Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8509

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
10/651016-18 en 10/110687-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tzv inbraak, poging tot inbraak en meerdere diefstallen. Weerlegging verweer vormverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/651016-18 en 10/110687-18

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

naar eigen opgave zonder woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Nu de afzonderlijk tegen de verdachte aangebrachte strafzaken op de terechtzitting van

29 juni 2018 zijn gevoegd, zal de rechtbank de feiten doornummeren als waren zij tenlastegelegd op één dagvaarding, te weten: 1, 2 (parketnummer 10/651016-18) en 3, 4, 5 en 6 (parketnummer) 10/110687-18.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair (parketnummer 10/651016-18), 3, 4 primair, 5 primair en 6 (parketnummer 10/110687-18) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Vrijspraak

Ten aanzien van feit 3 (parketnummer 10/110687-18)

4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 3 (parketnummer 10/110687-18) ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 3 (parketnummer 10/110687-18) tenlastegelegde feit. De raadsman heeft daartoe het volgende bepleit.

Primair: onherstelbaar vormverzuim

Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering nu van de verdachte een foto is gemaakt zonder een rechtsgeldige grondslag (pagina 181 van het proces-verbaal [proces-verbaalnummer 1] ).

Om die reden moet bewijsuitsluiting volgen.

Subsidiair: ondeugdelijke/twijfelachtige herkenning verdachte

Aan de aangeefster is twee keer een soortgelijke foto van de verdachte getoond, waarbij sprake is van een ondeugdelijke herkenning.

Op grond van het voorgaande kan dit feit niet wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3.

Beoordeling

Formele verweer, onherstelbaar vormverzuim

Dit verweer zal buiten bespreking worden gelaten, nu de bedoelde foto niet voor het bewijs van dit feit of één van de andere tenlastegelegde feiten wordt gebruikt en daarop ook overigens geen acht zal worden geslagen.

Ondeugdelijke/twijfelachtige herkenning verdachte

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen enkel stuk bevat waarmee de aanwezigheid van verdachte op de plaats van het delict ten tijde van de straatroof op 11 mei 2018 kan worden vastgesteld. Uit het dossier blijkt niet dat de regels voor een deugdelijke en zorgvuldige fotoconfrontatie zijn nageleefd. Zo zijn aan de aangeefster twee gelijksoortige foto’s van de verdachte getoond. Daarnaast is het door de aangeefster gegeven signalement van de dader summier en niet volledig passend op de verdachte. De rechtbank merkt hierbij op dat zijn opvallend lange en magere postuur niet wordt genoemd.

Voorts biedt de verklaring van de medewerker van bakkerij “ [naam bakkerij] ” en diens herkenning van de voorbijlopende verdachte als de dader waarover twee anoniem gebleven getuigen verklaren, in combinatie met de weinig gedetailleerde beschrijving van deze getuigen zelf over hetgeen zij hebben waargenomen, te veel ruimte voor twijfel aan de herkenning van de verdachte als de dader van de gepleegde straatroof. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Feiten 1 en 2 primair (parketnummer 10/651016-18)

5.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van beide feiten bepleit. Hij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat de herkenningen van de verdachte op de camerabeelden van de kapperszaak op de [adres delict 1] te Rotterdam door de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] (processen-verbaal van bevindingen [proces-verbaalnummer 2] en [proces-verbaalnummer 3] ) niet betrouwbaar zijn, zodat daaraan geen bewijswaarde kan worden gehecht. De verdachte heeft verder een alibi voor de nacht waarin de feiten hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van het aantreffen van zijn DNA in een handschoen die is gevonden in de directe nabijheid van de plaats delict van het onder 2 tenlastegelegde feit, heeft hij een aannemelijke verklaring afgelegd.

5.1.2.

Beoordeling

In de nacht van 1 januari 2018 heeft een poging tot woninginbraak plaatsgevonden aan de [adres delict 2] te Rotterdam, en een voltooide inbraak in een kapperszaak op de [adres delict 1] . De inbraak in de kapperszaak is omstreeks 2:55 uur gepleegd, en de poging woninginbraak is tussen 3:40 uur en 4:05 uur gepleegd.

