Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8848

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
10/994586-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte rechtspersoon heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Zij heeft ten onrechte gevaarlijke afvalstoffen ingezameld als ware het scheepsafvalstoffen en daarbij een S-formulier opgemaakt, terwijl zij een begeleidingsbrief vertrekt had moeten krijgen.

Het is voor de verdachte rechtspersoon van wezenlijk belang om te weten wat de herkomst van de door haar in te zamelen afvalstoffen is, omdat dat bepalend is voor de vraag aan welke wettelijke regels en formaliteiten moet worden voldaan bij de inname van afvalstoffen. In die zin rust op de verdachte rechtspersoon een inlichtingenplicht. Daar heeft de verdachte rechtspersoon niet aan voldaan. Zij heeft opzet gehad, op zijn minst in voorwaardelijk zin, op het in ontvangst nemen van gevaarlijke afvalstoffen zonder daartoe vereiste begeleidingsbrief. De verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 20.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2018/155 met annotatie van S. Pieters
JAF 2018/827
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/994586-16

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische strafkamer, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[naam verdachte rechtspersoon] ,

gevestigd aan de [vestigingsadres verdachte rechtspersoon] , [vestigingsplaats verdachte rechtspersoon] ,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door [naam] ,

die blijkens uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel gemachtigd is om de vennootschap in dezen te vertegenwoordigen.

raadsman mr. M.A.D. Bol, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte rechtspersoon (hierna: [naam verdachte rechtspersoon] ) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van [naam verdachte rechtspersoon] tot een geldboete van € 45.000,-.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Feiten

De volgende feiten en omstandigheden zijn niet weersproken en kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Ten noordoosten van het vasteland van Schotland, op het continentale plat van het Verenigd Koninkrijk, ligt een groot olieveld genaamd Clair Field. In dat olieveld ligt het booreiland Clair, van waaraf een oliepijpleiding met een lengte van 105 kilometer loopt naar de Sullom Voe Terminal (hierna: SVT), een opslagterminal gelegen op de Shetland Eilanden.

Het booreiland Clair is omstreeks de periode september tot en met november 2013 niet in gebruik geweest vanwege groot onderhoud en ingebruikname van een nieuw deel van Clair Field: Clair Ridge. Hier vandaan zijn pijpleidingen aangelegd die aansluiten op het reeds bestaande leidingennet van booreiland Clair naar de SVT. De pijpleidingen zijn toentertijd gevuld met water en chemicaliën om deze te inspecteren op mogelijke lekken en te beschermen tegen corrosie. Het water met chemicaliën, tevens bestaand uit oliehoudende slops, is naar de SVT gepompt en in de pijpleidingen van Clair Field naar SVT en/of in de opslagtanks van de SVT vermengd geraakt met crude oil (ruwe olie).

[naam bedrijf 1] , aan wie een deel van deze met afvalwater vermengde partij crude oil was toegewezen, heeft deze verkocht aan [naam bedrijf 2] . In de tussen deze partijen gesloten overeenkomst wordt melding gemaakt van ‘abnormal water and chemicals of the relevant lifting’ en in een e-mail van 1 oktober 2013 tussen twee medewerkers van [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] wordt gesproken van een offspec partij. [naam bedrijf 1] heeft in november 2013 bij [naam verdachte rechtspersoon] geïnformeerd of zij de partij verontreinigd water in Nederland kon inzamelen, waarop [naam verdachte rechtspersoon] bevestigend heeft geantwoord. [naam bedrijf 1] heeft deze partij vervolgens voor [naam bedrijf 2] vervoerd naar Nederland. Begin december 2013 is de partij vanuit de opslagtanks op de SVT geladen in de motortanker [naam motortanker] , waarna de [naam motortanker] naar een [naam bedrijf 2] terminal in Rotterdam is gevaren. Daar heeft de [naam motortanker] een aantal dagen stilgelegen om het chemicaliënhoudend waterdeel van de partij op een natuurlijke wijze te laten scheiden van de ruwe olie, het zogenoemde decanteerproces. De ruwe olie is vervolgens bij [naam bedrijf 2] opgeslagen om te worden verwerkt/nuttig te worden toegepast.


