Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8766

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
10/661023-18, 15/860199-15 TUL, 10/740008-14 TUL
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring voorhanden hebben 500 gram cocaïne.

Straf: een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/661023-18

Parketnummers vorderingen TUL: 15/860199-15 en 10/740008-14

Datum uitspraak: 28 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 29 augustus 2018 en 19 en 20 september 2018.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 4 en 5 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Waardering van het bewijs

Feiten 1, 2 en 3

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen en zal de verdachte daarvan zonder nadere motivering vrijspreken.

Feit 4

Standpunt van de officier van justitie

De verdachte is samen met medeverdachte [medeverdachte] uit de woning waar het schietincident heeft plaatsgehad vertrokken. [medeverdachte] had twee wapens bij zich: een Steijr, met daarin 9 kogelpatronen en een wapen met een 7.62mm kaliber. [medeverdachte] heeft verklaard dat ‘mijn vriend’ heeft verteld dat hij het wapen dat uit de woning aan de [adres delict] is meegenomen heeft schoongemaakt. Met ‘mijn vriend’ wordt door [medeverdachte] de verdachte bedoeld. Op grond daarvan kan worden bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode twee wapens voorhanden heeft gehad, namelijk de Steijr, de 9 kogelpatronen inbegrepen, en het wapen met het 7.62mm kaliber.

Beoordeling

Uit de stukken die op het onderzoek op de zitting zijn besproken, kan niet volgen dat de verdachte het 7.62mm kaliber wapen en de Steijr met de 9 kogelpatronenwapen voorhanden heeft gehad.

Daarbij moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het 7.62mm kaliber wapen toen het door [medeverdachte] werd getrokken. Op de tweede plaats kan niet worden vastgesteld dat de verdachte na het verlaten van de woning als zelfstandig pleger de macht over de twee door [medeverdachte] meegenomen wapens heeft gehad. Deze waren in handen van [medeverdachte] en onduidelijk is gebleven wat er na het verlaten van de woning is gebeurd.

De verklaring van [medeverdachte] dat hij van ‘zijn vriend’ heeft gehoord dat deze de Steijr heeft schoongemaakt, maakt dat laatste niet anders. Los van de vraag of met ‘mijn vriend’ door [medeverdachte] de verdachte is bedoeld, staat die verklaring op zichzelf en wordt door de verdachte tegengesproken. De bewijskracht van die verklaring is daarom zodanig dat het voorhanden hebben van de Steijr hieruit niet overtuigend kan volgen.

Met de officier van justitie en de verdediging wordt ten slotte vastgesteld dat er geen bewijs is voor het derde ten laste gelegde wapen en de overige ten laste gelegde munitie.

Conclusie

De verdachte zal ook van feit 4 worden vrijgesproken.

Feit 5

Standpunt van de verdediging

Er kan niet worden bewezen dat de verdachte 500 gram cocaïne voorhanden heeft gehad, omdat er geen drugs is aangetroffen en er dus geen testen uitgevoerd zijn om vast te stellen dat het daadwerkelijk om cocaïne ging.

Beoordeling

Vaste jurisprudentie is dat wanneer iemand in het vermoedelijke bezit van cocaïne wordt aangetroffen, de aanwezigheid van die stof ook zonder een chemisch deskundigenrapport kan worden bewezenverklaard als dat uit overige feiten en omstandigheden kan worden afgeleid.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en [medeverdachte] naar de woning kwamen om cocaïne te kopen. Zij hebben zich vergewist van de kwaliteit van de cocaïne, deze meegenomen en als cocaïne doorverkocht.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat daadwerkelijk sprake is geweest van cocaïne. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

5.

hij op 21 januari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 500 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Feit 5

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen 500 gram cocaïne in zijn bezit gehad en aannemelijk is geworden dat hij deze heeft verkocht. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in verdovende middelen andere vormen van (zware) criminaliteit met zich meebrengt, zoals ook in dit geval weer duidelijk is geworden. De cocaïnedeal is geëindigd in een schietpartij. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte wel meerdere malen is veroordeeld, maar niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van Reclassering Nederland van 15 augustus 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte komt sinds zijn vijftiende in aanraking met politie en justitie. Risicofactoren lijken voort te komen uit het ontbreken van een financieel perspectief, de woonomgeving, zijn hang naar luxe en het verlenen van hand- en spandiensten aan vrienden en/of familie, al dan niet tegen betaling.

