Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8979

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
6884722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Havenbedrijf is gerechtigd om de verleende toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi in te trekken, echter niet eerder dan met ingang van 1 december 2019. Ktr toetst in art. 96 Rv procedure aan de gezichtspunten van de Hoge Raad in het arrest FNV/Pontmeyer. Toetsing mede aan de hand van artikel 6:248 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1267
JAR 2018/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6884722 VZ VERZ 18-10365

uitspraak: 5 november 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake het verzoek ex artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

1 [Eiser 1],

wonende te [plaatsnaam],

2
2. [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

3 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

4 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

5 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

6 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

7
7. [Eiser],

wonende te Rotterdam,
8. [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

9 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

10 [Eiser],

wonende te Brielle,

11 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

12 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

13 [Eiser],

wonende te Utrecht,

14 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

15 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

16 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

17 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

18 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

19 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

20 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],

21 [Eiser],

wonende te [plaatsnaam],


hierna gezamenlijk aan te duiden als “de Schippers”,

verzoekers,

advocaten: mrs. R.P. Gasseling en B.S. Nijmeijer, advocaten te Rotterdam,

en

de naamloze vennootschap
Havenbedrijf Rotterdam N.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,
hierna verder “het Havenbedrijf” te noemen

mede verzoekster,

advocaten: mrs. P.J. Huys en R. van der Stap, advocaten te Rotterdam.

1. Het verloop van de procedure
1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van het gezamenlijke verzoekschrift dat partijen hebben ingediend, vergezeld van 25 producties. In dat verzoekschrift hebben partijen over en weer hun standpunt kenbaar gemaakt ten aanzien van het tussen hen gerezen geschil en het verzoekschrift bestaat uit vier delen, te weten het verzoek zijdens de Schippers, het antwoord zijdens het Havenbedrijf, de repliek aan de zijde van de Schippers en ten slotte de dupliek aan de kant van het Havenbedrijf.

Bij brief van 13 september 2018 heeft het Havenbedrijf de producties 26 tot en met 32 in het geding gebracht.

Bij brief van eveneens 13 september 2018 hebben de Schippers de producties 33 en 34 in het geding gebracht.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2018. Ter zitting zijn aan de kant van de Schippers verschenen de heren [Eiser], [Eiser], [Eiser], [Eiser], [Eiser] en [Eiser], bijgestaan door de advocaten mrs. Gasseling en Nijmeijer.
Aan de zijde van het Havenbedrijf zijn verschenen de heren [V.], havenmeester en
[B. 1], manager unit handhaving en regelgeving, bijgestaan door de advocaten
mrs. P.J. Huys en R. van der Stap. Tevens zijn ter zitting verschenen de heren [W.], voorzitter van de Schipperscentrale, [R.], eveneens verbonden aan de Schipperscentrale en de heren [L.] en [B. 2], beiden verbonden aan de Watertaxi.
De advocaten van beide partijen hebben ter zitting de wederzijdse standpunten toegelicht aan de hand van een door ieder van hen overgelegde pleitnota.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter op verzoek van beide partijen de beslissing aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om overleg te plegen over een eventuele minnelijke regeling. Bij brief van 10 oktober 2018 hebben de advocaten van het Havenbedrijf, mede namens de advocaten van de Schippers, laten weten dat een minnelijke regeling niet tot de mogelijkheden behoort en zij hebben vonnis gevraagd.

De uitspraak van het vonnis is vervolgens door de kantonrechter bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In deze procedure wordt van de volgende feiten uitgegaan.

2.1.

Het Havenbedrijf is een niet-beursgenoteerde naamloze vennootschap met twee aandeelhouders, te weten de Gemeente Rotterdam (circa 70%) en de Nederlandse staat (circa 30%). Onderdeel van het statutaire doel van het Havenbedrijf is de bevordering van een effectieve veilige en efficiënte afhandeling van het scheepvaartverkeer en het zorgdragen voor nautische en maritieme veiligheid alsmede het optreden als bevoegde havenautoriteit in het Rotterdamse havengebied. Het Havenbedrijf voert in dat verband een aantal publiekrechtelijke taken uit, die onder meer betrekking hebben op het geven van verkeersaanwijzingen, het verlenen dan wel voorbereiden van vergunningen en ontheffingen en het geven van advies aan de Havenmeester in zijn publiekrechtelijke rol. Verschillende Schippers zijn in dat kader ‘toezichthouder’ en/of ‘Buitengewoon Opsporingsambtenaar’(hierna: “BOA”). Binnen de Divisie Havenmeester (hierna:”DHMR”) zijn circa 460 personen werkzaam in uiteenlopende functies binnen verschillende afdelingen.

2.2.

De Schippers zijn allen in dienst van het Havenbedrijf. Daarnaast zijn zij allen vennoot van de vennootschap onder firma Schippers Centrale Rotterdam (hierna: “de Schippers Centrale”) uit hoofde waarvan zij werkzaam zijn ten behoeve van de Watertaxi van Rotterdam (hierna; “de Watertaxi”). Uit een opgave van de Schippers zelf volgt dat de omvang van hun nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi varieert van 350 tot 600/700 uur per jaar, hetgeen neerkomt op gemiddeld 29,2 uur per maand of 6,7 uur per week ingeval van gemiddeld 350 uur per jaar respectievelijk 50/58,3 uur per maand of 11,5/13,5 uur per week ingeval van gemiddeld 600/700 uur per jaar. De verdiensten die de Schippers met de werkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi genereren komen hen toe.

2.3.

Bij het Havenbedrijf vervullen de Schippers verschillende functies met een publieke taak. Op de arbeidsovereenkomsten van de Schippers met het Havenbedrijf is de CAO van het Havenbedrijf van toepassing (hierna: “de CAO”). In artikel 3 lid 6 van de CAO is ten aanzien van het verrichten van nevenwerkzaamheden het volgende bepaald:

“De werknemer is in het volgende geval verplicht opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te verrichten: nevenwerkzaamheden die verband houden met de functie die de werknemer vervult en die de belangen van de werkgever kunnen raken. De werkgever voert een registratie van de gedane opgave(n). Verder is het de werknemer niet toegestaan nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. De werkgever kan ter uitvoering van het voorgaande nadere regels stellen.
(…)
In verband met het in dit lid gestelde wordt tevens verwezen naar regeling A (Integriteit) van deze CAO en de bedrijfscode van werkgever”.

Artikel 1 van de Regeling A (Integriteit) bepaalt het volgende:

  1. “De werknemer is verplicht opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te verrichten die in verband staan met zijn functievervulling en die de belangen van de werkgever kunnen raken.

  2. De werkgever voert een registratie van de in het eerste lid gedane opgaven.

  3. Het is de werknemer verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede voortgang van de werkzaamheden niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

  4. De werkgever kan ter uitvoering van het gestelde in de vorige leden nadere regels stellen. In dit verband wordt verwezen naar de betreffende bedrijfscode”.

2.4.

Op de arbeidsovereenkomst van de Schippers met het Havenbedrijf is tevens de bedrijfscode Havenbedrijf Rotterdam (hierna: “de Bedrijfscode”) van toepassing.

2.5.

Het Havenbedrijf hanteert een strikt beleid met betrekking tot het verrichten van nevenwerkzaamheden. Dat beleid is, mede ter uitvoering van het hiervoor geciteerde artikel uit de CAO, uiteengezet in artikel 3.11 van de Bedrijfscode in combinatie met bijlage 5 van de Bedrijfscode, aangeduid als de ‘Bedrijfsregeling Nevenwerkzaamheden’ (hierna: “de Bedrijfsregeling”).

Artikel 3.11 van de Bedrijfscode bepaalt onder meer:

“(…)
De medewerker is verplicht nevenwerkzaamheden, die hij verricht of van plan is te verrichten, schriftelijk bij zijn direct leidinggevende te melden.
De nevenwerkzaamheden die gemeld moeten worden zijn werkzaamheden die in samenhang met iemands functie, op enige manier de belangen van het Havenbedrijf kunnen raken of schaden. Het is niet toegestaan werkzaamheden te verrichten die kunnen leiden tot:
- Onoorbare belangenverstrengeling

- Botsing van belangen

- Schade aan het aanzien van de eigen functie

- Onvoldoende beschikbaarheid voor de functie.

Een verdere toelichting staat in de Bedrijfsregeling Nevenwerkzaamheden. In deze Bedrijfsregeling staat o.a. beschreven wie toetst of een nevenwerkzaamheid wel of niet geoorloofd is en in welke gevallen de inkomsten uit een nevenwerkzaamheid worden verrekend met het loon van een medewerker.
(…)”

2.6.

De Bedrijfsregeling bepaalt voor zover thans van belang onder meer het volgende:

“(….)

Definitie nevenwerkzaamheden
Elke werkzaamheid of activiteit naast de functie bij het Havenbedrijf verricht voor derden of met een externe werking van een min of meer structurele aard, onafhankelijk van het feit of deze werkzaamheid of activiteit wordt gehonoreerd. Het betreft ook werkzaamheden zoals het zijn van commissaris, bestuurder of vennoot van een vennootschap, stichting of vereniging.