Op 10 en 11 december 2013 heeft [naam verdachte rechtspersoon] , die vermeld staat op de lijst van inzamelaars, het chemicaliënhoudend waterdeel geladen in de lichter [naam lichter] . [naam verdachte rechtspersoon] heeft het waterdeel ingezameld als zijnde een scheepsafvalstof en een daarbij horend S-formulier opgemaakt.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat [naam verdachte rechtspersoon] geen olie- en/of chemicaliënhoudend afvalwater van Clair Field in ontvangst heeft genomen, maar een waterdeel dat is ontstaan na het decanteerproces aan boord van de [naam motortanker] .

[naam verdachte rechtspersoon] heeft deze stof daarom terecht als scheepsafvalstof (van de [naam motortanker] ) ingezameld en een bijbehorend S-formulier opgemaakt.

Subsidiair is aangevoerd dat [naam verdachte rechtspersoon] geen opzet had op het inzamelen van (gevaarlijke) afvalstoffen zonder dat daarbij aan haar een begeleidingsbrief werd verstrekt. [naam verdachte rechtspersoon] wist niet dat het chemicaliënhoudend waterdeel vanuit een tank aan land was geladen aan boord van de [naam motortanker] . Zij was in de veronderstelling dat het waterdeel rechtstreeks afkomstig was van het booreiland Clair en dus dat er sprake was van een scheepsafvalstof. De afkorting SVT (Sullom Voe Terminal), die voorkwam in e‑mailcorrespondentie, was haar niet bekend. Haar agent [naam agent] had aan [naam verdachte rechtspersoon] ook een e‑mail doorgestuurd van de bevoegde autoriteiten, de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILenT), waaruit volgde dat de afvalstof zou vallen onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1 lid 3 aanhef en onder a van de EG-verordening nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA). Gelet daarop mocht [naam verdachte rechtspersoon] er op vertrouwen dat sprake was van een scheepsafvalstof, óók wanneer ervan uit zou worden gegaan dat [naam verdachte rechtspersoon] de afkorting SVT wel kende. ILenT heeft bevestigd dat de EVOA niet van toepassing was. Het Marpol‑verdrag was daarom van toepassing en dus was er sprake van een scheepsafvalstof zodat er een S‑formulier moest worden opgemaakt, wat [naam verdachte rechtspersoon] heeft gedaan.

4.1.3.

Juridisch kader

Op grond van artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is het een persoon die bevoegd is tot het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen verboden deze afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat daarbij een begeleidingsbrief wordt verstrekt.

Artikel 12 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (hierna: Besluit) in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (hierna: Regeling) bepaalt dat voor de begeleidingsbrief gebruik wordt gemaakt van het daarvoor in de bijlage bij de Regeling opgenomen formulier. In afwijking hiervan bepaalt het tweede lid van artikel 6 van de Regeling dat indien een schip zich ontdoet van afvalstoffen die aan boord van dat schip zijn ontstaan, gebruik wordt gemaakt van het formulier voor de overdracht van scheepsafvalstoffen, het zogeheten S‑formulier.

Op grond van artikel 8 van het Besluit en de bijbehorende bijlage II in samenhang met artikel 1, eerste lid onder d, van het Besluit inzamelen afvalstoffen, worden scheepsafvalstoffen gedefinieerd als afvalstoffen die bij het in bedrijf zijn of bij het onderhoud van een schip aan boord zijn ontstaan.

4.1.4.

Beoordeling

Aan de orde is of [naam verdachte rechtspersoon] voor het inzamelen van het olie- en chemicaliënhoudend afvalwater van de [naam motortanker] een begeleidingsbrief verstrekt moest krijgen of dat zij kon volstaan met het opmaken van een S-formulier.

Dat het olie- en chemicaliënhoudend water dat door [naam verdachte rechtspersoon] is ingenomen, moet worden aangemerkt als een gevaarlijke afvalstof is niet in geschil. Relevant voor het antwoord op hiervoor geformuleerde vraag is op welk moment deze afvalstof is ontstaan.

Op grond van de hiervoor onder 4.1.1. weergegeven feiten concludeert de rechtbank, dat het olie- en chemicaliënhoudend afvalwater is ontstaan in de pijpleidingen tussen het offshore-platform in het Clair Field en de SVT, waarna het is verpompt naar de SVT. In de SVT is het afvalwater (verder) vermengd met ‘crude oil’.