Voorafgaand aan zijn aanhouding stond de verdachte onder toezicht van Reclassering Nederland. Hij werd in het kader van de zogenaamde ‘overvallersaanpak’, intensief begeleid en gecontroleerd. Binnen dit strikte kader maakte hij goede vorderingen en er was sprake van een dagbesteding, inkomen, onderdak, een vaste relatie en zicht op aankomend vaderschap. Desondanks beleefde de verdachte deze aanpak als zwaar en zijn dagbesteding en minimaal (officieel) besteedbaar inkomen werden door hem niet gezien als een opstap naar meer kansen op de arbeidsmarkt met bijbehorend inkomen. Ondanks de genoemde vorderingen, de inzet en de goede wil van de verdachte was er nog onvoldoende sprake van geïnternaliseerde gedragsverandering om afstand te (kunnen) nemen van personen en plaatsen die delict gerelateerd zijn.

Het cognitief niveau van de verdachte maakt dat hij zaken onvoldoende kan overzien waardoor de kans op recidive op de loer ligt. De steun en betrokkenheid van zijn familie en vrienden zijn beschermende factoren. De komst van zijn eerste kind houdt echter wederom een risico in omdat de verdachte zich genoodzaakt voelt financieel bij te dragen. De verdachte zal niet snel om hulp vragen, maar wel ondersteuning nodig hebben bij deze nieuwe fase in zijn leven en het afstand houden van risicovolle situaties.

De kans op recidive wordt ingeschat op gemiddeld tot hoog. Er wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat geen meerwaarde wordt gezien in aanvullende interventies of een nieuw toezicht.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de conclusie dat gezien de ernst van het feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Conform het advies van Reclassering Nederland ziet de rechtbank geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft [benadeelde (1)] zich in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.857,32 aan materiële schade en een vergoeding van € 15.000,00 aan immateriële schade.

De officier van justitie en de verdediging hebben geconcludeerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten. In deze procedure wordt om die reden over de vordering van de benadeelde partij geen inhoudelijke beslissing genomen.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Parketnummer 10/740008-14

Bij vonnis van 20 juni 2014 van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam is de verdachte ter zake van openlijk geweld, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie veroordeeld - voor zover van belang - tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan een gedeelte groot 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 5 juli 2014 en is verlengd met 2 jaren.

Parketnummer 15/860199-15

Bij vonnis van 3 maart 2016 van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland is de verdachte ter zake van diefstal met geweld veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan een gedeelte groot 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 maart 2016.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel van 4 maanden gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 10/740008-14 gevorderd. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd een deel van het voorwaardelijke strafdeel in de zaak met parketnummer 15/860199-15, te weten 4 maanden gevangenisstraf, ten uitvoer te leggen en de vordering voor het overige af te wijzen.

Beoordeling

Het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is na het wijzen van de beide vonnissen en voor het einde van de proeftijden gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit, heeft de verdachte de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel van

4 maanden gevangenisstraf in parketnummer 10/740008-14 gelasten. Verder zal de rechtbank de tenuitvoerlegging van 4 maanden van het voorwaardelijk strafdeel in parketnummer 15/860199-15 gelasten en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partij [benadeelde (1)] niet-ontvankelijk in de vordering;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van de bij vonnis van 20 juni 2014 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van 4 (vier) maanden, van het voorwaardelijk gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van de bij vonnis van 2 maart 2016 van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. T.M. Riemens en P.M. van Russen Groen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2018 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon

genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

meermalen, althans eenmaal, met een of meer vuurwapen(s) (een) kogel(s) heeft

afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2018 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,

door

- een of meer vuurwapen(s), althans (een) op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en), aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] te tonen en/of

- een of meer vuurwapen(s), althans (een) op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en), op die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] te richten;

3.

hij op of omstreeks 21 januari 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door met een of meer vuurwapens(s) op

het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te slaan;

4.

hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2018 tot en met 23 februari 2018

te Rotterdam, althans in Nederland,

een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van

de Wet wapens en munitie,

te weten

- - een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 30 van die wet in de vorm van een semiautomatisch werkend pistool van het merk Tokarev, type TT-33 of een afgeleide daarvan zoals het merk Zastava, type 57, kaliber 7, 62mm en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van een tot op heden onbekend gebleven merk, type en kaliber en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Steijr, kaliber 9 mm,

en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie,

te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten

- 4 kogelpatronen, kaliber 9mm (op 21 januari 2018 aangetroffen in de woonkamer van de woning aan de [adres delict] ) en/of

- 4 kogelpatronen, kaliber 9mm (op 22 januari 2018 aangetroffen in de slaapkamer van de woning aan de [adres delict] ) en/of

- 9 kogelpatronen, kaliber 9mm (op 24 februari 2018 aangetroffen in het hierboven omschreven pistool van het merk Steijr),

voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 21 januari 2018 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 500 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet