Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8626

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
10/960070-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheidsverweren. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging, het strafproces tegen de verdachte voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM. Geen inzet van verdachte als criminele burgerinfiltrant in het buitenland. Doorwerking internationaal vertrouwensbeginsel bij het beantwoorden van de vraag onder welke omstandigheden aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar de rechtmatigheid van de verkrijging van uit het buitenland afkomstige startinformatie.

Bewezenverklaring medeplegen van invoer grote hoeveelheid heroïne en cocaïne en de voorbereidingshandelingen daartoe. Strafvermindering met twee jaar vanwege de (gevolgen van de) informatievoorziening aan de Belgische politie door verdachte. Enerzijds omdat die heeft geleid tot ontdekking en inbeslagneming van de grote partij heroïne, anderzijds vanwege de nadelige gevolgen die de informatieverstrekking heeft gehad voor verdachte en zijn familie. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960070-17

Datum uitspraak: 16 oktober 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. R.B.M. Poppelaars , advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3, 4, 6, 7, 11, 13, 14 en 17 september 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mr. B. van Unnik en C. Nij Bijvank (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

Algemene inleiding

De zaak tegen verdachte [naam verdachte] , hierna (ook): [naam verdachte] , vloeit voort uit het onderzoek Ridleypark, waarin een aantal verdachten terecht staan. Het onderzoek Ridleypark laat zich op hoofdlijnen als volgt beschrijven. Het Openbaar Ministerie heeft het onderzoek aanvankelijk gericht op de invoer van een grote hoeveelheid heroïne en morfine1 in een container met bakovens, die was ontdekt bij een controle op 20 februari 2017 in de haven van Antwerpen. Dit heeft geresulteerd in het deelonderzoek Bakovens. Gedurende de loop van dit onderzoek ontstond tevens de verdenking dat een aantal verdachten betrokken was bij de invoer in Nederland van een grote hoeveelheid cocaïne, verstopt in containers met bananen uit Colombia. Dit betreft het deelonderzoek [naam bedrijf 1] . Verwikkelingen rond die laatste partij cocaïne, in de zin van onder meer bedreigingen, hebben weer geleid tot het deelonderzoek [naam hotel] . Niet alle verdachten zijn betrokken in alle dossiers. In het vonnis zal per zaakdossier en per verdachte meer in detail besproken worden tot welke beslissingen de rechtbank komt.

In het onderzoek Ridleypark heeft [naam verdachte] een aantal verklaringen afgelegd, waaronder verklaringen bij de politie op 28 en 30 augustus 2017 en 20 september 2017 en de verklaringen ter terechtzitting van de rechtbank in februari 2018. De rechtbank zal allereerst aandacht besteden aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] . Aansluitend zal de rechtbank ingaan op de verweren ter zake de (gestelde) onrechtmatigheid van de wijze waarop door de Belgische politie informatie is verkregen van [naam verdachte] . Het is deze informatie die vervolgens enerzijds in België heeft geleid tot het onderzoek in de container met bakovens en die anderzijds is gedeeld met Nederland. Tot slot zullen de deelonderzoeken Bakovens, [naam bedrijf 1] en [naam hotel] worden besproken.

Geloofwaardigheid verklaringen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1]

Allereerst merkt de rechtbank op dat, in algemene zin, verklaringen van een verdachte over (een van) zijn medeverdachten, met name indien de inhoud ervan belastend is voor die ander(en) en/of ontlastend voor zichzelf, met de nodige behoedzaamheid moet worden gewaardeerd.

[naam verdachte] heeft, kort samengevat, verklaard dat hij – naar aanleiding van een door [naam medeverdachte 1] aan hem verstrekte lening, die hij diende terug te betalen - door [naam medeverdachte 1] onder druk is gezet om zijn bedrijf [naam bedrijf 2] te (laten) gebruiken voor het transport van verdovende middelen. Daarnaast heeft hij het bedrijf [naam bedrijf 3] aan moeten kopen van [naam medeverdachte 1] en is hij verplicht om te helpen met het bedrijf [naam bedrijf 1] . Beide bedrijven waren bedoeld om verdovende middelen in te voeren. Toen de druk van [naam medeverdachte 1] te hoog werd is [naam verdachte] via een vriend van hem, [naam betrokkene 1] , in contact gekomen met een Belgische politiemedewerker of medewerker van de Belgische inlichtingendienst, genaamd [naam betrokkene 3] (hierna: [naam betrokkene 2] ). [naam verdachte] heeft deze [naam betrokkene 2] op de hoogte gehouden van een transport met bakovens, met daarin een hoeveelheid heroïne. Tevens heeft [naam verdachte] een drietal keren contact gehad met leden van het Nederlandse Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG).

[naam medeverdachte 1] heeft op 3 juli 2018 een verklaring afgelegd die erop neerkomt dat hij door [naam verdachte] is betrokken bij de handel in bakovens. [naam medeverdachte 1] had ervaring binnen de transportwereld en [naam verdachte] wilde van die kennis gebruik maken. Hij is om die reden een transportopleiding gaan volgen en gaan werken bij het transportbedrijf van [naam verdachte] ( [naam bedrijf 3] ). Daarnaast heeft [naam medeverdachte 1] ‘ [naam Engelse fruithandelaar] ’ (een Engelsman die geïnteresseerd was in de fruithandel) kennis laten maken met [naam verdachte] , omdat [naam verdachte] ook een fruithandel ( [naam bedrijf 1] ) dreef. Op enig moment is onenigheid ontstaan tussen die [naam Engelse fruithandelaar] en [naam verdachte] . [naam medeverdachte 1] heeft toen als bemiddelaar gefungeerd. [naam medeverdachte 1] heeft enkel (als werknemer van [naam verdachte] ) opdrachten van [naam verdachte] uitgevoerd met betrekking tot het transport van de bakovens.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de inhoud van de verklaringen van [naam verdachte] wordt ondersteund door de inhoud van de processen-verbaal van de betreffende TBG-medewerkers. Voor dat gedeelte acht de rechtbank de verklaringen van [naam verdachte] in elk geval geloofwaardig. De inhoud van de OVC-gesprekken waar [naam medeverdachte 1] aan deelneemt, en waarin hij duidelijk spreekt over [naam verdachte] – hier komt de rechtbank later nog op terug - vormt eveneens op onderdelen een bevestiging voor de verklaring van [naam verdachte] , daar waar het gaat over de onderlinge verhouding tussen hem en [naam medeverdachte 1] . Daarnaast geldt dat [naam medeverdachte 1] pas op 3 juli 2018 – ruim 1,5 jaar na zijn aanhouding – een verklaring heeft afgelegd. Er is dan ook voor hem alle gelegenheid geweest om die verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier, hetgeen al in zijn algemeenheid afdoet aan de geloofwaardigheid daarvan. Daarnaast komt het de rechtbank voor dat het in het belang van [naam medeverdachte 1] zou zijn geweest om zijn verklaring, indien deze overeenkomstig de waarheid zou zijn geweest, al onmiddellijk of kort na zijn aanhouding af te leggen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [naam medeverdachte 1] , waar het betreft zijn rol in het geheel, ongeloofwaardig.

Daar waar nodig zal de rechtbank nader aangeven waarom zij (andere) gedeelten van de verklaringen van [naam verdachte] betrouwbaar vindt. Uitgangspunt daarbij is dat er dan een of meer andere bewijsmiddelen is/zijn die dat gedeelte van die verklaring ondersteunt/ondersteunen. Het spreekt verder voor zich dat de rechtbank geen gebruik zal maken van gedeelten van de verklaringen van [naam verdachte] die zij onvoldoende betrouwbaar acht.

Onrechtmatigheid van de politiële informatievoorziening?

[naam verdachte] heeft gesteld dat het zijn informatie is geweest die aan de basis ligt van het onderzoek Ridleypark en heeft dit nader uitgelegd in een aantal verklaringen. Zijn verdediging heeft primair bepleit dat tijdens de vertrouwelijke verzameling van informatie - die heeft geleid tot de startinformatie in deze strafzaak - niet is voldaan aan de wezenlijke waarborgen en zorgvuldigheidseisen ten opzichte van [naam verdachte] . De andere raadslieden hebben zich aangesloten bij dit verweer. De verdediging van [naam verdachte] heeft gesteld dat de vervolging van [naam verdachte] door het Nederlandse openbaar ministerie – vanwege de schending van die waarborgen en zorgvuldigheidseisen – onrechtmatig is.

De verdediging bepleit de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond van de stelling dat [naam verdachte] is ingezet als een (criminele) burgerinfiltrant en/of dat deze opsporingsmethode niet op de wettelijk toegelaten wijze is ingezet, dan wel dat deze gang van zaken niet in het strafdossier is gerelateerd. In aanvulling daarop is het verweer gevoerd dat zonder nader onderzoek naar de wijze van informatieverzameling, er sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (verder: EVRM) Deze verweren leiden ertoe dat om een of meer van deze reden(en) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Oordeel rechtbank

De rechtbank zal allereerst het kader schetsen waarbinnen zij de vertrouwelijke informatieverzameling door de politie zal beoordelen. Daarnaast komt het internationale aspect van de informatieverzameling aan de orde; de informatieverzameling heeft immers plaats gehad in België en [naam verdachte] is in dit kader eenmaal gehoord door de Belgische politie.

