Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8929

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
18/1336-1337
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord, na verweer weigerende schuldeiser dat schuldhulpverlening geen lid is van de NVVK

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 2 oktober 2018

in de zaak van:

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[woonplaats]

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 15 augustus 2018, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- Hoist Finance, vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit (hierna: Hoist);

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 2 oktober 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer [naam 2] , broer van verzoeker;

  • -

    de heer T.P.F. Eisses, namens mevrouw B. van Huessen, werkzaam bij Schuldbemiddeling Nederland (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    de heer A.D. Engelsma, eveneens werkzaam bij Schuldbemiddeling Nederland;

  • -

    mevrouw B. Lammers, werkzaam als beschermingsbewindvoerder.

De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift 10 schuldeisers, waarvan 1 preferente en 9 concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 55.799,65 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 8 februari 2018 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 40,04% aan de preferente schuldeiser en 20,02% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WIA-uitkering. Verzoeker is volledig arbeidsongeschikt verklaard. Verzoeker is hulpbehoevend en verblijft in een verpleegtehuis. Verbetering van zijn medische situatie wordt uitgesloten geacht. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.

Thans stemmen 9 schuldeisers met de aangeboden schuldregeling in. Hoist stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 37.611,24 op verzoeker, welke 67,40% van de totale schuldenlast beloopt. Ter terechtzitting heeft de broer van verzoeker verklaard dat de vordering ziet op een geldlening uit 1999 van destijds fl. 80.000,-. Sinds 2005 lost verzoeker middels loonbeslag maandelijks circa € 1.143,- af. Schuldhulpverlening heeft niet kunnen vaststellen of de vordering nog steeds € 37.611,24 bedraagt of inmiddels lager is geworden.

3 Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft Hoist te kennen gegeven niet akkoord te gaan met de aangeboden regeling omdat Hoist geen voorstellen in behandeling neemt van schuldhulpverlenende instanties welke niet zijn aangesloten bij de NVVK.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Hoist geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Hoist bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Hoist in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Hoist 67,40% van de totale schuldenlast vormt. De rechtbank tekent hierbij aan dat niet uitgesloten is dat de vordering van Hoist inmiddels (veel) lager is, nu verzoeker middels beslag op zijn uitkering lange tijd maandelijks circa € 1.143,- aan Hoist heeft voldaan. Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk 9 van de 10 schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Schuldbemiddeling Nederland. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Artikel 288 lid 2, aanhef en onder b Fw bepaalt dat het verzoek tot toepassing van de

schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck). In onderhavig geval is de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling uitgevoerd door de Gemeente, namens wie Schuldbemiddeling Nederland heeft gehandeld.

Een gemeente wordt expliciet genoemd in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b Wck. Dat de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door de Gemeente, namens wie Schuldbemiddeling Nederland is opgetreden, blijkt uit de verhouding tussen de Gemeente en Schuldbemiddeling Nederland. Verder heeft mevrouw Van Huessen, als wettelijke bewindvoerder, toezicht gehouden over het schuldbemiddelingstraject, waaronder de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling. Uit een en ander volgt dat Schuldbemiddeling Nederland functioneert als een uitvoeringsinstantie van de Gemeente. Dat zij niet is aangesloten bij de NVVK doet daar niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van 12 september 2011 volgt dat verbetering is uitgesloten. Als gevolg van de arbeidsongeschiktheid is voldoende aannemelijk geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker heeft beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Hoist, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Hoist te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Hoist zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Hoist om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Hoist in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.