Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8744

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
ROT 18/3013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding wergens het door CIZ abusievelijk doorzenden van medische informatie van verzoeker naar de belastingdienst. De bestuursrechter is kennelijk onbevoegd. Er is geen schadetoebrengend besluit en de vordering is te hoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 18/3013

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2018 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], verzoeker,

en

Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder,

gemachtigden: H.X. Botter en mr. B. Özdemir.

Procesverloop

Bij brief van 3 juni 2018, ontvangen op 5 juni 2018, heeft verzoeker verzocht om schadevergoeding tot een bedrag van € 300.000,-.

Overwegingen

1. De bestuursrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 in verbinding met artikel 8:94, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.

2. Verzoeker stelt schade te lijden doordat verweerder zonder zijn toestemming zijn medische gegevens naar andere instellingen heeft gestuurd. Blijkens de ingediende stukken heeft verweerder in een brief van 9 januari 2019 (lees: 2018) erkend dat abusievelijk medische informatie van verzoeker naar de Belastingdienst is gestuurd. Uit de stukken begrijpt de rechtbank dat dit is gebeurd op 23 november 2017. Bij brief van 21 februari 2018 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat verzoeker zijn verzoek daartoe niet heeft onderbouwd. Onderaan de brief is vermeld dat verzoeker bezwaar kan maken. Nadat verzoeker bezwaar heeft gemaakt heeft verweerder hem bij brief van 22 mei 2018 meegedeeld dat tegen de schriftelijke afwijzing van verweerder van 21 februari 2018 om schadevergoeding toe te kennen geen bezwaar open staat en dat verzoeker een verzoekschrift bij de bestuursrechter kan indienen.

3. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste en tweede lid, van die wet neergelegde overgangsrecht volgt dat op deze zaak Titel 8.4. van de Awb van toepassing is. Redengevend hiervoor is dat de veronderstelde schadeveroorzakende handeling niet heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2013, maar op 23 november 2017.

4. In artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van: (a.) een onrechtmatig besluit; (b.) een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit; (c.) het niet tijdig nemen van een besluit; (d.) een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

5. De gestelde schadeoorzaak is in dit geval een feitelijke verstrekking van gegevens. De verwerking en verstrekking van persoonsgegevens werd destijds genormeerd door de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en thans door de algemene verordening gegevensbescherming (verordening (EU) 2016/679: AVG). Daaruit volgt echter niet dat die feitelijke verstrekking of de vaststelling van een inbreuk een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb oplevert (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 218, ECLI:NL:RVS:2018:2751). Zuiver feitelijk handelen, zonder dat dit is gevolgd door een onrechtmatig besluit, is niet opgesomd in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Awb. Verzoeker is evenmin ambtenaar of een daarmee gelijk te stellen persoon als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in verbinding met artikel 8:2 van de Awb. Hieruit volgt dat de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.

6. De bestuursrechter overweegt voorts het volgende met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding. Omdat in het kader van aanvragen en besluiten op grond van de Wbp en de AVG de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoogste aanleg oordeelt, geldt gelet op artikel 8:89, tweede lid, van de Awb, als bovengrens van de bevoegdheid van de bestuursrechter dat de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt. Dit betekent dat ook gelet op het door verzoeker gevorderde bedrag de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Verzoeker kan uitsluitend een vordering indienen bij de burgerlijke rechter.

7. De bestuursrechter is daarom kennelijk onbevoegd, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.

8. De bestuursrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt, omdat verweerder in de brief van 21 februari 2018 een bezwaarclausule heeft opgenomen en verzoeker na het maken van bezwaar heeft geadviseerd een verzoekschrift bij de bestuursrechter in te dienen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat geen kosten zijn gemaakt die voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De bestuursrechter van de rechtbank:

 verklaart zich onbevoegd;

 bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 oktober 2018.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.