Vertrouwelijke informatieverzameling door de politie

In algemene zin geldt dat wanneer een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart op basis van vertrouwelijke (politie)-informatie, dergelijke informatie is verstrekt door een persoon of personen die vertrouwelijkheid is toegezegd. Dit, omdat het veelal gaat om een persoon of personen die grote risico’s kan/kunnen lopen indien zijn/hun identiteit bekend wordt bij derden. De vertrouwelijke informatieverzameling door de politie kent verder eigen regels. Deze regels schrijven voor of en wanneer bepaalde informatie kan worden gebruikt als basis voor een opsporingsonderzoek. Politiële informatieverzameling en opsporingsonderzoek zijn daarom, ook in wettelijk opzicht, in Nederland twee gescheiden circuits. Dit uitgangspunt leidt uitzondering indien in een strafzaak op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een onrechtmatige wijze van werken door of onder (eind)verantwoordelijkheid van de Nederlandse politie en/of het Nederlandse Openbaar Ministerie. Tenslotte geldt dat de resultaten van deze (vertrouwelijke) politiële informatieverzameling niet bestemd zijn om als bewijs te dienen in een concrete strafzaak.

De informatieverzameling in deze zaak

De rechtbank stelt vast dat [naam verdachte] een drietal gesprekken heeft gevoerd met medewerkers van TBG. Daarnaast heeft hij eenmaal contact gehad met medewerkers van de Belgische politie. In zijn eerste verklaring bij de politie van 28 augustus 2017 heeft hij verklaard: "Eigenlijk wilde ik deze verklaring helemaal niet afleggen, ik had namelijk alles al aan de Belgische en de Nederlandse politie verteld. Ik had gehoopt dat zij die informatie aan jullie hadden gegeven, want dan zou ik nu niet in deze situatie verkeren.". [naam verdachte] heeft in die verklaring niet aangegeven dat hem, door wie dan ook, toezeggingen zouden zijn gedaan ter zake het (niet) vervolgen. Ook in de daaropvolgende verklaringen van 30 augustus 2017 en 20 september 2017 heeft hij niet gesteld dat hem op dit punt toezeggingen zouden zijn gedaan in ruil voor de door hem gegeven informatie. Pas in de verklaring die [naam verdachte] ter terechtzitting heeft afgelegd in februari 2018, heeft hij gesteld dat hem, in ruil voor zijn informatie, ruime(re) toezeggingen zouden zijn gedaan, in de zin van dat hij “geen gevolgen zou ondervinden” in verband met zijn medewerking aan het bewuste transport met de bakovens. De rechtbank kent in haar verdere beoordeling geloofwaardigheid toe aan de eerstgenoemde verklaringen van [naam verdachte] bij de politie over het verstrekken van informatie aan de politie en/of aan [naam betrokkene 2] . Dit vooral omdat [naam verdachte] in die verhoren de gelegenheid heeft gehad zijn verhaal te vertellen, zonder daarbij in eerste instantie kritisch bevraagd te zijn door de verbalisanten. Verder sluit de inhoud van deze verklaringen het beste aan bij de inhoud van de processen-verbaal van de medewerkers van TBG en bij de informatie van officier van justitie Lukowski en die van de Belgische Federaal magistraat Van der Sijpt.

De rechtbank gaat er van uit dat [naam verdachte] éénmaal rechtstreeks informatie heeft verstrekt aan de Belgische politie over het transport met de bakovens. Verder acht de rechtbank het aannemelijk dat die specifieke informatieverstrekking heeft geleid tot het onderzoek op 20 februari 2017 in de container met de bakovens en het aantreffen van een grote hoeveelheid heroïne en morfine in de Antwerpse haven. Ook gaat de rechtbank er vanuit dat de TCI-informatie van 25 januari 2017, in elk geval deels, zijn oorsprong vindt in informatie die [naam verdachte] heeft verstrekt.

Het vertrouwensbeginsel – algemeen kader

Het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek Ridleypark is gestart naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek naar de betreffende container met bakovens in België. Deze resultaten zijn door de Belgische justitiële autoriteiten ook beschikbaar gesteld aan het Nederlandse openbaar ministerie. Dergelijke internationale informatievoorziening valt in beginsel onder het internationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel.

Voor de vraag onder welke omstandigheden startinformatie van buitenlandse justitiële autoriteiten nader moet worden onderzocht vanwege (gestelde) onrechtmatigheden in de totstandkoming van dergelijke startinformatie, gelden de regels die kunnen worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 31 januari 2006 (ECLInummer:NL:HR:2006:AU3426).

In rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4. van het arrest van 31 januari 2006 overweegt de Hoge raad als volgt:

“4.3. Het gaat in deze zaak om het volgende. In het Verenigd Koninkrijk is door Britse douaneambtenaren - zonder wetenschap of bemoeienis van Nederlandse opsporingsambtenaren of ambtenaren van het Openbaar Ministerie - een strafrechtelijk opsporingsonderzoek ingesteld naar de criminele activiteiten van (onder meer) [getuige 1]. In het kader van dat onderzoek heeft [getuige 1] informatie gegeven over Nederlandse personen. Deze inlichtingen zijn door de Britse autoriteiten ter kennis gebracht van de Nederlandse autoriteiten. Op grond van deze startinformatie is vervolgens in Nederland een opsporingsonderzoek gestart naar onder meer de verdachte. Het door het Hof gebezigde bewijsmateriaal is in het kader van dat onderzoek verkregen.

4.4.

Voorop moet worden gesteld dat onder de genoemde omstandigheden de Nederlandse autoriteiten op die startinformatie mochten afgaan in die zin dat op grond van de daardoor gerezen verdenking een opsporingsonderzoek in Nederland mocht worden ingesteld en dat, ook al zou later blijken dat aan de verkrijging van die informatie in het Verenigd Koninkrijk enig gebrek zou kleven, zulks - behoudens bijzondere omstandigheden - niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn strafvervolging kan leiden. Hetgeen in het verweer is aangevoerd kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Het Hof heeft het verweer derhalve terecht verworpen. De in het middel vervatte motiveringsklachten behoeven daarom geen bespreking.”

De rechtbank ziet als kern van dit arrest, dat indien startinformatie afkomstig is van de bevoegde buitenlandse justitiële autoriteiten, op grond van het vertrouwensbeginsel de inhoud van dergelijke informatie voor inhoudelijk juist en rechtmatig verkregen mag worden gehouden, behoudens zeer bijzondere omstandigheden. De informatie kan dus normaal gesproken in Nederland dienen als startinformatie. En aldus een basis vormen van (of bijdragen aan) een verdenking die ten grondslag ligt aan een opsporingsonderzoek in Nederland.

In de zaak Ridleypark is sprake van door België overgedragen startinformatie. Deze informatie heeft ten grondslag gelegen aan dit strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank zal daarbij moeten beoordelen of sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden die maken dat, zonder nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de herkomst ervan, er geen gebruik mag worden gemaakt van deze startinformatie.

De Belgische justitiële autoriteiten hebben bij brief van Federaal magistraat Van der Sijpt van 9 april 2018 uitdrukkelijk verklaard dat er geen sprake is geweest van de inzet van [naam betrokkene 2] en/of [naam verdachte] als criminele burgerinfiltrant, en dat de inzet van deze bijzondere opsporingsbevoegdheid wettelijk niet is toegelaten in België.

De rechtbank merkt allereerst op dat het bij alle vormen van infiltratie om een bijzondere opsporingsbevoegdheid gaat, die in Nederland onder bepaalde voorwaarden mag worden ingezet. Die inzet is dan gericht om bewijs te verkrijgen tegen de verdachten in een concreet opsporingsonderzoek2. Ten tijde van de controle van de container met bakovens was er nog geen opsporingsonderzoek begonnen tegen de verdachten in deze zaak.

Over het gesprek dat [naam verdachte] heeft gehad met de Belgische politie heeft hij zelf verklaard dat zijn verklaring door de politie niet aan hem is voorgelezen en dat hij deze ook niet heeft ondertekend. Dit wijst er eens te meer op dat van de verklaring van [naam verdachte] geen proces-verbaal is opgemaakt dat als bewijs kon dienen in een strafrechtelijk onderzoek. Wel is het waarschijnlijk dat het gesprek heeft gediend tot het in België vastleggen van informatie ten behoeve van een start van een mogelijk opsporingsonderzoek.

Tot op heden is niet aannemelijk geworden dat [naam verdachte] tegenover de Belgische politie over zijn eigen rol zodanig heeft verklaard dat het voor de Belgische politie duidelijk moet zijn geweest dat hij zelf als verdachte betrokken was bij de feiten waarover hij verklaarde. Sterker nog, uit het antwoord onder punt 6 van de eerder genoemde brief van Van der Sijpt blijkt dat naar Belgisch recht – net als naar Nederlands recht – iemand die in een positie verkeert als die van [naam verdachte] (en indien het de politie blijkt dat hij verdachte is) niet als informant kan optreden, en dat zo iemand dan uitsluitend niet anoniem kan verklaren. Daarbij geldt dan bovendien dat wanneer die persoon dan zou verklaren, hij of zij kan worden vervolgd (mede) op basis van hetgeen hij of zij heeft verklaard.

