachte dat zij zich schuldig maakte aan een in de Opiumwet strafbaar gesteld feit.

De fouillering is daarom rechtmatig geweest. Het verweer wordt verworpen.

Witwassen

4.1.3.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

4.1.4.

Beoordeling

Tijdens de fouillering werden in de portemonnee van de verdachte 31 geldbiljetten van
€ 500,- aangetroffen, een totaalbedrag van € 15.500,-. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen bewijs bevindt op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 15.500,- en een bepaald misdrijf. Niettemin kan bewezen worden geacht dat het geldbedrag "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Het aantreffen van het geldbedrag vond plaats onder omstandigheden die, in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. De verdachte vervoerde een groot, contant geldbedrag in coupures van
€ 500,- in haar portemonnee. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld, vaak bestaand uit
€ 500,- biljetten. Het fysiek vervoeren van grote legale bedragen in contanten is ongebruikelijk, onder meer vanwege het veiligheidsrisico. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat zonder meer een vermoeden van witwassen jegens de verdachte gerechtvaardigd is. Van de verdachte mag daarom worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.

De verdachte heeft drie verschillende verklaringen over de herkomst van het geld afgelegd. Bij haar staandehouding verklaarde zij dat het geld van haar man was en dat er een auto mee gekocht zou worden. Tijdens haar verhoor bij de politie verklaarde ze eerst dat het geld bestemd was voor een huis in Marokko, door haarzelf bij elkaar gespaard was en ongeveer tien jaar geleden in briefjes van € 500,00 was gewisseld. Later heeft zij evenwel tegenover de politie verklaard dat het geld van haar zoon was en dat ze het een week tevoren van hem had gekregen om te bewaren. De rechtbank is van oordeel dat, nu de verdachte over de aard en herkomst van het bij haar aangetroffen geld onderling tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, het door haar geboden tegenwicht tegen de jegens haar gerezen verdenking onvoldoende aanleiding geeft voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld.

Alles afwegende kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet anders worden geconcludeerd dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 15.500,--

- middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

4.1.5.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 5 september 2013 te Schiedam, een voorwerp, te weten een geldbedrag (15.500,- euro) heeft voorhanden gehad, terwijl zij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van

€ 15.500,-.

De rechtbank neemt de verdachte haar handelen kwalijk. Witwassen tast de integriteit van het financieel en economisch verkeer aan en ondermijnt de legale economie. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een taakstraf op zijn plaats is. In de door de raadsman overgelegde stukken ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de conclusie te trekken dat de verdachte niet in staat zou zijn om een taakstraf uit te voeren.

Bij het bepalen van de duur van de taakstraf heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met het tijdverloop. Er is sinds het plegen van het feit meer dan drie jaar verstreken voordat de zaak ter terechtzitting aanhangig werd gemaakt.

Gezien al het vorenstaande komt de rechtbank tot een iets lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om het in beslag genomen geldbedrag van € 15.500,- verbeurd te verklaren en het in beslag genomen geldbedrag van € 144,- terug te geven aan de verdachte.

8.2.

Beoordeling

Onder de verdachte is een geldbedrag van € 15.644,- in beslag genomen.

Gebleken is dat van voormeld geldbedrag een gedeelte, groot € 15.500,-, uit enig misdrijf afkomstig is, terwijl dit een voorwerp betreft met betrekking tot welke het bij dit vonnis bewezenverklaarde feit - witwassen – is begaan. Het geldbedrag van € 15.500,- zal dan ook worden verbeurd verklaard.

Het na deze verbeurdverklaring resterende geldbedrag van € 144,- behoort aan de verdachte toe. Niet gebleken is dat dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Daarom zal ten aanzien van dit bedrag een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het feit: een geldbedrag van € 15.500,-

- gelast de teruggave aan verdachte van: een geldbedrag van € 144,-.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en M. Timmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 5 september 2013 te Schiedam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(een) voorwerp(en), te weten geld/geldbedragen (21.400,- euro en/of 4.150,-

euro en/of 1750,- euro of daaromtrent) heeft verworven, voorhanden gehad,

overgedragen en/of omgezet

en/of

van (een) voorwerp(en), te weten geld/geldbedragen (21.400,- euro en/of

4.150,- euro en/of 1750,- euro of daaromtrent)

gebruik heeft gemaakt

en/of

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld

en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit

voorwerp voorhanden had, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en),

althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit/die

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )