Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8835

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
ROT 18/423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Warenwetboete wegens overtreding van hygiënevoorschriften. Bewijskracht rapport toezichthouder. Op eiser, die een levensmiddelenbedrijf voert, rust de plicht te zorgen dat zijn zaak op ieder moment voldoet aan de bij Europese en nationale wet- en regelgeving gestelde hygiëne-eisen. Vertrouwensbeginsel. Niet horen in bezwaar wegens kennelijke ongegrondheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2018 in de zaak tussen

[Naam] , te [Plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. S. Akkas,

en

de Minister voor Medische Zorg, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Herczog en mr. M.A.H. Gatzen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 juli 2017 (het primaire besluit), waarbij aan eiser een boete is opgelegd van € 1.050,- wegens overtreding van hygiënevoorschriften, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2018.

Overwegingen

1. Op 11 mei 2017 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar waarheid een rapport van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een inspectie op 3 mei 2017 in eisers eethuis [Naam], aan [adres] , te Haarlem. In dat rapport is geconcludeerd dat dat de bedrijfsruimten onvoldoende schoon waren. Aan die conclusie liggen de volgende constateringen van de toezichthouder ten grondslag. De roosters van de verdamper van de koelcel, waarin diverse snacks en salades in voorraad werden gehouden, waren verontreinigd met zwart vuil, de wanden in de koelcel waren op meerdere plaatsen verontreinigd met schimmelsporen en de onderzijde van de rekken daarin waren plaatselijk verontreinigd met witte schimmelsporen en vuil.

2. Verweerder heeft op grond van deze bevindingen een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, in verbinding met artikel 4, tweede lid, in verbinding met bijlage II, hoofdstuk I.1, van de verordening (EG) 852/2004, omdat de bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon waren (boetetarief € 1.050,-). In bezwaar is de boete gehandhaafd. Ten aanzien van het verzoek om een betalingsregeling heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat het slechts mogelijk is een betalingsverzoek te doen bij NVWA en dat het verzoek daarom wordt doorgezonden aan NVWA.

3. Eiser heeft betwist dat sprake is van een overtreding, althans dat die niet aan hem kan worden verweten. In dit verband heeft hij aangevoerd dat hij de bedrijfsruimte na de verbouwing netjes heeft schoongemaakt. Volgens hem blijkt uit eerdere inspecties en een recentelijke inspectie door een toezichthouder dat de koelcel schoon was. Indien er tijdens de inspectie schimmel in koelcel zat, dan was dit per ongeluk door eiser over het hoofd gezien en was dit niet duidelijk zichtbaar. Als er sprake is geweest van een overtreding dan was dit een incident of een momentopname. De motivering voor de boeteoplegging dat sprake zou zijn van een ernstige overtreding onderschrijft eiser daarom niet. Volgens hem had daarom met een waarschuwing moeten worden volstaan. In dit verband heeft eiser voorts aangevoerd dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, omdat bij een eerdere controle geen tekortkomingen zijn geconstateerd. Daar komt bij dat eiser eerder door NVWA is gewaarschuwd.

4. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de overtreding met het rapport van bevindingen aangetoond. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen (CBb 29 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:165). Ten aanzien van de geconstateerde tekortkomingen bevat het rapport van bevindingen een opsomming van drie door de toezichthouder geconstateerde gebreken met betrekking tot het schoonhouden van de koelcel. Het gaat daarbij om duidelijke eigen (objectieve) waarnemingen door de toezichthouder en niet om bevindingen van (subjectieve) waarderende aard. Daar komt bij dat van een gemotiveerde betwisting van de overtreding geen sprake is. Dat ten aanzien van de koelcel tijdens eerdere inspecties door NVWA geen opmerkingen zijn gemaakt en deze ook tijdens een latere inspectie in orde was bevonden, levert geen bewijs op dat de koelcel ten tijde van de inspectie op 3 mei 2017 schoon was.

5. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de overtreding is komen vast te staan en dat verweerder daarom bevoegd was eiser een bestuurlijke boete op te leggen. Dat eiser de vervuiling mogelijk over het hoofd heeft gezien en dat bij inspecties voor en na die van 3 mei 2017 geen vervuiling in en rond de koelcel is aangetroffen, maakt niet dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Op eiser, die een levensmiddelenbedrijf voert, rust de plicht te zorgen dat zijn zaak op ieder moment voldoet aan de bij Europese en nationale wet- en regelgeving gestelde hygiëne-eisen. Eiser heeft niet aan die zorgplicht voldaan, terwijl wat hij heeft aangevoerd geen overmacht oplevert. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, omdat gesteld noch gebleken is dat hem is toegezegd dat geen boeterapport zou worden opgemaakt naar aanleiding van de controle op 3 mei 2017. In de aan eiser gezonden kennisgeving van 8 mei 2017 is integendeel opgemerkt dat een op te maken rapport mogelijk tot boeteoplegging kan leiden. De omstandigheid dat aan eiser bij een eerdere gelegenheid alleen een waarschuwing is gegeven maakt niet dat eiser er vanuit mocht gaan dat bij een herhaling met een waarschuwing zou worden volstaan.

De opgelegde boete is naar het oordeel van de rechtbank evenredig.

6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte in bezwaar niet de gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord en daarom ten onrechte heeft volstaan met het telefonisch horen van zijn gemachtigde. Verweerder heeft van een hoorzitting afgezien, omdat hij meent dat het bezwaar kennelijk ongegrond is als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank neemt bij de beoordeling van deze beroepsgrond tot uitgangspunt dat van het horen mag worden afgezien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit (ABRvS 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1365 en CBb 21 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:101). Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het volgende aan die voorwaarde voldaan. Net als in beroep bevat het bezwaarschrift geen daadwerkelijke betwisting van de geconstateerde overtreding. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in wat is aangevoerd tegen de boeteoplegging als zodanig en tegen de boetehoogte geen aanknopingspunten voor een mogelijke herroeping van het primaire besluit hoeven te vinden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de algemene stelling, zonder nadere feitelijke onderbouwing, dat verweerder handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, geen enkel aanknopingspunt voor een gegrond bezwaar oplevert, terwijl daarnaast door verweerder in bezwaar is onderzocht of er sprake is van financiële hardheid die aanleiding kan geven tot boetematiging en daarover intern een gemotiveerd negatief advies is uitgebracht dat zich tussen de stukken bevindt. Dat verweerder in de bezwaarprocedure de gemachtigde van eiser wel telefonisch heeft gehoord, maakt het voorgaande niet anders.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 29 oktober 2018.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld het College van Beroep voor het bedrijfsleven.