Tussenconclusie

Er is op grond van bovenstaande niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de door [naam verdachte] verstrekte informatie niet als startinformatie in het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek Ridleypark had mogen worden gebruikt of dat nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de verkrijging ervan aan de orde is.

Strijd met art. 6 EVRM door incitement/entrapment door de Belgische politie

De door de verdediging aangehaalde rechtspraak van het EHRM met betrekking tot ‘incitement’ en ‘entrapment’ ziet, vanwege de link met artikel 6 EVRM, bovenal op het opsporingsonderzoek in een concrete strafzaak en het gebruik van de resultaten van bepaalde opsporingsmethoden door de rechter als bewijsmiddel tegen een verdachte. Hierdoor is deze rechtspraak naar het oordeel van de rechtbank niet onverkort toepasbaar op de fase van politiële (vertrouwelijke) informatieverzameling. Deze fase is immers niet gericht op bewijsverzameling tegen een of meer concrete verdachte(n), maar dient om tot een bepaalde verdenking te kunnen komen van waaruit het opsporingsonderzoek en daarop volgende voorbereidend onderzoek kan worden gedaan. In dat kader wordt dan onderzocht of afdoende wettige bewijsmiddelen kunnen worden verzameld voor de verdenking die eerder was geformuleerd op basis van dergelijke vertrouwelijke politie-informatie als startinformatie.

De rechtbank ziet bovendien als kenmerkend element voor incitement (uitlokking) en entrapment (“ïn de val laten lopen”) dat het er om gaat dat de politie (rechtstreeks, of door inzet van een infiltrant en/of toepassing van een andere bevoegdheid) een verdachte brengt tot (strafbare) handelingen waarop eerder zijn opzet niet was gericht. De raadsman heeft echter niets aangevoerd waaruit kan volgen dat [naam verdachte] door de (Belgische) politie of justitie tot de hem nu verweten gedragingen/handelingen is gebracht, en evenmin is aannemelijk geworden dat hij die anders niet zou hebben verricht. In deze zaak zou volgens de verdediging de “entrapment” er uit hebben bestaan dat [naam verdachte] door de door Belgische politie/overheid gedane toezeggingen betrokken is gebleven bij de strafbare gedragingen rond de invoer van de bakovens met heroïne/morfine en hiervoor vervolgens door het Nederlandse openbaar ministerie wordt vervolgd. De rechtbank stelt vast dat de door [naam verdachte] gestelde toezeggingen op geen enkele wijze schriftelijk zijn vastgelegd. Er is naast de (latere) verklaring van [naam verdachte] geen enkel ander bewijsmiddel dat deze verklaring ondersteunt. Er is daardoor geen begin van aannemelijkheid dat er iets is toegezegd door [naam betrokkene 2] , laat staan dat dit zou zijn gebeurd met medeweten of (expliciete of impliciete) goedkeuring van de Belgische justitie of Belgische politie. Bovendien geldt dat [naam verdachte] geen enkel eigen onderzoek heeft gedaan naar de persoon en/of hoedanigheid en/of eventuele bevoegdheden van [naam betrokkene 2] , zodat het de rechtbank niet duidelijk is op grond van welke (objectieve) feiten of omstandigheden [naam verdachte] in redelijkheid kon en mocht vertrouwen op die (gestelde) toezeggingen van [naam betrokkene 2] . Eerder heeft de rechtbank al aangegeven waarom zij er van uitgaat dat [naam verdachte] in zijn contact met de Belgische politie juist geen volledige openheid heeft betracht over zijn eigen rol, en dit zal eveneens blijken bij het bespreken van het dossier [naam bedrijf 1] . Daarbij heeft de informatie die [naam verdachte] stelt te hebben gegeven, steeds betrekking gehad op zeer ernstige strafbare feiten, feiten die ook in België zeer streng worden bestraft. Ook [naam verdachte] moet hebben begrepen dat de door hem gestelde toezeggingen omtrent het niet vervolgen niet op een dergelijke wijze tot stand komen. Bovendien blijkt uit de inhoud en uitkomst van de contacten met de medewerkers van de TBG dat [naam verdachte] in staat was zijn (proces)positie (in elk geval in Nederland) te bepalen aan de hand van informatie die hem werd aangereikt vanuit de Nederlandse politie. Uit de al eerder geciteerde brief van Van der Sijpt leidt de rechtbank bovendien af dat het Belgische recht op dit onderdeel niet (sterk) afwijkt van het Nederlandse.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet is gebleken dat [naam verdachte] door [naam betrokkene 2] en/of de Belgische politie en justitie toezeggingen zijn gedaan. Evenmin is gebleken van concrete feiten en omstandigheden op basis waarvan [naam verdachte] in redelijkheid kon verwachten dat er door [naam betrokkene 2] toezeggingen gedaan zouden kunnen worden die neerkomen op volledige immuniteit van strafvervolging ter zake van twee gevallen van (zeer) grootschalige invoer van harddrugs. Het verweer van de verdediging zal dan ook worden verworpen.

Tussenconclusie

Het bovenstaande leidt ertoe dat geen sprake is geweest van incitement of entrapment.

Is er op een andere manier door de Nederlandse politie en/of het Nederlandse openbaar ministerie onrechtmatig gehandeld ten opzichte van [naam verdachte] ?

Nadat [naam verdachte] had verklaard over zijn contacten met [naam betrokkene 2] en met de Belgische politie, is daar door de rechtbank nader onderzoek naar gedaan. Daarbij is, voor zover hier van belang, gebleken dat er vanaf oktober 2016 tot en met februari 2017, dus voor de aankomst van de container met de bakovens in Antwerpen, drie contacten zijn geweest tussen [naam verdachte] en het TBG. De TBG-medewerkers hebben echter aangegeven dat, vanwege het feit dat [naam verdachte] enkel anoniem wenste te verklaren en de informatie blijkbaar niet concreet genoeg bleek te zijn, de informatie uit deze gesprekken niet is gedeeld met de tactische opsporing. Niet is gebleken dat de informatie die [naam verdachte] heeft verschaft aan de politieambtenaren van het TBG op enigerlei wijze een rol heeft gespeeld in het Nederlandse opsporingsonderzoek dat heeft geleid tot deze strafzaak.

[naam verdachte] is door de Nederlandse politie en/of openbaar ministerie op geen enkele wijze ingezet ten behoeve van de vergaring van informatie met betrekking tot de opsporing. Sterker nog, [naam verdachte] is uitdrukkelijk geïnformeerd, zo blijkt ook uit de verklaringen van de TBG-medewerkers, over de juridische (on)mogelijkheden die volgden uit de inhoud van zijn verklaring en de voorwaarden die [naam verdachte] stelde aan het (mogelijke) gebruik ervan. Evenmin is er een begin van aannemelijkheid dat de Nederlandse politie en/of het Nederlandse openbaar ministerie de Belgische autoriteiten heeft/hebben verzocht op te treden zoals in België is gedaan.

Gelet op het voorgaande is dus niet aannemelijk dat door de Nederlandse politie en/of het Nederlandse openbaar ministerie anders is opgetreden dan is verwoord in de processen-verbaal en brieven van respectievelijk de betrokken politieambtenaren van het TBG en van officier van justitie mr. Lukowski. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden dat er zich voorafgaand aan de start van het Nederlandse opsporingsonderzoek in deze strafzaak in Nederland of elders onder verantwoordelijkheid van Nederlandse politie- en/of justitieambtenaren onrechtmatigheden of andere onregelmatigheden hebben voorgedaan.

Conclusie

Er is, samenvattend, de rechtbank niet gebleken van vormverzuimen of (ander) handelen door of onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse politie en/of justitie, dat -op zich, of in samenhang met ander handelen- in redelijkheid kan worden aangemerkt als handelen in strijd met artikel 6 van het EVRM. Van (een) ander(e) ernstig(e) vormverzuim(en) die/dat eventueel aanleiding zou(den) kunnen vormen voor deze processuele sanctie op basis van artikel 359a Sv is evenmin gebleken.

De rechtbank ziet dan ook geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachten, en zal het daartoe strekkende verweer daarom afwijzen.

Voorwaardelijk gedaan verzoek tot het horen van getuigen

Het bovenstaande leidt er tevens toe dat het voorwaardelijk gedane verzoeken van de verdediging om de getuigen te horen eveneens worden afgewezen. Er is thans naar het oordeel van de rechtbank geen begin van aannemelijkheid meer dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Zaaksdossier Bakovens (feit 1)

Algemeen

De Nederlandse politie en justitie zijn op 20 februari 2017 in kennis gesteld van de bevindingen van de Belgische autoriteiten in Antwerpen met betrekking tot de vondst van pakketten met als inhoud (in totaal) 1131,7 kilogram heroïne en morfine3 in een container met bakovens. Van deze container was inmiddels bekend dat de inhoud ervan was bestemd voor [naam bedrijf 2] , het bedrijf van [naam verdachte] in Rotterdam.