Uitgangspunten
Voor de regeling nevenwerkzaamheden gelden de volgende uitgangspunten:
1. De medewerker is verplicht elke nevenwerkzaamheid, die de belangen van het Havenbedrijf, voor zover deze in verband staan met de functievervulling kunnen raken, schriftelijk te melden bij zijn leidinggevende/ het MT, die hij verricht of voornemens is te verrichten.

2. Veranderingen in de privé sfeer of de functie(inhoud) kunnen ertoe leiden dat werkzaamheden die eerst toelaatbaar waren, dit niet meer zijn.

3. Ontoelaatbare nevenwerkzaamheden zijn werkzaamheden die kunnen leiden tot:
- Onacceptabele belangenverstrengeling

- Schade aan het aanzien van het Havenbedrijf

- Onvoldoende beschikbaarheid in tijd voor de eigen functie bij het Havenbedrijf

- Te grote werkbelasting

(….)

13. Bij de Divisie Havenmeester (DHMR) is er, wat betreft de vraag naar de toelaatbaarheid van nevenwerkzaamheden, sprake van een extra dimensie. Dit omdat een substantieel deel van de medewerkers zowel toezichthoudende als opsporingstaken uitvoert voor respectievelijk rijk en gemeenten.
Daar waar het BOA’s betreft wordt de medewerker ten overvloede gewezen op de ambtseed/belofte die hij heeft moeten afleggen bij de beëdiging als BOA en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden die hij in zijn rol van toezichthouder/BOA heeft.

De nevenactiviteiten zijn een vast onderdeel van de functioneringsgesprekken voor wat betreft de mogelijke weerslag op het vervullen van de functie binnen DHMR. Onderwerpen als beschikbaarheid voor de eigen functie en andere met de arbeidstijden- en vaarwet samenhangende vragen worden op die manier met de medewerker besproken.

Hetzelfde geldt voor de door de medewerker gepleegde handhaving inspanningen en mogelijke belemmeringen daarbij als gevolg van de nevenfunctie. Het management kan op deze manier vinger aan de pols houden en in voorkomend geval tijdig passende maatregelen treffen.

2.7.

Voor sommige van de Schippers geldt dat zij al circa 25 jaar werkzaamheden verrichten ten behoeve van de Watertaxi. Aan alle Schippers, met uitzondering van de heer [Eiser], is bij brief van 13 november 2008 schriftelijk toestemming verleend voor hun nevenwerkzaamheden. Die brief is ten aanzien van alle Schippers in gelijke bewoordingen gesteld en bedoelde brief borduurt voort op een inventarisatie van nevenwerkzaamheden die binnen het Havenbedrijf plaatsvonden. In die brief is onder meer het volgende gesteld:

“(…)
Verandering in de omstandigheden rond uw nevenwerkzaamheid kunnen ertoe leiden dat uw huidige nevenwerkzaamheid toch leidt tot het raken of schaden van de belangen van het Havenbedrijf. U kunt hierbij denken aan:
- Onoorbare belangenverstrengeling

- Botsing van belangen

- Schade aan het aanzien van de eigen functie

- Onvoldoende beschikbaarheid voor de functie.

Wanneer dit het geval is, is het niet langer toegestaan deze nevenwerkzaamheid te verrichten.
(…)”.

Aan de heer [Eiser] heeft het Havenbedrijf bij e-mail van 29 juli 2016 laten weten dat de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi gedoogd worden gedurende de overgangstermijn die ook geldt voor de andere Schippers.

2.8.

Eind maart 2017 zijn de Schippers er door hun teamleider in eerste instantie mondeling op gewezen dat de nevenwerkzaamheden die zij ten behoeve van de Watertaxi verrichten vanaf 1 januari 2018 niet langer toegestaan zijn. Die mededeling is vervolgens schriftelijk aan alle Schippers bevestigd door de (Rijks)-Havenmeester [V.]. Die brieven zijn inhoudelijk en woordelijk identiek, zij het dat de datum waarop die brieven verstuurd zijn in enkele gevallen verschilt. In die brieven wordt als reden voor de intrekking van de toestemming voor de nevenwerkzaamheden bij de Watertaxi het volgende vermeld:

“(….)

De nevenwerkzaamheid die je nu verricht, vindt plaats in het eigen nautisch beheersgebied. In potentie brengt het verrichten van deze nevenwerkzaamheid, waarbij (operationeel)_ contact kan plaatsvinden met collega’s in de reguliere uitoefening van hun werkzaamheden, de kans op (de schijn van ) belangenverstrengeling met zich mee. Tevens is het ongewenst indien het reguliere personeel van een nautisch dienstverlener in het nautische beheersgebied kans heeft te worden gecontroleerd door een DHMR medewerker die tijdens zijn nevenwerkzaamheden zijn collega is. In beide scenario’s bestaat een risico op (de schijn van) belangenverstrengeling, wat niet aanvaardbaar is. Gelet hierop is door het Divisie Team besloten het beleid met betrekking tot het toestaan van nevenwerkzaamheden binnen DHMR strikter uit te voeren. Directe aanleiding is dat de toezichtstaken van DHMR met betrekking tot het personenvervoer worden geïntensiveerd en dat daarmee de kans op (de schijn van) belangenverstrengeling toeneemt.

Concreet houdt dit in dat de nevenwerkzaamheden die door jou worden uitgeoefend in ons nautisch beheersgebied niet meer worden toegestaan. Voor bestaande nevenwerkzaamheden waarvoor reeds toestemming is gegeven, geldt een overgangstermijn. Dit houdt in dat de door jou uitgeoefende nevenwerkzaamheden met ingang van 1 januari 2018 niet meer wordt toegestaan. Voor nieuwe vergelijkbare aanvragen geldt dat deze vanaf heden niet (meer) worden toegestaan.

(….)”.

2.9.

De Schippers hebben tegen de intrekking van de toestemming voor de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi bezwaar gemaakt en uiteindelijk hebben partijen afgesproken dat zij het tussen hen gerezen geschil in het kader van de onderhavige procedure ex artikel 96 Rv aan de kantonrechter zouden voorleggen.

3 Het gezamenlijke verzoek
3.1. Beide partijen hebben de kantonrechter op de voet van het bepaalde in artikel 96 Rv verzocht het tussen hen gerezen geschil te beslechten en daarbij een beslissing te geven ten aanzien van de volgende vraagpunten:

  1. Is het Havenbedrijf bevoegd om de nevenwerkzaamheden van de Schippers ten behoeve van de Watertaxi niet (langer ) toe te staan?

  2. Indien het Havenbedrijf bevoegd is de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi niet (langer) toe te staan, geldt dat dan ten aanzien van alle Schippers ongeacht zijn/haar functie binnen DHMR?

  3. Indien het Havenbedrijf bevoegd is de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi van een of meerdere, dan wel alle Schippers niet (langer) toe te staan, is het dan redelijk dat het Havenbedrijf van de(ze) Schippers verlangt dat zij vorengenoemde nevenwerkzaamheden uiterlijk binnen één maand nadat door de kantonrechter is beslist, neerleggen?

  4. Indien de vraagpunten onder 1 tot en met 3 positief worden beantwoord door de kantonrechter, dient het Havenbedrijf de Schippers dan nog financieel te compenseren?

  5. Indien vraagpunt 4 positief wordt beantwoord, welke compensatie is het Havenbedrijf dan aan de Schippers verschuldigd?

Ten aanzien van de onderhavige procedure hebben partijen procesafspraken gemaakt en overleg gevoerd over de aan te wijzen kantonrechter, die het geschil dient te beslechten. Daarbij hebben partijen zich uitdrukkelijk het recht van hoger beroep voorbehouden tegen de uitspraak van de kantonrechter.

3.2.

Aan hun verzoek hebben partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

Het standpunt van de Schippers
Het Havenbedrijf is niet gerechtigd de verleende toestemming in te trekken en de Schippers mochten erop vertrouwen dat die toestemming gehandhaafd zou worden, zeker nu in 2008 een vergaande toetsing van de nevenwerkzaamheden heeft plaatsgevonden en toen door het Havenbedrijf besloten is om de destijds opgegeven nevenwerkzaamheden goed te keuren. De gronden die het Havenbedrijf in maart 2017 genoemd heeft rechtvaardigen bovendien niet de intrekking van de eerder verleende toestemming, zeker nu de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende aannemelijk is.

Het Havenbedrijf is niet bevoegd om toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden eenzijdig in te trekken. Niet gezegd kan worden dat van de Schippers verlangd kan worden dat zij op basis van goed werknemerschap instemmen met de wijziging van de arbeidsvoorwaarde. Niet alleen is er geen sprake van wijziging van omstandigheden die voor het Havenbedrijf als goed werkgever aanleiding kunnen vormen om een voorstel tot wijziging van de nevenwerkzaamheden te doen, maar bovendien heeft het Havenbedrijf helemaal geen voorstel gedaan, laat staan dat zij met de Schippers overleg heeft gevoerd. Het Havenbedrijf heeft immers simpelweg de toestemming ingetrokken en bepaald dat de Schippers uiterlijk per 1 januari 2018 hun nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi dienen te beëindigen. De Schippers betwisten dat sprake is van een intensivering van toezichtstaken met betrekking tot het personenvervoer, zoals het Havenbedrijf stelt. De Schippers hebben in dat verband gesteld dat zich op dit punt ook nooit problemen hebben voorgedaan. Zelfs in het geval geoordeeld zou worden dat het Havenbedrijf in de gewijzigde omstandigheden aanleiding had kunnen vinden om de toestemming in te trekken, stellen de Schippers dat het Havenbedrijf had moeten kiezen voor een minder vergaande maatregel door de toestemming alleen in te trekken ten aanzien van de Schippers waarvoor een kans op (de schijn van) belangenverstrengeling daadwerkelijk bestaat. Bovendien had het Havenbedrijf ervoor kunnen kiezen om voor nieuwe verzoeken geen toestemming meer te verlenen, maar de reeds verleende toestemming te continueren.

Tevens stellen de Schippers dat het Havenbedrijf onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Die belangen zijn enerzijds financieel van aard, nu het varen bij de Watertaxi een substantiële bron van inkomsten vormt, terwijl anderzijds het belang van de Schippers emotioneel van aard is. Varen is immers hun grote passie. Het Havenbedrijf had derhalve een langere overgangsperiode moeten toestaan, c.q. het Havenbedrijf had de Schippers voor de misgelopen neveninkomsten financieel moeten compenseren.

3.2.2.

Het standpunt van het Havenbedrijf
Het Havenbedrijf stelt zich primair op het standpunt dat zij gerechtigd is de eerder verleende toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi in te trekken, op grond van een legitieme toepassing c.q. aanscherping van de regels uit het bestaande bedrijfsbeleid. Zij stelt dat de directe aanleiding voor de intrekking van de verleende toestemming gelegen is in het feit dat de (publiekrechtelijke) handhavings-en toezichtstaken van DHMR met betrekking tot het personenvervoer over het water, waaronder het personenvervoer van de Watertaxi is geïntensiveerd. Daarmee neemt het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en botsing van belangen sterk toe. Een en ander hangt samen met het feit dat het personenvervoer over water de afgelopen tijd sterk is toegenomen en in de toekomst naar verwachting nog verder zal toenemen, onder meer doordat de Gemeente Rotterdam de Watertaxi subsidieert, waardoor de kosten van een ritje met de Watertaxi substantieel zijn verminderd.

Op de tweede plaats heeft het Havenbedrijf gesteld dat ook de Zeehavenpolitie geconstateerd heeft dat de medewerkers van het Havenbedrijf, meer specifiek die van DHMR, zich onvoldoende vrij voelen in de uitoefening van hun werkzaamheden, daar waar het de Watertaxi betreft. Het Havenbedrijf heeft in dat verband verwezen naar de door haar overgelegde verklaringen van de Havenmeester en het Hoofd Verkeersafhandeling, tevens Plaatsvervangend Havenmeester.

Op de derde plaats heeft het Havenbedrijf gesteld dat haar geloofwaardigheid in het geding is, omdat marktpartijen signalen afgeven dat het Havenbedrijf met twee maten meet.

Op de vierde plaats stelt het Havenbedrijf dat zij bij haar beslissing tot intrekking van de eerder verleende toestemming voor de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi tevens de Arbeidstijdenwet in haar afweging heeft betrokken. In dat verband stelt het Havenbedrijf dat overschrijding van de Arbeidstijdenwet op de loer ligt, wanneer haar medewerkers lang werken ten behoeve van de Watertaxi.

Subsidiair stelt het Havenbedrijf dat in de Bedrijfsregeling een eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen en dat de door haar genoemde gewijzigde omstandigheden voor haar een zodanig zwaarwegend bedrijfsbelang vormen dat zij gerechtigd is de toestemming voor de nevenwerkzaamheden bij de Watertaxi in te trekken.

Meer subsidiair voor het geval geoordeeld zou worden dat tussen partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW geldt, stelt het Havenbedrijf dat getoetst dient te worden aan de hand van artikel 6:248 lid 2 BW. Ook die toetsing leidt volgens het Havenbedrijf tot de conclusie dat zij op goede gronden de toestemming tot het verrichten van de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi heeft ingetrokken.

3.2.3.

