Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:862

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
10/751059-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan mensensmokkel. Dubbel opzet, zowel op het behulpzaam zijn als (al dan niet voorwaardelijk) op de mensensmokkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/751059-17

Datum uitspraak: 7 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

Raadsman mr. S. Meeuwsen, advocaat te Gorinchem.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte wordt verweten dat hij behulpzaam is geweest bij een wederrechtelijke doorreis van vreemdelingen door Nederland. Bij een dergelijke doorreis dient er echter sprake te zijn van een grensoverschrijding. Niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de personen die hij vervoerde op enig moment (wederrechtelijk) een grens zouden overschrijden. Gelet op het ontbreken van die wetenschap dient de verdachte vrijgesproken te worden.

4.1.2.

Vaststaande feiten

De verdachte, woonachtig in [woonplaats verdachte] , wordt door de medeverdachte [naam medeverdachte 1] op 24 april 2017 gevraagd om diezelfde avond een aantal mensen van Den Haag naar Rotterdam te brengen. De verdachte krijgt van [naam medeverdachte 1] een adres in Den Haag. Vanaf dat adres rijden vervolgens de verdachte en twee andere auto’s met personen naar een bedrijventerrein in Rotterdam. De verdachte heeft een aantal personen in zijn auto. Aangekomen bij het bedrijventerrein, tegen 24:00 uur, heeft de verdachte tot 05.30 uur daar met die mensen in zijn auto gewacht. In de tussenliggende periode heeft de verdachte meermalen telefonisch contact met [naam medeverdachte 1] . Om 00:14 uur vertelt de verdachte aan [naam medeverdachte 1] dat er twee mensen voor hem bij het bedrijf staan. [naam medeverdachte 1] adviseert hem om zijn lampen uit te zetten. Om 00:35 uur waarschuwt de verdachte [naam medeverdachte 1] om niet naar hem toe te komen omdat hij tegenover een beveiligingsbedrijf geparkeerd staat. In hetzelfde gesprek meldt de verdachte dat de locatie niet goed is en dat hij zich zal gaan verplaatsen. Om 01:28 uur vertelt [naam medeverdachte 1] dat de verdachte onopgemerkt naar buiten moet komen omdat er burgers zijn. Om 03:14 uur vertelt [naam medeverdachte 1] dat hij op het bedrijventerrein een vrachtwagen heeft geparkeerd en dat hij een busje gaat regelen om de mensen allemaal in die bus het bedrijventerrein op te rijden. Vervolgens meldt [naam medeverdachte 1] dat hij twee pallets heeft ingeladen en dat ze binnen een half uur klaar zullen zijn. Als de verdachte om 05:05 uur belt naar [naam medeverdachte 1] om te vragen hoe lang het nog duurt, vertelt [naam medeverdachte 1] dat hij nog tien tot vijftien minuten nodig heeft voordat de verdachte naar binnen kan komen. Zover komt het echter niet. Om 05.30 uur is de verdachte op aanwijzing van [naam medeverdachte 1] met de twee personen in zijn auto naar een woning in Den Haag gereden. Daar zijn deze twee personen uitgestapt. De politie heeft die woning later in de ochtend betreden en heeft daar tien vreemdelingen met de Vietnamese nationaliteit aangetroffen. Geen van hen had een verblijfsstatus in Nederland of identiteitspapieren.

4.1.3.

Beoordeling

Het voorgaande in samenhang bezien met de verklaring van de verdachte dat hij al vroeg na aankomst bij het bedrijventerrein door had dat er iets niet in de haak was en dat hij een fout had begaan, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wist dan wel had kunnen weten dat de doorreis van de personen in zijn auto wederrechtelijk was. De rechtbank volgt de verdachte niet in zijn verklaring dat hij uitsluitend bezig was met het vervoeren van personen, zonder dat hij wist dat hij zich daarmee schuldig maakte aan mensensmokkel. De verdachte wist waar hij deze passagiers naar toe moest brengen, een niet toeristische locatie. De verdachte heeft niet gevraagd naar paspoorten en/of andere verblijfsdocumenten, terwijl op het oog duidelijk was dat de passagiers niet uit Nederland afkomstig waren. Als hij wel om documenten had gevraagd, zou hem zijn gebleken dat die ontbraken. Verder kan het voor de verdachte niet aannemelijk zijn geweest dat zij om die tijd per taxi een reis naar een bedrijventerrein in Rotterdam wilden maken voor een verblijf aldaar met bijvoorbeeld een toeristisch of zakelijk doel. Bovendien moest de verdachte urenlang wachten bij het bedrijventerrein. Een beoogde doorreis naar het buitenland lag zeer voor de hand, te meer nu hij wist dat zijn passagiers vanaf die locatie met een ander vervoermiddel verder zouden worden vervoerd. Deze doorreis is overigens al aangevangen bij het vervoer van de te smokkelen personen door Nederland. Dat deze personen nog niet op hun waarschijnlijke eindbestemming waren gearriveerd en dus niet (opnieuw) een grens zijn gepasseerd, doet aan het behulpzaam zijn bij het plaatsvinden van die illegale doorreis door Nederland niet af.