In België zijn de pakketten met harddrugs uit een van de ovens gehaald, en is een kleine hoeveelheid heroïne teruggeplaatst. Tevens is toen geluid- en beeldopnameapparatuur in de container geplaatst, met als doel vertrouwelijke communicatie in (en om) de container vast te leggen. Nadat de container met inhoud was opgehaald in de Antwerpse haven, is deze container op 21 februari 2017 vervoerd naar [plaatsnaam 1] . In een loods in [plaatsnaam 1] zijn de verdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] aangehouden. In de container is door de politie het pakketje met heroïne gevonden dat was teruggeplaatst in Antwerpen.

De rechtbank zal hierna eerst aangeven dat, en op grond van welke feiten en omstandigheden, zij wettig en overtuigend bewezen acht dat de bij de loods aangetroffen verdachten [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] , maar ook [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] als medepleger betrokken zijn bij de invoer van de container met inhoud. Door het ingrijpen van de Belgische politie in Antwerpen is de hoeveelheid van 1131,7 kilo heroïne/morfine teruggebracht tot ruim 2 ons, dus tot een fractie van de oorspronkelijke hoeveelheid. Dat de partij harddrugs in Antwerpen is ontdekt, en vervangen door die geringe hoeveelheid heroïne, maakt het opzet van al deze deelnemers (dus ook dat van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] ) op de oorspronkelijke hoeveelheid harddrugs niet anders. Voor de inhoud van de bewezenverklaring maakt het echter wel verschil. Aansluitend zal de rechtbank meer in detail ingaan op de rol van elk van de vier verdachten.

Medeplegen van invoer

Vooropgesteld wordt opgemerkt dat het zeeschip dat de container met de bakovens heeft vervoerd naar Antwerpen door de Westerschelde is gevaren. Het is een feit van algemene bekendheid dat daardoor dit vervoer via Nederlands grondgebied heeft plaats gehad. Dit aspect is van belang voor de verdachten [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] . Voor de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] kan niet worden vastgesteld dat zij op dat moment al betrokken waren bij deze strafzaak.

[naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3]

In [plaatsnaam 1] zijn [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] aangehouden in een loods waar de uit Antwerpen opgehaalde container was geplaatst. [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] hebben beiden een rol gehad die zich laat omschrijven als uithaler. Uithalers zoals [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] zorgen ervoor dat de ingevoerde harddrugs beschikbaar komen voor de personen die de harddrugs verder in het (illegale) drugshandelscircuit willen brengen. Zij zijn aldus een onmisbare schakel bij het daadwerkelijk binnen de Nederlandse rechtssfeer kunnen verhandelen van en beschikken over de over de grens gebrachte harddrugs. Niet is gebleken dat naast [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] andere personen aanwezig waren, bijvoorbeeld om toezicht te houden op de werkzaamheden van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] . De rechtbank acht alleen al om die reden volstrekt ongeloofwaardig dat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] volledig zelfstandig het uithalen wordt toevertrouwd van een grote partij harddrugs ter waarde van vele miljoenen euro’s op basis van een toevallige ontmoeting tussen [naam medeverdachte 2] en een onbekende persoon in een Amsterdamse coffeeshop.

Beide verdachten hebben uitgebreid in de bakovens gezocht naar de verborgen pakketten harddrugs. Uit de hoeveelheid door hen meegebrachte verhuisdozen (ongeveer 60 stuks) blijkt dat beiden op de hoogte waren van het feit dat het ging om een (zeer) omvangrijke partij. Tevens hadden [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] handschoenen meegebracht en beschikten zij over een speciale PGP telefoon. Uit de inhoud van het gesprek tussen deze verdachten in en om de container blijkt dat ze op zoek waren naar iets. Ook uit de daarmee samenhangende handelingen, zoals het openbreken/forceren van de bakovens volgt verder dat beiden wisten dat er in de bakovens een partij harddrugs was verstopt. De rechtbank wijst daarbij verder op de inhoud van hun reactie bij het aantreffen van het teruggeplaatste pakketje heroïne, maar ook op de inhoud van een teruggevonden bericht in de PGP-telefoon van [naam medeverdachte 1] . Dit gesprek wordt door de rechtbank, gelet op de inhoud ervan en gelet op de beelden van de container en die van de kantoorruimte van [naam bedrijf 3] , geplaatst binnen het berichtenverkeer tussen de telefoon van [naam medeverdachte 1] en de PGP telefoon die is aangetroffen in de loods in [plaatsnaam 1] . Uit het handelen van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] blijkt verder dat het hen ook was toegestaan zonder enig overleg met de opdrachtgever(s) de kostbare bakovens open te maken, en zo nodig kapot te maken om deze containers maar volledig te kunnen doorzoeken. Dit laatste leidt de rechtbank af uit de geluidsopnamen in de container en de foto’s die door de politie zijn genomen.

[naam medeverdachte 1]

Uit de OVC-gesprekken blijkt betrokkenheid van [naam medeverdachte 1] bij dit transport. Verder bevat het dossier beeld- en geluidmateriaal dat is opgenomen in de kantoorruimte van [naam bedrijf 3] . Op die laatstgenoemde beelden is te zien dat [naam medeverdachte 1] op bepaalde momenten gebruik maakt van zijn PGP telefoon. [naam medeverdachte 1] beschikte in de ochtend van 21 februari 2017 over het adres in [plaatsnaam 1] , maar op datzelfde blauwe briefje staat ook het telefoonnummer van de in de loods in [plaatsnaam 1] aangetroffen PGP telefoon. De politie heeft verder vastgesteld dat gedurende de activiteiten van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] in (en om) de container en in de kantoorruimte van [naam bedrijf 3] op een zestal momenten zodanig nagenoeg gelijktijdig berichtenverkeer is geregistreerd, dat het niet anders kan zijn dan dat er toen steeds contact is geweest tussen de telefoon van [naam medeverdachte 1] en de telefoon die is aangetroffen in de loods. Dit gegeven wordt verder versterkt doordat de uitlatingen van de verdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] in de container deels woordelijk overeen blijken te komen met de inhoud van een teruggevonden bericht in de (PGP)telefoon van [naam medeverdachte 1] .

Hierboven is al beschreven dat (en hoe) [naam medeverdachte 1] op de dag van de aflevering actief betrokken was bij het transport. In een tweede telefoon die is aangetroffen bij [naam medeverdachte 1] , de witte Iphone, zijn digitale bestanden en afbeeldingen van documenten aangetroffen die te maken hebben met dit transport. Ook dit wijst op zijn betrokkenheid bij dit transport. De container met de bakovens is op 21 februari 2017 vervoerd van Antwerpen naar [plaatsnaam 1] . In en rond het tijdvak van dit vervoer zijn er, zoals hierboven al vermeld, beelden opgenomen in de kantoorruimte van [naam bedrijf 3] . Op die beelden zijn naast [naam medeverdachte 1] nog twee personen te zien, [naam getuige 1] en [naam betrokkene 4] . De beelden laten zien dat [naam medeverdachte 1] intensief op zijn laptop werkt, en op gezette tijden informatie verschaft aan [naam getuige 1] . Deze [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 1] tijdens het vervoer sturend optrad. In dit dossier is sprake van mailverkeer over het transport. [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij er, vanwege het (goede) niveau van het Nederlands in de mails, van uitgaat dat [naam verdachte] niet de schrijver en/of verzender van die mailberichten is geweest, maar dat deze van [naam medeverdachte 1] afkomstig zijn. Onderzoek van de laptop van [naam medeverdachte 1] toont bovendien aan dat hij die ochtend zeer vaak het account [naam bedrijf 2] heeft bezocht, maar ook dat hij zoektermen op internet invoerde die sterk wijzen op bijzondere belangstelling voor (mogelijke problemen bij) het inklaren van een container. Ook het onderzoek naar de zoekgeschiedenis van de laptop van [naam medeverdachte 1] op 21 februari 2017 levert opvallende resultaten op Een opvallende zoekopdracht op 21 februari 2017, 11.56 uur: meer dan een zegel op container. Opvallend omdat [naam getuige 1] om 11.48 uur, dus kort daarvoor, belt met Rick en in dat gesprek vraagt “of het normaal is dat er twee zegels op zitten”.

[naam verdachte]

Uit de inhoud van de eigen verklaringen van [naam verdachte] volgt, in samenhang met de andere bewijsmiddelen, dat hij als medepleger betrokken is geweest bij de invoer van de 1131,7 kilogram heroïne en morfine.

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachten [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 2] , maar ook [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zich als medepleger schuldig hebben gemaakt aan de invoer van heroïne en morfine.

De vraag die voorts dient te worden beantwoord is welke hoeveelheid drugs (en van welke soort) kan worden bewezen.

Hoeveelheid heroïne/morfine

Door de verdediging is opgemerkt dat het bij de 1131 kilo drugs die in Antwerpen in beslag is genomen voornamelijk zou gaan om morfine, en niet om heroïne.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. In de twee bakovens is een groot aantal pakketten aangetroffen. In België zijn van die pakketten in totaal 55 monsters genomen, 27 uit de zakken met poeder (totaalgewicht 747,5 kilogram) en 28 van de blokken (totaalgewicht 384,5 kilogram). Deze monsters zijn overgedragen naar Nederland. Uit de 27 monsters van een gedeelte zijn 11 monsters genomen, met SIN-nummers [monster 1] tot en met [monster 2] (m.u.v. [monster 3] ). Hetzelfde proces-verbaal geeft aan dat van de 28 andere potjes er 13 monsters zijn genomen: SIN-nummers [monster 4] t/m [monster 5] en [monster 3] . Deze monsters zijn onderzocht door het NFI. Uit het rapport van het NFI blijkt dat van de 24 monsters die het NFI heeft onderzocht er 12 heroïne bevatten.