De overige stellingen van partijen die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd, zullen voor zover nodig worden besproken in het kader van de beoordeling van het verzoek.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

Het tussen partijen gerezen geschil spitst zich toe op de vraag of het Havenbedrijf gerechtigd is de eerder aan de Schippers verleende toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi in te trekken en zo ja of er dan aanleiding bestaat voor het bieden van een overgangstermijn c.q. het Havenbedrijf te verplichten de Schippers financieel te compenseren in verband met het verlies aan inkomsten uit hoofde van die nevenwerkzaamheden.

4.2.

Ter zitting is gebleken dat mevrouw [Eiser] alsmede de heren [Eiser] en [Eiser] hun verzoek niet langer handhaven, nu zij niet langer meer in dienst zijn van het Havenbedrijf c.q. zij hun werkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi hebben beëindigd, zodat zij geen belanghebbende meer zijn. De kantonrechter zal in het dictum van deze uitspraak verstaan dat genoemde verzoekers hun verzoek hebben ingetrokken.
Ten aanzien van de heer [Eiser] geldt dat hij binnenkort uit dienst treedt van het Havenbedrijf.

4.3.

Alvorens een beslissing te kunnen geven over de door partijen geformuleerde vraagpunten zal eerst beoordeeld moeten worden aan de hand van welk toetsingskader die vragen beantwoord moeten worden. Partijen verschillen ook daarover van mening, nu het Havenbedrijf zich op het standpunt stelt dat haar bedrijfsbeleid zoals neergelegd in de hiervoor geciteerde CAO-bepaling (sub 2.3.), de regeling A (Integriteit) (sub 2.3.), de Bedrijfscode (sub 2.5.) en de Bedrijfsregeling (sub 2.6.) haar het recht geeft de regels met betrekking tot nevenwerkzaamheden aan te scherpen en de verleende toestemming in te trekken. De Schippers daarentegen stellen dat sprake is van een eenzijdig wijziging van arbeidsvoorwaarden en zij menen dat toetsing dient plaats te vinden aan de hand van goed werkgever- en werknemerschap.

4.4.

Bij de beoordeling van het tussen partijen gerezen geschil stelt de kantonrechter voorop dat mede aan de hand van de overweging ten overvloede van de Hoge Raad in het arrest van 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 inzake FNV/Pontmeyer beoordeeld dient te worden in hoeverre de eerder verleende toestemming om ten behoeve van de Watertaxi nevenwerkzaamheden te verrichten aangemerkt moet worden als een tussen partijen geldende (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde. De Hoge Raad heeft in bedoeld arrest beslist dat die vraag zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Het komt volgens de Hoge Raad aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. In dat verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor - en nadelen die voor de werkgever uit de gedragslijn voortvloeien en (vi) de aard en omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.

4.5.

Toepassing van bedoelde gezichtspunten op de onderhavige kwestie leidt de kantonrechter tot de conclusie dat de door het Havenbedrijf aan de Schippers verleende toestemming om ten behoeve van de Watertaxi nevenwerkzaamheden te verrichten wel degelijk aangemerkt moet worden als een arbeidsvoorwaarde. Daarbij acht de kantonrechter in het bijzonder van belang dat binnen het Havenbedrijf strikte regels gelden ten aanzien van het verrichten van nevenwerkzaamheden en dat de werknemers daarvoor opgave dienen te doen aan het Havenbedrijf, dat het Havenbedrijf in 2007/2008 een inventarisatie heeft uitgevoerd van de nevenwerkzaamheden die door haar werknemers werden verricht en dat het Havenbedrijf vervolgens bij brief van 13 november 2008 aan de Schippers uitdrukkelijk toestemming heeft verleend voor het verrichten van de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi. Voorts - en zeker niet in de laatste plaats - is van belang dat enkele Schippers de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi al 25 jaar verrichten, sinds de oprichting van de Watertaxi. In het kader van de door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten komt in deze zaak tevens betekenis toe aan het feit dat de Schippers, althans enkele van hen, substantiële inkomsten verwerven met het verrichten van de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi, nog daargelaten dat alle Schippers hun emotionele belang hebben benadrukt en gesteld hebben dat varen - ook bij de Watertaxi - hun ziel en zaligheid vormt.

4.6.

Nadat op grond van vorenstaande overwegingen eenmaal is vastgesteld dat de toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi geldt als een aanvullende arbeidsvoorwaarde, moet vervolgens beoordeeld worden of het Havenbedrijf gerechtigd is die arbeidsvoorwaarde in te trekken, en zo ja of er aanleiding bestaat voor het toepassen van een overgangsregeling dan wel dat het Havenbedrijf de Schippers financieel dient te compenseren. In dat verband overweegt de kantonrechter het volgende.