De aangever van feit 2, [naam slachtoffer 1] , hoorde omstreeks 3:40 uur in de genoemde nacht breekgeluiden. Hij zag dat er een man bij de achterdeur van zijn woning stond, hoorde stemmen in de tuin en zag en hoorde één of meerdere personen over de schutting klimmen. De politie was snel ter plaatse en gezamenlijk hebben ze geconstateerd dat de achterdeur vermoedelijk geforceerd was. Vervolgens zijn ze naar de brandgang achter zijn woning gelopen, waar een grijze wollen handschoen werd aangetroffen tussen de houten schuttingdelen van aangevers tuin. De binnenzijde van de handschoen is bemonsterd en door het Nederlands Forensisch Instituut is geconstateerd dat dit spoor overeenkomt met het DNA van de verdachte, waarbij de matchkans wordt beschreven als kleiner dan één op één miljard. Het dossier bevat foto’s waarop te zien is dat er personen naast de schutting staan en over de schutting klimmen. Een van de personen heeft een koevoet in zijn hand. Op een van de foto’s is een van de verdachten te zien, gekleed in een lichte jas met een opvallend donkere rits.

De inbraak bij de kapperszaak heeft kort voorafgaand aan dit incident plaatsgevonden op 140 meter afstand van de woning aan de [adres delict 2] . In het dossier bevinden zich screenshots van de camerabeelden bij de kapperszaak. Op grond van de eigen waarneming van de rechtbank wordt vastgesteld dat de screenshots van de camerabeelden van voldoende kwaliteit en voldoende duidelijkheid zijn om als basis voor herkenning te dienen. De persoon op de screenshots, daarop aangeduid als verdachte 2, komt namelijk voldoende zichtbaar met zijn gezicht in beeld. De rechtbank heeft op de zitting waargenomen dat de uiterlijke kenmerken van de persoon die op de screenshots wordt aangeduid als verdachte 2 overeenkomen met de uiterlijke kenmerken van de verdachte op de zitting en dan met name de opvallend zware wenkbrauwen, de haarlijn, het lange gezicht en het korte baardje. Dat de verdachte op die beelden, anders dan op de zitting, geen bril draagt, vindt de rechtbank niet doorslaggevend en geeft geen reden om aan de geconstateerde gelijkenis te twijfelen.

Verder heeft de rechtbank waargenomen dat de jas die de genoemde verdachte op de genoemde screenshots draagt een opvallende gelijkenis vertoont met de jas die een van de verdachten draagt, zoals die hierboven wordt beschreven bij de poging woninginbraak.

De hierboven beschreven omstandigheden in combinatie bezien leiden ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is die zich schuldig heeft gemaakt aan een inbraak en aan een poging daartoe zoals onder 1 en 2, primair is tenlastegelegd. Behalve de herkenning van de verdachte op beelden van beide feiten in samenhang met het gevonden DNA speelt daarbij de nabijheid van plaats en tijd in de nachtelijke uren van deze feiten een rol.

5.1.3.

Conclusie

Het onder 1 en 2 primair (parketnummer 10/651016-18) ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

5.2.

Feiten 4 en feit 5 (parketnummer 10/110687-18)

Bij de insluitingsfouillering van de verdachte op 5 juni 2018 zijn door de verbalisanten meerdere betaalpassen, creditcards en OV-chipkaarten in de tas van de verdachte aangetroffen. Deze betaalpassen en creditcards stonden onder meer op naam van de aangevers [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 7] .

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft verklaard dat hij de genoemde (bank)passen heeft gevonden. Op de beschikbare camerabeelden die samenhangen met de tenlastegelegde diefstallen van goederen en geld van [naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 6] zijn geen onderscheidende details te zien van het signalement van de dader. De verbalisant herkent de verdachte steeds aan zijn bril en/of aan zijn kleding, maar dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring. Bovendien blijkt niet uit het dossier hoe lang de verdachte de pasjes in zijn bezit heeft gehad vanaf het moment dat de pasjes zijn gestolen, dan wel dat daarmee na de diefstal contactloos is gepind. Van de diefstal van de (bank)pas(sen) van [naam slachtoffer 7] is alleen een aangifte beschikbaar. De verdachte moet daarom van de diefstallen van de goederen, dan wel het geld van de genoemde personen worden vrijgesproken.

5.2.2.

Bewijsoverwegingen

[naam slachtoffer 2]

De verdachte heeft de diefstal van de bankpas van [naam slachtoffer 2] op 5 juni 2018 bekend (eerste gedachtenstreepje 4 primair (parketnummer 10/110687-18)). De bankpas is volgens de aangever tussen 9.15 en 9.45 gestolen. De verdachte herinnert zich niet dat hij met de gestolen bankpas contactloos geld heeft gepind. In het dossier bevinden zich bankafschriften van [naam slachtoffer 2] waaruit blijkt dat er met zijn bankpas, kort na het wegnemen daarvan door de verdachte, contactloos is gepind bij [naam winkel] . In het dossier bevindt zich een proces-verbaal waarin de politie de camerabeelden beschrijft van deze pintransacties; aan dat proces-verbaal zijn screenshots van de beelden toegevoegd. Aan de hand van de camerabeelden is de verdachte door de politie herkend als degene die met de bankpas contactloos heeft gepind op die tijden waarop onrechtmatig gebruik is gemaakt van de bankpas van [naam slachtoffer 2] .

Gelet op het korte tijdsbestek tussen het wegnemen van deze bankpas en het gebruik daarvan om contactloos te pinnen en de omstandigheid dat de verdachte bij de insluitingsfouillering op dezelfde dag in het bezit was van de bankpas, is het hoogst onwaarschijnlijk dat een ander dan de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van een geldbedrag middels het contactloos pinnen met de bankpas van [naam slachtoffer 2] . De rechtbank acht daarom ook dit deel van de tenlastelegging bewezen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen.

[naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 7]

Het verweer dat de verdachte de overige bankpassen die bij de insluitingsfouillering bij hem zijn aangetroffen, heeft gevonden, is door zijn bekennende verklaring ten aanzien van het wegnemen van de bankpas van [naam slachtoffer 2] onaannemelijk.

Deze verklaring is op zichzelf al onwaarschijnlijk vanwege de hoeveelheid passen en de omstandigheid dat de verdachte over de omstandigheden waaronder en het tijdstip waarop hij die passen heeft gevonden niet kan verklaren, maar wordt daarnaast weerlegd door de modus operandi (werkwijze). Met de weggenomen bankpassen wordt kort na de diefstal daarvan contactloos gepind. Het gaat daarbij steeds om het meermalen pinnen van kleine bedragen.

Het voorgaande, in combinatie met de herkenning van de verdachte als degene die onder andere bij [naam winkel] heeft gepind met de gestolen bankpas van [naam slachtoffer 2] , is voldoende onderbouwend voor de vaststelling dat de verdachte degene is geweest die de bankpassen heeft weggenomen en ook dat hij degene is geweest die vervolgens met de bankpassen van [naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 7] heeft gepind.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de camerabeelden die zich in het dossier bevinden van de mogelijke dader van de diefstallen niet op gespannen voet staan met het voorgaande. Alhoewel niet alle screenshots van de camerabeelden even duidelijk zijn, zou de verdachte de persoon kunnen zijn die op die beelden te zien is, gelet op het postuur, de houding en de huidskleur van degene die op de beelden te zien is.

De enkele omstandigheid dat er niet met de bankpas van [naam slachtoffer 6] contactloos is gepind leidt niet tot een ander oordeel over deze diefstal. De aangeefster heeft verklaard dat zij onmiddellijk nadat zij de diefstal had ontdekt haar betaalpassen heeft geblokkeerd.

5.2.3.

Conclusie

De onder feit 4 primair en feit 5 primair (parketnummer 10/110687-18) tenlastegelegde feiten zijn wettig en overtuigend bewezen.

5.3.

Feit 6 (parketnummer 10/110687-18)

5.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van dit feit. De verdachte ontkent en bovendien is de verdachte niet herkenbaar op de camerabeelden en daarop is ook niet te zien dat de laptop (door hem) wordt weggenomen. De verdachte heeft op de zitting van 26 september 2018 verklaard dat hij tegen zijn moeder heeft gezegd dat hij de laptop had weggenomen om van haar gezeur af te zijn.

5.3.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer onder verwijzing naar de bewijsmiddelen die mede bestaan uit verklaringen van getuigen uit de omgeving van de verdachte, en elkaar over en weer versterken in de conclusie dat de verdachte ter plaatse was op het moment dat de laptop is weggenomen. Deze conclusie vindt voorts steun in de eigen verklaring van de verdachte tegenover zijn moeder dat hij de laptop had weggenomen en verkocht.