Uit het bovenstaande volgt dat tenminste een aanzienlijk gedeelte van de aangetroffen partij harddrugs aangemerkt wordt als “onversneden heroïne”, waarin juist geen morfine is aangetroffen. Gelet op de twee soorten verpakte drugs, gaat de rechtbank er vanuit dat van de totale hoeveelheid van 1131,7 kilo harddrugs, 384,5 kilogram bestaat uit hetgeen de deskundige omschrijft als “onversneden heroïne”. De rest betreft de morfine en de morfine waarin tevens een geringe hoeveelheid heroïne is aangetroffen. De rechtbank verwerpt dus het verweer dat de totale partij harddrugs zou hebben bestaan uit morfine.

Conclusie

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat bij alle verdachten sprake is geweest van een dermate bewuste en nauwe samenwerking, dat bewezen is dat [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de invoer van in totaal ruim 1131 kilogram heroïne en morfine in Nederland en de voorbereidingshandelingen daartoe.

Voor [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] geldt dat in hun zaken invoer in vereniging van ongeveer 227,8 gram heroïne bewezen kan worden verklaard, dit omdat in Antwerpen alle andere heroïne en morfine is verwijderd en de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen niet kan vaststellen dat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] ten tijde van de vaart door de Westerschelde, het moment van invoer voor [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] , al als medeplegers betrokken waren.

5.2.

Zaaksdossier [naam bedrijf 1] (feit 3 en 4)

De rechtbank zal voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van de zaak [naam bedrijf 1] ingaan op de vraag wie de gebruiker is geweest van de in het onderzoek aangetroffen PGP telefoons. Vervolgens bespreekt de rechtbank wie er wordt bedoeld met [naam nickname] / [naam nickname] . Daarna wordt de kern van de zaak [naam bedrijf 1] besproken.

PGP telefoons

De vraag die voorligt is of de rechtbank kan vaststellen wie de gebruikers zijn geweest van de aangetroffen PGP-telefoons, en voor [naam verdachte] is met name van belang of hij de gebruiker is geweest van het PGP toestel met het kenmerk [kenmerk telefoon 2] .

Bij de aanhouding van de verdachte [naam medeverdachte 1] op 21 februari 2017 in het kantoor van [naam bedrijf 3] is onder meer een mobiele telefoon, te weten een zwarte Samsung, in beslag genomen. Dit blijkt een zogenaamde PGP (“Pretty Good Privacy”)-telefoon te zijn met het kenmerk [kenmerk telefoon 1]. Naar het oordeel van de rechtbank was [naam medeverdachte 1] ten tijde van zijn aanhouding, maar ook in de maanden daaraan voorafgaand, de gebruiker van de betreffende PGP telefoon Een PGP-telefoon is een mobiele telefoon die bij uitstek geschikt is om informatie mee te verzenden die niet in verkeerde handen mag vallen. De toestellen gebruiken namelijk een type versleuteling of encryptie die maakt dat berichten niet onderschept kunnen worden door bijvoorbeeld overheden, veiligheidsdiensten of de politie. Om die reden vinden/vonden de betreffende telefoons gretig aftrek in het criminele circuit. Om berichten te kunnen verzenden met een PGP-telefoon dient een gebruiker te beschikken over het wachtwoord of de toegangscode van het toestel c.q. het account. In deze zaak is de inhoud van de communicatie deels bekend geworden. In dat verband merkt de rechtbank op dat het allereerst opvalt dat de inhoud van de in het toestel aangetroffen PGP-gesprekken sterk wijst in de richting van illegale, waarschijnlijk drugs gerelateerde, feiten en van grote geldbedragen.

Het betreffende toestel is door het NFI verder onderzocht, waarbij een contactenlijst, gebruikersaccount en telefoonnummers zijn geanalyseerd. Tevens is een overzicht gemaakt van de in de periode van 29 november 2016 tot en met 21 februari 2017 gevoerde gesprekken. Uit deze overzichtslijst blijkt onder meer dat diverse berichten zijn verzonden aan de gebruiker met het kenmerk [kenmerk telefoon 2], die wordt aangeduid met de naam ‘ [naam nickname] ’. De vraag is of [naam verdachte] deze “ [naam nickname] ” is.

Het eerste bericht waarin de naam [naam nickname] voorkomt, is een bericht van 7 december 2016. De afzender met [kenmerk telefoon 1] schrijft aan [kenmerk telefoon 2]He [naam nickname] , wat ben je aan het doen/hoe is het? Waarom zijn de maandlonen van ons niet overgemaakt?

Dit bericht laat zich verklaren vanuit de schijnconstructie die blijkbaar bestond ten aanzien van arbeidsverhoudingen met [naam betrokkene 4] en [naam medeverdachte 1] in het bedrijf [naam bedrijf 3] . [naam medeverdachte 1] was in loondienst bij [naam bedrijf 3] vanaf 1 september 2016, maar kreeg al salaris tijdens het volgen van zijn opleiding en kwam tot februari 2017 niet op het bedrijf [naam bedrijf 3] . [naam verdachte] verklaart dat hij voor het bedrijf salarisbetalingen diende te doen waar geen reële tegenprestatie tegenover stond. [naam betrokkene 4] is als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en heeft toen niet verklaard dat hij in dienst is geweest bij [naam bedrijf 2] of bij een ander bedrijf in Rotterdam, maar dat hij een dag met [naam medeverdachte 1] vanuit Amersfoort naar Rotterdam is gegaan en dat hij toen met de politie te maken kreeg. Dit moet dus betrekking hebben op 21 februari 2017, omdat [naam betrokkene 4] is herkend op de beelden die die dag zijn opgenomen en hij aanwezig was toen de politie die dag daar binnenviel. Door [naam verdachte] is verklaard dat [naam betrokkene 4] al langere tijd betaald werd, maar dat hij feitelijk niet werkte. Hetzelfde geldt voor [naam medeverdachte 1] zelf. Anders dan [naam medeverdachte 1] stelt, acht de rechtbank een brutosalaris van 1800 euro waar, ook in de verklaring van [naam medeverdachte 1] zelf, geen reële arbeidsprestatie tegenover stond, een uitzonderlijke situatie.

Enkele weken later worden opnieuw berichten verstuurd aan de persoon genaamd “ [naam nickname] ”. Zo wordt op 10 januari 2017 het volgende bericht verstuurd “ , proberen jullie maar opnieuw om het nu eruit te krijgen”. Voorts wordt in de gesprekken van onder meer 24 januari 2017 gesproken over problemen en dat er gebeld moet worden naar vervoerder Maersk. Hierbij wordt geschreven “Joh [naam nickname] , is het zo moeilijk om dit te weten te komen. Geeft Maersk geen gehoor wanneer die wordt gebeld (…) Wat is dit nou [naam nickname]”.

Over [naam nickname] / [naam nickname] wordt ook gesproken in de OVC gesprekken van april 2017 tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] Als die hoerenzoon [naam nickname] op dat moment bij mij was, die eerloze, door die eerloze is mijn familie uiteen gehaald (…) als hij zijn verklaring wijzigt, denk ik dat ik over een paar maanden wel geschorst kan worden (…) het is sowieso van hem zelf, die hoerenzoon”. Uit het gesprek van 18 april 2017 wordt gelet op de verwijzingen naar bijvoorbeeld het adres van [naam verdachte] en de naam van zijn zoon, duidelijk dat als [naam medeverdachte 1] het heeft over ‘ [naam nickname] ’ hij spreekt over [naam verdachte] .

In de (OVC)gesprekken tussen [naam medeverdachte 1] en zijn broer [naam medeverdachte 4] wordt gesproken over [naam nickname] als de persoon die er voor heeft gezorgd dat hij, [naam medeverdachte 1] , is komen vast te zitten. Tevens wordt gesproken over de verklaring die deze [naam nickname] over [naam medeverdachte 1] zou hebben afgelegd en dat hij wil dat deze verklaring wordt aangepast zodat [naam medeverdachte 1] kan worden geschorst. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat het niet anders kan dan dat met [naam nickname] / [naam nickname] [naam verdachte] wordt bedoeld. Dit geldt temeer nu over deze [naam nickname] in de OVC gesprekken voorts wordt gesproken in relatie tot “zijn broer [naam betrokkene 5] ” en zijn zoon “ [naam betrokkene 6] ”, terwijl uit het dossier blijkt dat [naam verdachte] een broer [naam betrokkene 5] heeft en een zoon [naam betrokkene 6] .

Uit het bovenstaande en de bewijsmiddelen volgt dat [naam verdachte] de gebruiker was van [kenmerk telefoon 2].

[naam bedrijf 1]

De zaak [naam bedrijf 1] heeft, kort gezegd, betrekking op de invoer van 1300 kilogram cocaïne. Op 22 december 2016 zijn in Colombia een tweetal containers met de nummers [containernummer 1] en [containernummer 2] aan boord van het schip [naam schip] geladen. Vervolgens is het schip vertrokken met bestemming Antwerpen. De containers waren gevuld met bananen en ingevolge de zogenaamde Bill of Lading bestemd voor het bedrijf [naam bedrijf 1] te Rotterdam. Op 5 januari 2017 is het schip aangekomen in de haven van Antwerpen. Eén van de containers, te weten de container met nummer [containernummer 1] , is op 9 januari 2017 om 16:19 uur opgehaald door een vrachtwagen van de firma [naam bedrijf 3] . De container met het nummer [containernummer 2] is dezelfde dag iets later, om 17:22 uur, eveneens opgehaald door een vrachtwagen van [naam bedrijf 3] . De feitelijke bestuurder van [naam bedrijf 3] was op dat moment [naam verdachte] . Van dit transport, maar ook van andere transporten die zijn uitgevoerd voor [naam bedrijf 1] , werden geen facturen opgemaakt door [naam bedrijf 3] , aldus getuige [naam getuige 1] . De containers zijn niet aan een douanescan of douanecontrole onderworpen. Waar de vrachtwagens met containers vanuit de haven te Antwerpen naar toe zijn gebracht, is onbekend gebleven. Wel is komen vast te staan dat de bananen uit deze containers zijn verkocht aan een afnemer in Roemenië. De getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij de bananen heeft opgehaald nabij de Belgische grens en vanaf daar naar Roemenië heeft vervoerd. In de desbetreffende containers, noch bij de verdachten, is cocaïne aangetroffen.

Heeft er cocaïne in de containers met de nummers [containernummer 1] en [containernummer 2] gezeten?

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze containers 1300 kilogram cocaïne hebben bevat, die tussen de lading met bananen was verborgen.

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat er cocaïne in de betreffende container(s) heeft gezeten. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Uit de jurisprudentie volgt dat als uitgangspunt wordt genomen dat de opzettelijke invoer van cocaïne in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook daadwerkelijk een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit uitgangspunt lijdt onder omstandigheden uitzondering, te weten indien de inhoud van de bewijsmiddelen in het licht van hetgeen overigens kan worden vastgesteld, voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat de tenlastegelegde invoer heeft plaatsgevonden. In dat geval kan het feit toch worden bewezen. Overigens is voor die conclusie geen plaats indien de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de inhoud van aan hem voorgehouden belastende feiten en omstandigheden en die verklaring niet kan worden weerlegd.

Uit het dossier [naam bedrijf 1] volgt dat de betreffende containers met inhoud bestemd waren voor het bedrijf [naam bedrijf 1] . [naam bedrijf 1] is op 11 april 2016 ingeschreven in de Kamer van Koophandel, met als eigenaar [naam eigenaar bedrijf 1] . [naam eigenaar bedrijf 1] heeft in zijn hoedanigheid als eigenaar geen werkzaamheden binnen het bedrijf uitgevoerd. Opmerkelijk is dat is gebleken dat de website van [naam bedrijf 1] gekopieerd is van de website van het reeds bestaande fruitbedrijf [naam bedrijf 4] . Voorts is gebleken dat het bedrijf slechts twee klanten had, te weten [naam klant 1] en [naam klant 2] . Aan dit laatste bedrijf is slechts één nota verstuurd. Tot slot heeft [naam verdachte] over het bedrijf [naam bedrijf 1] verklaard dat dit was opgericht met het doel verdovende middelen te vervoeren. Gelet op dit alles concludeert de rechtbank dan ook dat het bedrijf [naam bedrijf 1] er niet op was gericht om legale handelsactiviteiten uit te voeren.

De twee containers met bananen ( [containernummer 2] en [containernummer 1] ) zijn op 22 december 2016 in Colombia op het schip geladen. Met betrekking tot deze containers vindt vervolgens intensief contact plaats via onder meer de PGP telefoons.

Een eerste bericht wordt op 26 december 2016 aan de PGP telefoon van [naam medeverdachte 1] gestuurd. Het bericht bevat de volgende informatie “Cont numbet [containernummer 2]”.

De dag erna wordt vanaf dezelfde afzender het bericht gestuurd “ik zal daar op 5 januari zijn zodat we alle cijfers samen kunnen doen” en “maar we hebben nu van jou minstens 130,000 in contanten nodig deze week, help me met dat bedrag” en “we zullen nog een paar containers sturen totdat je onze speciale container eruit haalt, daarna zullen we stoppen met sturen anders zal dat vreemd lijken”. De rechtbank merkt daarbij op dat 5 januari 2017 de dag is dat de boot met de container [containernummer 2] in Antwerpen is aangekomen en dat een aankomstbericht van 6 januari 2017 van Maerks aan [naam bedrijf 1] op de telefoon van [naam medeverdachte 1] is aangetroffen.

Dan blijkt uit de gesprekken dat er een probleem is opgetreden. Op 9 januari 2017 om 16:56 uur wordt het volgende bericht gestuurd. “Maat, kun je naar Rotterdam komen. We hebben een groot probleem. Zij geven de container niet. Morgen om 10 zullen ze controleren met de politie. Heeft iemand getipt? Wat is er verdorie aan de hand. Maat kun je een tip geven”.

Diezelfde dag, 9 januari 2017, omstreeks 18.00 uur ontvangt [naam bedrijf 1] een mail van de Belgische autoriteiten, te weten de FAVV , dat de twee containers met de nummers [containernummer 2] en [containernummer 1] gecontroleerd gaan worden op 10 januari 2017 om 10.00 uur. Opvallend is dat een foto van dit bericht in de telefoon van [naam medeverdachte 1] is aangetroffen.

Naar aanleiding van dat bericht ontstaan er zorgen over de containers. Er wordt op 10 januari 2017 om 1:53 uur geschreven “laten we bidden”, “Als ze alles zouden controleren, zouden ze x ray doen, weest gerust”, “Zit achter, hoop dat ze niet alles controleren”, “Oke, Dus word nu afwachten en hopen dat die niet voor in de lading zit”. Even later wordt er nogmaals geschreven “10 uur in de ochtend” en “wnr word gecontroleerd” en weer iets later “ik doe me best. Ik was zo happy, we gingen ophalen. Alles was ok. Aan de deur mochten we ineens niets meer meenemen. Vaag. Misschien dat het tegen de ochtend verandert. Kijk uit, kom niet te dicht in de buurt of val niet op”.

Rond de middag op 10 januari 2017, en derhalve na de vermeende controle van 10 uur, schrijft [naam medeverdachte 1] aan [naam verdachte] : “[naam nickname] , proberen jullie maar opnieuw om het nu er uit te krijgen. Als zij het weer niet afgeven, laat het dan weten”. Hierop antwoordt [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 1] dat “[naam eigenaar bedrijf 1] – de rechtbank begrijpt dat hiermee [naam eigenaar bedrijf 1] als eigenaar van [naam bedrijf 1] wordt bedoeld - is opgeroepen om hierheen te komen”. Hierbij wordt een naam genoemd van [naam hoofdcommissaris] , Hoofdcommissaris van de federale politie te Antwerpen.

Op 16 januari 2017 spreken [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] over een afspraak met een advocaat die navraag moet doen naar de containers. [naam medeverdachte 1] zegt dan “Laat hen vertellen wat er is gebeurd. Dat hij zich bezig houdt met normale handel. En zij moeten kenbaar maken dat zij willen weten waar de kwestie over gaat”.

Dat de zoektocht naar de containers nog lang doorgaat, blijkt uit de conversatie van 24 januari 2017. Die dag wordt geschreven “maat, ik heb geen idee wat er is gebeurd. Dat is echt een slechte situatie” en “maat, waar ben jij. Ik moet je ontmoeten. Want ik word gek. Ik was bij de advocaat, we hebben 5-6 plaatsen gebeld. Niemand weet wat er is gebeurd” en “Wat is er aan de hand man”.

Diezelfde dag stuurt [naam verdachte] het bericht aan [naam medeverdachte 1] “de documenten heb ik aan de Nederlandse markan gegeven. Morgenochtend ga ik [naam eigenaar bedrijf 1] naar de haven brengen. Als er geen info komt van daar, breng ik hem naar de politie. Hij kan dan zich melden en zeggen de kont is zoek, waar zijn deze”. De rechtbank begrijpt hieruit dat de container zoek is en er overwogen wordt om [naam eigenaar bedrijf 1] als eigenaar van [naam bedrijf 1] een melding bij de politie te laten doen.

Weer iets later schrijft [naam medeverdachte 1] aan [naam verdachte] “Joh [naam nickname] , is het zo moeilijk om dit te weten te komen. Geeft Maersk geen gehoor wanneer die wordt gebeld. Wat zeggen deze. Favv zegt zo’n email hebben we niet gestuurd en er is ook geen controle (geweest). Wat is dit nou [naam nickname] . Ik kom zo daarheen”. Even later schrijft hij nog “Waar zou deze vervloekte ‘cont’ zijn”. De rechtbank begrijpt hieruit dat onderzoek is gedaan naar het Belgische e-mail bericht van 10 januari 2017 en is ontdekt dat deze, zoals ook door de Belgische autoriteiten is gemeld, niet vanuit de FAVV is gestuurd.