4.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het Havenbedrijf terecht gesteld dat zij gerechtigd is de toestemming tot het verrichten van de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi eenzijdig in te trekken. Met name de regeling die is neergelegd in de Bedrijfsregeling (sub 2.6.) biedt de werkgever de mogelijkheid om terug te komen op een eenmaal verleende toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden, wanneer de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Die Bedrijfsregeling vermeldt immers met zoveel woorden dat de nevenactiviteiten een vast onderdeel vormen van de functioneringsgesprekken ‘voor wat betreft de mogelijke weerslag op het vervullen van de functie binnen DHMR’. Tevens is daarin opgenomen ‘het management kan op deze manier vinger aan de pols houden en in voorkomend geval tijdig passende maatregelen treffen’.


Die regeling impliceert dat het Havenbedrijf gerechtigd is om terug te komen op een eerder verleende toestemming voor het verrichten van bepaalde nevenwerkzaamheden. Zou het Havenbedrijf die mogelijkheid niet hebben, dan zou het volstrekt zinledig zijn om een en ander tijdens het functioneringsgesprek aan de orde te stellen. Dan valt bovendien niet in te zien hoe het Havenbedrijf ‘vinger aan de pols’ zou kunnen houden.

4.8.

De beoordeling of in een concrete situatie sprake is van een zodanige wijziging van de omstandigheden dat het Havenbedrijf gerechtigd is terug te komen op een eerder verleende toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden dient naar het oordeel van de kantonrechter geplaatst te worden in de sleutel van artikel 6:248 lid 2 BW. Derhalve dient in casu beoordeeld te worden of aan de zijde van het Havenbedrijf sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat het verlangen van de Schippers om de toestemming tot het verrichten van de nevenwerkzaamheden bij de Watertaxi te continueren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ten aanzien van die vraag overweegt de kantonrechter het volgende.

4.9.

Het Havenbedrijf heeft naar het oordeel van de kantonrechter, mede op basis van de overgelegde verklaringen van de Havenmeester en het Hoofd Verkeersafhandeling, tevens Plaatsvervangend Havenmeester, voldoende aannemelijk gemaakt dat in vergelijking tot de situatie in 2008, sprake is van een intensivering van de (publiekrechtelijke) handhavings- en toezichtstaken van de Divisie Havenmeester. Die intensivering is nodig in verband met de groei die zich in de jaren vanaf 2008 heeft voorgedaan bij het personenvervoer over water en de groei die de komende jaren nog verwacht wordt. Die intensivering van de handhavings- en toezichtstaken betekent dat er meer controles moeten plaatsvinden op het water en dat betekent op zijn beurt weer dat de kans groter is dat een van de medewerkers van DHMR een collega - en soms zelfs een leidinggevende - moet aanhouden en controleren die op dat moment als nevenactiviteit vaart op een Watertaxi. Terecht stelt het Havenbedrijf dat een dergelijke dubbelrol onacceptabel is en afbreuk doet aan haar geloofwaardigheid. Een en ander klemt naar het oordeel van de kantonrechter des te meer wanneer bedacht wordt dat in het huidige tijdsgewricht steeds hogere eisen worden gesteld aan integriteit en het voorkomen van (de schijn van) partijdigheid. Dat geldt ten aanzien van alle sectoren, onder meer in de politiek en het bankwezen, maar bijvoorbeeld ook in de rechtspraak.

Juist gezien het feit dat vanaf 2008 sprake is van een toename van het personenvervoer over het water en de maatschappij als geheel de afgelopen tien jaar zwaardere eisen is gaan stellen aan integer handelen en het voorkomen van (de schijn van) partijdigheid, kan niet gezegd worden dat de omstandigheid dat het Havenbedrijf in 2008 nog uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft verleend aan de Schippers om de nevenwerkzaamheden te verrichten ten behoeve van de Watertaxi verhindert dat het Havenbedrijf die toestemming thans intrekt. Eerder geldt het tegendeel, nu uit de brief van 13 november 2008 (sub 2.7) blijkt dat situaties denkbaar zijn dat het niet langer toegestaan is de nevenwerkzaamheden te verrichten. Anders dan de Schippers hebben gesteld kan uit die brief derhalve niet worden afgeleid dat zij erop mochten vertrouwen dat de toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi tot in lengte van jaren gecontinueerd zou worden.

4.10.

Anders dan de Schippers hebben gesteld kan naar het oordeel van de kantonrechter niet gezegd worden dat het Havenbedrijf ten aanzien van iedere afzonderlijke Schipper had moeten beoordelen in hoeverre de toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi gecontinueerd kon worden, daarbij rekening houdend met de functie van de betreffende Schipper bij het Havenbedrijf. Immers, het vraagstuk van de integriteit en het voorkomen van (de schijn van) partijdigheid geldt ten aanzien van iedere medewerker van het Havenbedrijf, waar het gaat om het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi, ongeacht de aard of het niveau van de functie van die Schipper bij het Havenbedrijf.