4.1.4.

Conclusie

Het ten laste gelegde wordt bewezen verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

[naam medeverdachte 1] en ander(en) in of omstreeks de periode van 19 april tot en met 23 april 2017 te 's-Gravenhage en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, 10 (tien) personen onder wie 5(vijf) minderjarigen, met de Vietnamese nationaliteit,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van doorreis door, en

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland terwijl die [naam medeverdachte 1] en diens mededader(s) (telkens) wist(en) dat die doorreis en dat verblijf wederrechtelijk was, immers hebben die [naam medeverdachte 1] en ander(en) tezamen en in vereniging,

- contact onderhouden met en instructies gegeven aan /gekregen van één of meer mededader(s) betreffende het vervoer en/of verblijf van bovengenoemde personen, en

- bovengenoemde personen vervoerd / laten vervoeren door Nederland, en

- bovengenoemde personen onderdak geboden, en

- georganiseerd/laten organiseren dat een koelwagen en chauffeur beschikbaar waren om fruit te laden en (vervolgens) bovengenoemde personen te vervoeren, en

- bovengenoemde personen vervoerd/laten vervoeren naar de locatie waar fruit in een koelwagen geladen zou worden,

(aldus) het verblijf in Nederland en de doorreis door Nederland van die genoemde personen georganiseerd en gecoördineerd en gefaciliteerd,

tot en/of bij welk feit hij, verdachte, omstreeks 23 april 2017 te 's-Gravenhage en Rotterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte samen met (een)(of meer) ander(en),

(enkelen van) bovengenoemde personen met de Vietnamese nationaliteit vervoerd door Nederland.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplichtigheid aan het tezamen en in vereniging met één of meer anderen een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van doorreis door Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die doorreis wederrechtelijk is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan mensensmokkel door mensen te vervoeren binnen Nederland en hen beschikbaar te houden voor verdere smokkel. Bij mensensmokkel worden mensen die, om wat voor reden dan ook, hun land willen verlaten op illegale wijze naar een ander – veelal westers – land vervoerd. De smokkelaars maken daarbij misbruik van de afhankelijkheid van deze personen, door voor het transport uit winstbejag (veel) geld te vragen. De internationale georganiseerde smokkel van vreemdelingen is een fenomeen dat afbreuk doet aan de waardigheid van de mens omdat de mens daarbij slechts als handelswaar wordt gezien waarmee geld te verdienen valt. De verdachte heeft zijdelings bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit en aldus aan genoemde onwenselijke activiteiten. Ook wordt hierdoor het beleid van de Nederlandse overheid om een gereguleerd asielbeleid te voeren – als onderdeel waarvan politieke vluchtelingen kunnen worden opgevangen – ondermijnd.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

3 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege de beperkte rol van de verdachte. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderd twintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 118 (honderd achttien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 59 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en E.B.J. van Elden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

[naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of (een) ander(en) in of omstreeks de periode van 19 april tot en met 23 april 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland, en/of België en/of Frankrijk tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, 10 (tien) personen onder wie 5 (vijf) minderjarige(n), in elk geval één of meer perso(o)n(en) met de Vietnamese nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die perso(o)n(en) met de Vietnamese en/of Syrische nationaliteit (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was, immers hebben die [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of (een) ander(en) tezamen en in vereniging, althans alleen,

- contact onderhouden met en/of instructies gegeven aan / gekregen van één of meer mededader(s) betreffende het vervoer en/of verblijf van bovengenoemde perso(o)n(en), en/of

- bovengenoemde perso(o)n(en) vervoerd / laten vervoeren van Frankrijk / België naar Nederland en/of door Nederland, en/of

- bovengenoemde perso(o)n(en) onderdak geboden, en/of

- georganiseerd/laten organiseren dat een koelwagen en/of chauffeur beschikbaar waren om fruit te laden en (vervolgens) bovengenoemde perso(o)n(en) te vervoeren, en/of

- bovengenoemde perso(o)n(en) vervoerd/laten vervoeren naar de locatie waar fruit in een koelwagen geladen zou worden, (aldus) het verblijf in Nederland en/of het transport en de doorreis door Nederland en/of België en/of Frankrijk van die genoemde perso(o)n(en) georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd,

terwijl als gevolg hiervan levensgevaar voor een ander, te weten voornoemde 10 (tien), althans één of meer perso(o)n(en) met de Vietnamese nationaliteit, te duchten was,

tot en/of bij welk feit hij, verdachte, op of omstreeks 19 spril 2017 tot en met 23 april 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft, immers heeft hij, verdachte samen met (een)(of meer) ander(en), althans alleen,

(enkelen van) bovengenoemde personen met de Vietnamese nationaliteit vervoerd door Nederland.