Op 25 januari 2017 wordt een Franstalige brief aan [naam eigenaar bedrijf 1] gestuurd, waarin de Belgische Federale Politie hem uitnodigt contact op te nemen in verband met het aantreffen van verboden handelswaar tijdens een controle van AFSCA- FAVV . Een foto van deze brief is in de telefoon van [naam medeverdachte 1] aangetroffen. Na onderzoek bleek dit een valse brief te zijn, die niet door de Belgische Politie is verstuurd.

Op 27 januari 2017 wordt er dan nog een bericht gestuurd met de nummers van de bill of lading en de daarop vermelde onderhavige containernummers:

[containernummer 3]

[containernummer 2]

[containernummer 1]

Over hetgeen met de bananen uit de containers is gebeurd, heeft de getuige [naam getuige 2] verklaard. Hij heeft verteld dat [naam verdachte] begin januari 2017 een bananentransport voor hem had. De bananen waren bijna niet goed meer, maar [naam getuige 2] wist nog wel een koper in Roemenië. Hij is vervolgens samen met [naam verdachte] vanuit Rotterdam naar een dorpje (vlak) over de Belgische grens gereden waar drie containers stonden. Eén container was al gelost, de lading bananen lag al in de loods. Deze bananen zijn teruggegaan in de container. Omdat de container nog niet helemaal vol was, is een deel van de lading van de tweede container overgeladen. De derde container was leeg. [naam getuige 2] heeft daarover verklaard dat normaliter de containers vol zijn. Voorts heeft hij verklaard dat hij beide containers naar Roemenië heeft gebracht, waarbij de opbrengst van de tweede container slechts de transportkosten kon dekken.

Na de aanhouding van [naam medeverdachte 1] in februari 2017 zijn er gesprekken tussen hem en zijn broer [naam medeverdachte 4] in de penitentiaire inrichting opgenomen. In het OVC gesprek van 18 april 2017 is daarop het volgende te horen. [naam medeverdachte 1] : “Wanneer ik later vrij kom, is mijn leven in gevaar. Als ik vrij ben, zullen de Colombianen naar mij komen, zullen zij mij voor verantwoordelijk houden! Ze hebben het ook gelijk. Ze hebben het tot het einde toe gelijk”. Weer iets later zegt [naam medeverdachte 1] : “Abi, 1300 stuks…1300 stuks…ik heb al het geld er in geïnvesteerd. Hij heeft voor mijn eind gezorgd” en “vooral het geld dat ik heb verloren, dat wil ik niet eens tellen. Af en toe probeer ik te tellen he…oh, wat ik uit mijn zak heb betaald…oh, ik schrik van de bedragen. Niemand weet het maar”.

De hoeveelheid “1300” komt ook terug in de verklaring die de schoonvader van [naam verdachte] , getuige [naam betrokkene 7] , heeft afgelegd. Hij heeft verklaard “dat er mensen met hem wilden praten. Hierop is hij naar de [naam cafe] gegaan. Hier waren in totaal vier personen aanwezig, waarvan één van hen zei dat hij een Colombiaan was. Deze man zou hebben gezegd dat [naam verdachte] 25 miljoen moet geven. Hij zei dat er 1300 kilo cocaïne in bananen was gestopt. 600 kilo daarvan was van [naam betrokkene 8] uit [plaatsnaam 2] en 700 kilo daarvan was van hem. Die 700 kilo zou 14 miljoen waard zijn. Met die 600 kilo van [naam betrokkene 8] zouden zij niets te maken hebben zei die Colombiaan. In totaal zou die 1300 kilo 25 miljoen waard zijn. Het zou met bananen hierheen gekomen zijn. [naam verdachte] zou volgens die Colombiaan met enkele mensen het spul zich toegeëigend hebben en niet meer terug gegeven hebben. Ze willen geld van [naam verdachte] en dan zouden ze [naam betrokkene 7] niet meer lastig vallen. [naam verdachte] zou een week de tijd krijgen om 14 miljoen euro te betalen.

Gelet op de inhoud van voornoemde PGP en OVC-gesprekken, trekt de rechtbank de conclusie dat wordt gesproken over de containers [containernummer 2] en [containernummer 1] . De nummers van deze containers worden ook daadwerkelijk genoemd in een context waarin uit de inhoud van de berichtgeving blijkt dat men kennelijk beducht is voor controle en ook voor x-ray, dus voor het scannen van de lading in de containers. Dat het daarbij niet om de lading bananen in die containers ging, maar om een verborgen “bijproduct”, blijkt wel uit het feit dat dat voor de bananen pas later een koper is gezocht en deze uiteindelijk in slechte staat naar Roemenië zijn vervoerd. Volgens [naam getuige 2] kon de opbrengst slechts de transportkosten dekken. De factuur van deze lading is gedateerd op 13 januari 2017. Hieruit blijkt dat het vervoer van de bananen naar Roemenië al had plaatsgevonden, terwijl er in de PGP gesprekken nog steeds werd gesproken over de vermiste containers. Dat het “bijproduct” 1300 kilo cocaïne is geweest, volgt uit de gesprekken die zijn gevoerd op de dagen nadat de container is aangekomen in de Antwerpse haven op 5 januari 2017. Vanaf dat moment is men druk doende geweest met het achterhalen van de containers en is er veelvuldig contact geweest met Maersk. In die periode wordt ook de valse oproeping vanuit de Belgische autoriteiten verspreid, waarin wordt gesproken over het aantreffen van verboden handelswaar in de containers. Tevens wordt door [naam medeverdachte 1] gesproken over 1300 stuks die weg zijn en wordt tegen de getuige [naam betrokkene 7] (door [naam medeverdachte 5] ) letterlijk gezegd dat er 1300 kilo cocaïne is zoekgeraakt. Tot slot betreft het een container uit Colombia, een gebied waarvan bekend is dat er op grote schaal cocaïne wordt geproduceerd. Kortom, gelet op de inhoud van deze gesprekken, de deelnemers aan de gesprekken, de periode waarin de gesprekken hebben plaatsgevonden en het feit dat de verdachten hiervoor geen aannemelijke verklaring hebben weten te geven, zijn deze bewijsmiddelen voor geen andere uitleg vatbaar dan dat het gaat om de tenlastegelegde invoer van 1300 kilo cocaïne, zodat de rechtbank dit feit bewezen zal verklaren. Het verweer inhoudende dat er mogelijk helemaal geen cocaïne in het schip geladen is geweest, maar dat sprake is geweest van oplichting door personen in Colombia, is gelet op bovenstaande eveneens niet aannemelijk geworden. Dat verweer wordt dan ook verworpen.

Is er sprake van invoer?

De verdediging heeft voorts betoogd dat wanneer al vastgesteld kan worden dat er cocaïne in het schip heeft gezeten, niet kan worden bewezen dat dit nog aanwezig was toen het schip aankwam in de haven te Antwerpen. Derhalve is geen sprake van “binnen het grondgebied van Nederland brengen” als bedoeld in de Opiumwet. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier kan op geen enkele wijze blijken dat de cocaïne op enig ander moment voorafgaand aan binnenkomst in de haven van Antwerpen uit het schip is gehaald. De PGP gesprekken laten juist een ander beeld zien; pas na de aankomst van het schip in Antwerpen wordt er gesproken over de bewuste containers en (problemen met betrekking tot) het leeghalen er van. Op 10 januari 2017 wordt onder meer geschreven “Ik was zo happy dat we gingen ophalen, maar aan de deur mochten we ineens niets meenemen” en “Ik probeer te stelen, maar ze laten me niet binnen”. Iets later die dag wordt geschreven “[naam nickname] , proberen jullie maar opnieuw om het nu er uit te krijgen”. Vervolgens ontstaat er paniek als blijkt dat de containers zoek zijn. Dit betekent dat de containers mét de cocaïne in Antwerpen werden verwacht en aldaar - en dus niet op een andere plaats dan Antwerpen - zouden worden leeggehaald. Voor wat betreft de invoer in Nederland in geval van doorvaart door/over de Westerschelde, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij eerder heeft overwogen in het dossier Bakovens.

Is er sprake van medeplegen?

Uit de hiervoor weergegeven omstandigheden en de inhoud van de gesprekken blijkt dat de verdachten deze feiten in nauwe en bewuste samenwerkingen hebben begaan. Uit de inhoud van de PGP communicatie, de OVC-gesprekken en de verklaring van [naam getuige 1] blijkt dat zowel [naam medeverdachte 1] als [naam verdachte] een eigen rol en aandeel hadden in het geheel, maar dat beide verdachten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de voorbereidingshandelingen tot en de invoer van 1300 kilo cocaïne.