5.3.3.

Conclusie

Het onder feit 6 (parketnummer 10/110687-18) tenlastegelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.

5.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(Parketnummer: 651016-18)

hij

op 1 januari 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in een pand, gelegen aan de [adres delict 1]

heeft weggenomen geld (250 euro of daaromtrent) en een mobiele pinautomaat toebehorende aan [naam slachtoffer 8] ,waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en dat weg te nemen geld en

goed onder hun bereik hadden gebracht door middel van braak en inklimming;

2.

(Parketnummer 651016-18)

hij

op 1 januari 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen

misdrijf om in een woning, gelegen aan de [adres delict 2]

geld en/of (een) goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders

toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] , weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die

weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel

van braak en inklimming

- over een schutting van genoemde woning is geklommen en

- met een breekvoorwerp een deur van genoemde woning heeft

getracht open te breken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op één of meer tijdstippen

in of omstreeks de periode van 24 mei 2018 tot en met 05 juni 2018

te Rotterdam meermalen, telkens

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en geld, toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, :

- een mobiele telefoon en een pashouder, inhoudende (onder meer) één of

meer (bank)pas(sen) en

(vervolgens) één of meer geldbedragen) middels contactloos pinnen) dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2] , en

- een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone) en een portemonnee,

inhoudende (onder meer) een identiteitskaart en geld (3,50 euro of

daaromtrent) en één of meer (bank)pas(sen) en

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 3] , en

- een creditcard en een bankpas en

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen)

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 4] , en

- een pashouder, inhoudende (onder meer) een rijbewijs en een bankpas

en

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen)

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 5] ;

5.

hij op één of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 01 juni 2018 tot en met 04 juni 2018

te Rotterdam meermalen, telkens

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en geld, toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden:

- een rugtas, inhoudende (onder meer) een mobiele telefoon en een paspoort

en een rijbewijs en een sleutelbos en een bankpas en een creditcard,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 6] , en

- één of meer (bank)pas(sen) en

(vervolgens) één of meer geldbedragen middels contactloos pinnen,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 7] ;

6.

hij op 27 januari 2018 te Rotterdam

in een (school)pand, gelegen aan de [adres delict 3]

een laptop (merk/type Apple Macbook), die aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 9] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 (parketnummer 10/651016-18)

Diefstal, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2 (parketnummer 10/651016-18)

Poging tot diefstal, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

4 (parketnummer 10/110687-18)

Diefstal, meermalen gepleegd;

5 (parketnummer 10/110687-18)

Diefstal, meermalen gepleegd;

6 (parketnummer 10/110687-18)

Diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een inbraak in een kapperszaak en aan een poging tot woninginbraak in de nacht.

In de kapperszaak zijn twee deuren geforceerd waarna de verdachte en zijn medeverdachte de zaak hebben doorzocht op zoek naar goederen van hun gading.

Tijdens de poging tot woninginbraak bevonden de bewoners zich in de woning met hun nog jonge kinderen. Dit moet een bijzonder beangstigend moment zijn geweest.

Door aldus te handelen heeft verdachte noch respect getoond voor andermans eigendom, noch voor de persoonlijke leefomgeving van anderen. Daarnaast heeft hij schade aan beide panden en overlast veroorzaakt.

Een (poging tot) (woning)inbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Daarbij komt dat een woning bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een groot aantal diefstallen van (met name) bankpassen, mobiele telefoons en geldbedragen. Hij heeft met het plegen van deze feiten geen rekening gehouden met de schade, hinder en ergernis die hij aan anderen toebrengt. De verdachte heeft in – onder meer – een opslagruimte van een restaurant, een kleedkamer van een restaurant, bij het Leger des Heils en in een schoolgebouw goederen weggenomen. Ook heeft hij meerdere gestolen bankpassen gebruikt om contactloos te pinnen. In het schoolgebouw was hij te gast op een feestje en bij het buurtsteunpunt van het Leger des Heils kwam hij vaker langs. Deze feiten geven blijk van een geraffineerde, brutale en schaamteloze werkwijze en zorgen voor veel financiële schade en overlast bij de gedupeerden.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 september 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Psycholoog drs. A.M.I. Peelen, gz-psycholoog, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 23 juli 2018. De verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het psychologisch onderzoek. Op basis van de korte indrukken ziet de onderzoeker kenmerken van de eerder bij de verdachte vastgestelde ADHD in zijn kindertijd en bestaat het vermoeden dat de verdachte op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert.