Het afvalwater is gelet hierop niet ontstaan aan boord van een schip, nog daargelaten de vraag of het afvalwater afkomstig was van de normale exploitatie. Van een scheepsafvalstof is reeds om die reden geen sprake.

Bovendien is het afvalwater uit de pijpleidingen daarna opgeslagen op de wal in de SVT waar het (verder) is vermengd met ruwe olie. Door die vermenging heeft het afvalwater de status van afvalstof niet verloren. Vermenging is niet aan te merken als een behandeling voor nuttige toepassing en de einde afval-status is niet bereikt.

De met het afvalwater vermengde ruwe olie is vanaf de SVT per schip overgebracht naar de inrichting van [naam bedrijf 2] waar het afvalwater in het schip middels een decanteerproces van de ruwe olie is gescheiden. De enkele omstandigheid dat het afvalwater is aangeleverd per schip en op dit schip is gescheiden van de ruwe olie kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een scheepsafvalstof.

Uit het voorgaande volgt dat [naam verdachte rechtspersoon] bij het inzamelen van het afvalwater een begeleidingsformulier verstrekt had moeten krijgen en dat niet kon worden volstaan met een S-formulier. Nu aan [naam verdachte rechtspersoon] bij de inzameling echter geen begeleidingsformulier is verstrekt, heeft zij gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 10.40, tweede lid, Wm.

Het primaire verweer wordt verworpen.

Ook het subsidiaire verweer dat [naam verdachte rechtspersoon] geen opzet had op het inzamelen van (gevaarlijke) afvalstoffen zonder dat aan haar daarbij een begeleidingsbrief werd verstrekt, gaat niet op. Zoals namens [naam verdachte rechtspersoon] ter zitting naar voren is gebracht, is het voor [naam verdachte rechtspersoon] als inzamelaar van afvalstoffen van wezenlijk belang te weten wat de herkomst van de door haar in te zamelen afvalstoffen is. Dat is immers bepalend voor de vraag aan welke wettelijke regels en formaliteiten moet worden voldaan bij de inname van afvalstoffen. In die zin rust op [naam verdachte rechtspersoon] een inlichtingenplicht.

In het dossier bevindt zich een e-mail d.d. 4 november 2013 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] / [naam verdachte rechtspersoon] waarin [naam bedrijf 1] vraagt of zij “flushing water treated with several chemicals” kan inzamelen. In de toelichting die [naam bedrijf 1] in deze e-mail geeft, bevinden zich aanwijzingen dat het in te zamelen water geen afvalstoffen betreffen die zijn ontstaan aan boord van een offshore platform. Zo wordt in de e-mail de afkorting “SVT” genoemd en wordt gesproken over “Claire preparations” en “water into the lines”. Naar aanleiding van deze e-mail heeft [naam verdachte rechtspersoon] , pas nadat de [naam motortanker] in Nederland was aangekomen, bij haar agent [naam agent] geïnformeerd wat de herkomst van de afvalstoffen was. [naam agent] heeft vervolgens contact gehad met ILenT en ILenT heeft bij e-mail van 9 december 2013 aan [naam agent] bericht dat de afvalstoffen niet onder EVOA vielen. Over welke informatie ILenT beschikte en waarop zij dus haar zienswijze moest baseren, bleek niet uit de e-mail.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat [naam verdachte rechtspersoon] daarmee niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht en dat zij zonder meer op de (zeer beknopte) informatie in de e-mail van ILenT mocht vertrouwen. Haar agent [naam agent] en de controlerende instantie, het ILenT, waren immers niet de aangewezen partijen om uitsluitsel te geven over de herkomst van het afvalwater. Degene die precies wist wat de herkomst van het afvalwater was, was de afzender, [naam bedrijf 1] , met wie [naam verdachte rechtspersoon] al in november 2013 contact had gehad. Het had dan ook op de weg van [naam verdachte rechtspersoon] gelegen om, vóórdat zij zich committeerde aan het inzamelen van het afvalwater, bij [naam bedrijf 1] te informeren wat de herkomst was van het water dat zij in ontvangst zou gaan nemen, zodat zij deze afvalstoffen overeenkomstig de daarvoor geldende wet- en regelgeving zou inzamelen. Nu [naam verdachte rechtspersoon] ondanks de aanwijzingen in de e-mail van [naam bedrijf 1] dat geen sprake was van scheepsafvalstoffen, slechts is afgegaan op de mededelingen van [naam agent] en ILenT en geen navraag heeft gedaan bij [naam bedrijf 1] , heeft [naam verdachte rechtspersoon] opzet gehad, op zijn minst in voorwaardelijk zin, op het in ontvangst nemen van gevaarlijke afvalstoffen zonder daartoe vereiste begeleidingsbrief.