4.11.

De Schippers hebben voorts nog gesteld dat het Havenbedrijf had moeten kiezen voor een “uitrookbeleid” in die zin dat de verleende toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi voor de bestaande gevallen gecontinueerd zou worden en voor nieuwe gevallen geen toestemming meer verleend zou worden. De kantonrechter deelt ook dat standpunt van de Schippers niet, aangezien dat zou betekenen dat het Havenbedrijf nog een groot aantal jaren deze situatie zou moeten continueren. Dat kan in de gegeven omstandigheden niet van haar worden gevergd.

4.12.

De omstandigheid dat de Ondernemingsraad (hierna: “de OR”) niet door het Havenbedrijf is gehoord over de intrekking van de toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi kan evenmin leiden tot een voor de Schippers gunstige beslissing. Immers de Schippers hebben zelf ter zitting verklaard dat de OR geen enkele actie ter zake heeft ondernomen.

4.13.

Vorenstaande overwegingen dienen te leiden tot de conclusie dat het Havenbedrijf gerechtigd is de verleende toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi in te trekken.

Anderzijds brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid wel met zich dat het Havenbedrijf een redelijke overgangsperiode betracht, mede gelet op het feit dat sommige Schippers al circa 25 jaar de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi verrichten en voor alle Schippers geldt dat zij substantiële inkomsten genieten uit die nevenwerkzaamheden. Het Havenbedrijf had de Schippers derhalve een ruime periode moeten bieden om eventueel andere nevenwerkzaamheden te zoeken, die niet strijdig zijn met de belangen van het Havenbedrijf. De stelling van het Havenbedrijf dat zij die redelijke termijn geboden heeft, aangezien de Schippers van medio maart 2017 tot 1 januari 2018 in de gelegenheid waren om zich voor te bereiden op het wegvallen van de nevenwerkzaamheden gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Immers, uiteindelijk heeft het Havenbedrijf ermee ingestemd dat de onderhavige kwestie aan de kantonrechter ter beoordeling werd voorgelegd. Aannemelijk is dat de Schippers ervoor hebben gekozen om eerst de beslissing van de kantonrechter af te wachten alvorens eventueel elders passende nevenwerkzaamheden te zoeken.

De kantonrechter acht het derhalve redelijk om vanaf dit moment een redelijke overgangstermijn toe te staan. Alles afwegend acht de kantonrechter het redelijk om de Schippers een overgangstermijn van één jaar toe te staan, derhalve - afgerond - tot maximaal 1 december 2019.

Voor een eventuele financiële compensatie bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding, zeker niet gezien het feit dat een ruime overgangsperiode wordt gehanteerd en aangenomen moet worden dat de Schippers in die tijd voldoende gelegenheid hebben om andere passende nevenwerkzaamheden te zoeken die niet strijdig zijn met de belangen van het Havenbedrijf. Voor het treffen van een eventuele financiële compensatie bestaat des te minder aanleiding nu de Schippers weliswaar hebben gesteld dat in sommige gevallen sprake is van substantiële inkomsten, doch geen van de Schippers heeft concreet inzicht verschaft in de hoogte van de inkomsten die gegenereerd worden met de werkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi.

4.14.

Het Havenbedrijf heeft geheel subsidiair nog een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 7:613 BW. Hetgeen het Havenbedrijf in dat verband heeft gesteld kan niet tot een andere conclusie leiden. Ook bij toepassing van het criterium van artikel 7:613 BW bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter, gezien de specifieke omstandigheden van het geval, grond om de Schippers een overgangstermijn te bieden tot 1 december 2019.

4.15.

Vorenstaande overwegingen leiden tot beantwoording van de door partijen geformuleerde vragen, zoals vermeld in het dictum van deze beslissing.

4.16.

Gezien de aard van de procedure bestaat er aanleiding de kosten van het geding te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verstaat dat mevrouw [Eiser] alsmede de heren [Eiser] en [Eiser] hun verzoek hebben ingetrokken;

bepaalt dat het Havenbedrijf gerechtigd is de verleende toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi in te trekken, echter niet met ingang van een eerdere datum dan 1 december 2019;

bepaalt tevens dat er geen aanleiding bestaat om het Havenbedrijf te verplichten de Schippers anderszins financieel te compenseren in verband met het wegvallen van de inkomsten uit de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de Watertaxi met ingang van
1 december 2019;

compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

710