Conclusie

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een dermate bewuste en nauwe samenwerking, dat bewezen is dat [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de invoer van in totaal ruim 1300 kilogram cocaïne in Nederland en de voorbereidingshandelingen daartoe.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij in de periode 7 februari 2017 tot en met 21 februari 2017 te [plaatsnaam 1] en te Rotterdam en op de Westerschelde en over Nederlandse territoriale waterentezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van in totaal ongeveer 1131,7 kilogram heroïne en/morfinezijnde heroïne en/ morfine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst Ilijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 december 2016 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en op/ via de Westerschelde en over Nederlandse territoriale wateren,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (ongeveer) 1300 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 april 2016 tot en met 21 februari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, , om een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,

immers /hebben verdachte en/zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar toen en daar opzettelijk:

- een of meer perso(o)n(en) een of meer bedrijf/bedrijven en bankrekening(en) laten oprichten/openen en op naam laten zetten;

- ( een) deklading(en) (bananen) geregeld/laten regelen;

- zorggedragen voor het vervoer van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

2. primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

3: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander, gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

7.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft subsidiair, indien de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk acht, aangevoerd dat sprake is van een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel op basis waarvan [naam verdachte] heeft gehandeld met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten. Als gevolg daarvan dient ontslag van rechtsvervolging te volgen ten aanzien van alle feiten.

Meer subsidiair heeft de verdediging nog aangevoerd dat als er geen sprake is van een onbevoegd ambtelijk gegeven bevel, [naam verdachte] met zijn handelen het beoogde doel van de overtreden strafbepaling heeft gediend, door het wegtippen van de container met heroïne/morfine. In dat geval ontbreekt de materiële wederrechtelijkheid, waardoor [naam verdachte] dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor feit 1.

7.2.

Beoordeling

Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel

Hiervoor is al uitgebreid stilgestaan bij de vraag of aan [naam verdachte] bepaalde toezeggingen zijn gedaan. De rechtbank heeft deze vraag negatief beantwoord.

Het bovenstaande in combinatie met hetgeen is overwogen onder het kopje incitement/entrapment brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet is gebleken dat [naam verdachte] door [naam betrokkene 2] en/of de Belgische of de Nederlandse politie en justitie toezeggingen zijn gedaan, en dat evenmin is gebleken van concrete feiten en omstandigheden op basis waarvan [naam verdachte] in redelijkheid kon verwachten dat er door [naam betrokkene 2] toezeggingen gedaan zouden kunnen worden die neerkomen op volledige immuniteit van strafvervolging ter zake van twee gevallen van (zeer) grootschalige invoer van harddrugs. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Ontbreken van materiële wederrechtelijkheid

[naam verdachte] heeft samen met anderen handelingen verricht die waren gericht op het tot stand brengen van een heroïnetransport naar Nederland. De heroïne en morfine zijn verstopt in de twee bakovens die waren bestemd voor zijn bedrijf. De bakovens met drugs zijn ingeladen in een container en zijn ingescheept in Iran. Uit de OVC-gesprekken leidt de rechtbank af dat [naam verdachte] daar een wezenlijke rol in heeft gehad, en met dat doel naar Iran is gereisd. De aldus beladen container is vervoerd naar Antwerpen. [naam verdachte] is tot zijn vertrek begin februari 2017 doorgegaan met zijn werkzaamheden binnen de ondernemingen [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 1] . De enkele omstandigheid dat [naam verdachte] aan de Belgische politie informatie heeft verstrekt die heeft geleid tot controle van de container en vervolgens de ontdekking van de grote partij heroïne/morfine, maakt nog niet dat de wederrechtelijkheid komt te ontvallen aan zijn strafbare gedrag. De wetgever heeft door de regelingen van 44a Wetboek van Strafrecht in samenhang met die van afdeling 4B van titel III van boek II van het Wetboek van Strafvordering de kaders aangegeven waarbinnen een situatie als gesteld door [naam verdachte] behoort te worden opgelost. Dat [naam verdachte] niet heeft gekozen voor een van de mogelijkheden die hem door het TBG zijn aangereikt, heeft uiteraard niet tot gevolg dat zijn handelen straffeloos is geworden.

7.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [naam verdachte] uitsluit. Hij is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, op zeer professionele wijze bezig gehouden met de zeer grootschalige invoer van ruim 1130 kilo heroïne/morfine en 1300 kilo cocaïne. Dergelijke grootschalige invoer staat steeds aan de basis van verdere verspreiding van deze zeer schadelijke stoffen, en veroorzaakt daardoor een veelvoud aan andere strafbare feiten. Het gaat daarbij niet alleen om andere Opiumwetmisdrijven, maar ook om ernstige geweldsmisdrijven en, bij de (eind)gebruikers, verwervingscriminaliteit. Voor verslaafden/gebruikers heeft gebruik van harddrugs niet zelden sociaal ontwrichtende gevolgen en kan het lichamelijke en psychische schade veroorzaken.

De rechtbank ziet zich bij de bepaling van de strafmaat gesteld voor de vraag op welke manier de handelwijze van de verdachte met betrekking tot feit 1 primair op de dagvaarding moet worden gewogen.

De rechtbank gaat, zoals al eerder vermeld in dit vonnis, er van uit dat de verdachte aan de Belgische politie in die mate informatie heeft verschaft over het transport met bakovens uit Iran dat hierdoor deze zeer grote partij heroïne en morfine is ontdekt. Door dit handelen van verdachte is deze partij onttrokken aan de criminele (groot)handel in zeer schadelijke harddrugs en is de verdere verspreiding ervan naar (uiteindelijk) verslaafden verhinderd. Verdachte heeft zich in deze zaak bekend gemaakt als verstrekker van informatie aan de politie, een omstandigheid die de verdachte door andere betrokkenen niet in dank is afgenomen, met mogelijk ernstig nadelige gevolgen voor verdachte en zijn gezin en, mogelijk, verdere familie. Deze bijzondere omstandigheid wordt door de rechtbank bij het bepalen van de uiteindelijke strafmaat in strafmatigende zin meegewogen. De rechtbank zal twee jaar in mindering brengen op de gevangenisstraf die zij anders voor de bewezen verklaarde feiten zou hebben opgelegd.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank verder acht geslagen op straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de onder 1 t/m 13 in beslag genomen goederen. De officier van justitie heeft ten aanzien van de onder 15 t/m 29 in beslag genomen goederen gevorderd deze terug te geven aan de verdachte.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3.

Beoordeling

De onder de nummers 1 t/m 13 in beslag genomen goederen zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren toe aan de verdachte. De bewezen feiten zijn met behulp van deze voorwerpen begaan en voorbereid.

Ten aanzien van de onder 15 t/m 29 in beslag genomen goederen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 t/m 3: 1 t/m 13

- gelast de teruggave aan verdachte van: 15 t/m 29.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en S. Jordaan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode 7 feb 2017 tot en met 21 feb 2017 te [plaatsnaam 1]

en/of te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse

territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer

1131,7 kilogram heroïne en/of opium en/of morfine, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of opium en/of morfine,

zijnde heroïne en/of opium en/of morfine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode 7 feb 2017 tot en met 21 feb 2017 te [plaatsnaam 1]

en/of te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse

territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft vervoerd,ongeveer 1131,7 kilogram heroïne en/of opium en/of

morfine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne

en/of opium en/of morfine, zijnde heroïne en/of opium en/of morfine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode 7 feb 2017 tot en met 21 feb 2017 te [plaatsnaam 1]

en/of te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via Nederlandse

territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1131,7 kilogram heroïne en/of opium

en/of morfine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

heroïne en/of opium en/of morfine, zijnde heroïne en/of opium en/of morfine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december

2016 tot en met 31 januari 2017 te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde

en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer

plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(ongeveer) 1300 kilogram, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

Een of meer tot op heden onbekend gebleven personen, op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 31

januari 2017 te Rotterdam en/of op/via de Westerschelde en/of over/via

Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaats(en) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht,

althans opzettelijk heeft/hebben afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,

(ongeveer) 1300 kilogram, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

bij het plegen van welk bovenomschreven feit verdachte opzettelijk behulpzaam

is geweest en/of tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk

gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

opzettelijk in of omstreeks de periode van 11 april 2016 tot en met 31 januari

2017:

- het bedrijf [naam bedrijf 1] heeft opgericht en/of laten oprichten om als

dekmantel te fungeren/dienen voor het invoeren/binnen het grondgebied van

Nederland brengen van die cocaïne;

-een of meer betaling(en) heeft (laten) verricht(en) ten behoeve van het

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne);

- zorggedragen voor het vervoer van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne

en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 48 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

art 2 ahf/ond A Opiumwet

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 2016

tot en met 21 februari 2017 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van

de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van

een of meer hoeveelheden cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft /hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in

vereniging met elkaar toen en daar opzettelijk:

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne);

- een of meer perso(o)n(en) een of meer bedrijf/bedrijven en/of

bankrekening(en) laten oprichten/openen en/of op naam laten zetten;

- ( een) deklading(en) (bananen) geregeld/laten regelen;

- zorggedragen voor het vervoer van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne

en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen;

art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

1 Het gaat om een grote partij pakketten, die steekproefsgewijs nader is onderzocht op (exacte) chemische samenstelling. Hierna in de bewijsmiddelen wordt hier nader aandacht aan besteed. Waar de rechtbank hierna schrijft over “heroïne en morfine” doelt zij op de aangetroffen partij drugs in de container met bakovens in Antwerpen, tenzij anders wordt vermeld.

2 De rechtbank laat hierbij voor de overzichtelijkheid de bevoegdheid van art. 126x Sv buiten beschouwing, van toepassing van die bevoegdheid is immers in het geheel niet gebleken.

3 Zie noot 1.