Het subsidiaire verweer wordt verworpen.

4.1.5.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat [naam verdachte rechtspersoon] opzettelijk een gevaarlijke afvalstof in ontvangst heeft genomen, zonder dat daarbij een begeleidingsbrief is verstrekt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte rechtspersoon] het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij omstreeks 11 december 2013 te Rotterdam opzettelijk, als een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a. Wet milieubeheer, olie- en/of chemicaliënhoudend afvalwater afkomstig van het offshore platform Clair Field in ontvangst heeft genomen zonder dat aan haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder b. Wet milieubeheer (te weten, een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 6, lid 1, Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) werd verstrekt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [naam verdachte rechtspersoon] moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte rechtspersoon

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [naam verdachte rechtspersoon] uitsluit.

[naam verdachte rechtspersoon] is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan [naam verdachte rechtspersoon] wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de gevolgen daarvan, het maatschappelijk functioneren van [naam verdachte rechtspersoon] en haar draagkracht. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

[naam verdachte rechtspersoon] heeft gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst genomen, zonder dat daarbij een begeleidingsformulier is verstrekt. Door aldus te handelen heeft [naam verdachte rechtspersoon] regelgeving geschonden die strekt tot bescherming van het milieu en doelmatig beheer van afvalstoffen.

[naam verdachte rechtspersoon] heeft de afvalstoffen ten onrechte ingenomen als ware het scheepsafvalstoffen en daarbij een S-formulier opgemaakt. De inzameling en verdere verwerking van de afvalstoffen zouden echter ook bij het verstrekken van een begeleidingsformulier niet tot een ander resultaat hebben geleid en ook zijn de afvalstoffen, doordat gebruik is gemaakt van een registratieformulier, niet aan toezicht en controle door de autoriteiten onttrokken.

Het door [naam verdachte rechtspersoon] gepleegd feit is dus met name van administratieve aard. Daarmee houdt de rechtbank rekening. Maar ook naleving van de administratieve regelgeving is van groot belang om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Het doel van de Wm daarin is dat te allen tijde van gevaarlijk en bedrijfsafval het gehele traject van herkomst tot verwerking daarvan, correct in kaart wordt gebracht, ter bescherming van het milieu en de mens. Dat is nu niet gebeurd. Daar komt bij dat [naam verdachte rechtspersoon] een professionele marktspeler is van wie bij uitstek mag worden verwacht dat zij de geldende regels in acht neemt en zich goed laat informeren om de juiste regels te kunnen toepassen.

Gelet hierop acht de rechtbank een geldboete die valt in de destijds geldende vijfde boetecategorie passend.

Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 juli 2018, waaruit blijkt dat [naam verdachte rechtspersoon] in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank in het voordeel van [naam verdachte rechtspersoon] rekening gehouden met het lange tijdverloop. Het feit dateert uit 2013.

Alles afwegende komt de rechtbank dan tot een lagere geldboete dan de officier van justitie heeft geëist en acht zij een geldboete van € 20.000,- passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de volgende artikelen, zoals deze luidden ten tijde van het gepleegde delict:
- 23 en 51 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 10.40 van de Wet milieubeheer.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat [naam verdachte rechtspersoon] het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [naam verdachte rechtspersoon] meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt [naam verdachte rechtspersoon] daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,- (twintigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. L. Daum en S.E.C. Debets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 11 december 2013 te Rotterdam

opzettelijk

als een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a. Wet

milieubeheer,

olie- en/of chemicaliënhoudend afvalwater afkomstig van het offshore platform

Clair Field, in elk geval bedrijfs- of gevaarlijke afvalstoffen,

in ontvangst heeft genomen

zonder dat aan haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel

10.39, eerste lid, onder b. Wet milieubeheer (te weten, een

begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 6, lid 1, Regeling melden

bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen) werd verstrekt.

(Artikel la, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 10.40,

tweede lid, Wet milieubeheer, juncto artikel 6 Regeling melden

bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen)

art 10.44 lid 1 Wet milieubeheer