Het Leger des Heils, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 juni 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is een thans 19-jarige man bij wie ten aanzien van zijn sociaal-maatschappelijke situatie diverse problemen waarneembaar zijn. De verdachte verblijft wisselend bij zijn moeder, heeft geen zinvolle dagbesteding en geen inkomen. Zoals in eerdere reclasseringsrapportages reeds werd beschreven, toont de verdachte weinig inzicht in zijn persoonlijkheid en cognitieve vermogens. De verdachte laat weten dat hij weinig heil ziet in hulpverleningstrajecten. De verdachte is echter al op diverse afspraken met de reclassering niet verschenen en lijkt vooral zijn eigen voorwaarden te willen bepalen. Enerzijds kan een strafrechtelijk kader bijdragen aan verandering in de persoonlijke situatie van de verdachte, maar anderzijds heeft het reeds opgelegde reclasseringstoezicht (zowel schorsing als voorwaardelijke veroordeling) hem er niet van weerhouden opnieuw met justitie in aanraking te komen. De verdachte loopt nog in de proeftijd van een eerder opgelegde straf. Omdat dit toezicht (10.041396-18) nog maar net van de grond is, lijkt het adviseren en opleggen van een nieuw toezicht niet van meerwaarde. Kijkend naar verdachtes problemen, zijn (ontkennende) houding, zijn aanhoudende justitiecontacten en zijn onvermogen en/of onwil om zijn problemen aan te pakken, wordt de kans op recidive ingeschat als gemiddeld. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De reclassering adviseert de zaak te behandelen volgens het volwassenenstrafrecht. Ondanks de jonge leeftijd van betrokkene, in combinatie met (aanwijzingen voor) een benedengemiddeld intelligentieniveau, lijkt hij weinig tot niet ontvankelijk voor hulpverlening. Daarbij komt dat de verdachte zich grotendeels heeft onttrokken aan het gezinssysteem, niet beschikt over een zinvolle dagbesteding en hij tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw wordt verdacht van het plegen van een nieuw strafbaar feit. Geadviseerd wordt om het volwassenstrafrecht toe te passen.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Adolescentenstrafrecht

Door de raadsman van de verdachte is betoogd dat, gelet op de persoon van de verdachte en diens beperkte intelligentie, aansluiting moet worden gezocht bij het adolescentenstrafrecht en dat bij een bewezenverklaring, het jeugdstrafrecht van toepassing zou moeten zijn.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het jeugdstraf- en procesrecht heeft een pedagogisch karakter met als algemeen uitgangspunt het voorkomen van recidive.

Het pedagogische karakter volgt uit de mogelijk inzetbare interventies gericht op een positieve gedragsbeïnvloeding van de jeugdige. De verdachte volgt al jaren geen opleiding meer en is niet ontvankelijk voor pedagogische beïnvloeding noch voor hulpverlening, zoals ook is beschreven in het advies van de reclassering. De rechtbank acht ondanks diens jonge leeftijd en lage intelligentieniveau, evenals de reclassering, toepassing van het jeugdstrafrecht op de verdachte daarom niet opportuun.

Straf

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 3 (parketnummer 10/110687-18), zal de rechtbank bij de straftoemeting afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Voor een taakstraf naast een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. Gezien de ernst en de veelheid van de feiten, die ergerlijk en van overlastgevende aard zijn met veel financiële schade voor de gedupeerden, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De verdachte loopt nog in de proeftijd van een eerdere veroordeling ter zake waarvan reclasseringstoezicht is opgelegd. De verdachte heeft zich hierdoor er niet van laten weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Oplegging van een nieuw voorwaardelijk strafdeel heeft dan ook geen enkele toegevoegde waarde zodat de rechtbank zal volstaan met oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9 Vorderingen benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregelen

[naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] , ter zake van het onder feit 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,- aan materiële schade (inhoudende de niet vergoede schade betreffende het eigen risico).

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het onder feit 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 250,- aan materiële schade (inhoudende de niet vergoede schade betreffende de gouden ketting).

[naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] , ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.261,04 aan materiële schade (ten behoeve van twee I-phones, een nieuwe id/paspoort, nieuwe OV-chipkaart, gepind geld) en een vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade, totaal € 3.261,04.

De benadeelde partij heeft bij haar mondelinge toelichting op de vordering op de zitting van 26 september 2018 verklaard dat de door haar opgevoerde kostenpost voor vergoeding van een I-phone 8 plus ziet op de kosten van de telefoon die zij heeft gekocht ter vervanging van de gestolen telefoon.

[naam benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 4] , ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 50,45 aan materiële schade (ten behoeve van de nieuwe aanvraag van OV-chipkaart en rijbewijs) en een vergoeding van € 100,- aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 4] integraal dienen te worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] kan toegewezen worden tot een bedrag van € 1.172,04 als vergoeding van materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum.

De door de benadeelde partij [naam benadeelde 3] opgevoerde vergoeding van een Iphone 8 plus moet worden afgewezen. De door haar gevorderde immateriële schade dient te worden beperkt tot een bedrag van € 500,-.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen c.q. de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen gelet op het betoog tot vrijspraak. Verder moet de door [naam benadeelde 3] opgevoerde schadevergoeding voor de I-phone 8 plus worden afgewezen.

De eventuele vergoeding van immateriële schade moet aanzienlijk worden beperkt.

9.3.

Beoordeling

[naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 4] en [naam benadeelde 3]

Materieel

Vast is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij:

- [naam benadeelde 1] door het onder 1 (parketnummer 10/651016-18) bewezen verklaarde strafbare feit,

- [naam benadeelde 4] door het onder 4 (parketnummer 10/110687-18) bewezen verklaarde strafbare feit,

rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde vergoedingen van materiële schade komen de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, terwijl deze niet voldoende gemotiveerd zijn weersproken. De vorderingen ten aanzien van de materiële kosten zullen daarom integraal worden toegewezen.

Vast is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] door het onder 4 (parketnummer 10/110687-18) bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. De kosten van de I-phone 8 plus staan niet in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen. De overige gevorderde materiële kosten komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, terwijl deze niet voldoende gemotiveerd zijn weersproken. De vorderingen ten aanzien van de materiële kosten zullen daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 1.172,04.

De vordering wordt ten aanzien van het meer of anders gevorderde afgewezen.

Immaterieel

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 3] en [naam benadeelde 4] die zien op vergoeding van immateriële schade afwijzen nu aan de vereisten voor toewijzing daarvan niet voldaan is.

Wettelijke rente

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de pleegdatum van het delict.

[naam benadeelde 2]

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Kosten

Nu de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zal zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 4] en [naam benadeelde 3] , geheel dan wel gedeeltelijk zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij:

- [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018;

- [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van € 1.172,04 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2018;

- [naam benadeelde 4] , een schadevergoeding betalen van € 50,54 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2018.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

[naam benadeelde 2] :

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding van [naam benadeelde 2] geen inhoudelijke beslissing genomen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 (parketnummer 10/110687-18) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 primair (parketnummer10/651016-18), 4 primair, 5 primair en 6 (parketnummer 10/110687-18) ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

de vorderingen benadeelde partij:

[naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 500,- (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 500,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

[naam benadeelde 3]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 1.172,04 (zegge: elfhonderdtweëenzeventig euro en vier eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 1.172,04 (hoofdsom zegge: elfhonderdtweëenzeventig euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.172,04 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

[naam benadeelde 4]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 50,54 (zegge:vijftig euro en vierenvijftig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 50,54 (hoofdsom zegge: vijftig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 50,54 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

[naam benadeelde 2]

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. K.A. Baggerman en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt het volgende ten laste gelegd

1.

(Parketnummer: 651016-18)

hij

op of omstreeks 01 januari 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in/uit een pand, gelegen aan de [adres delict 1]

heeft weggenomen geld (250 euro of daaromtrent) en/of een mobiele pinautomaat,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 8] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld en/of

goed(eren) onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

(Parketnummer 651016-18)

hij

op of omstreeks 01 januari 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 2]

geld en/of (een) goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] ,

weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die

weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel

van braak en/of verbreking en/of inklimming

- over een schutting/tuinhek van genoemde woning is geklommen en/of

- ( vervolgens) (met een breekvoorwerp) een deur van genoemde woning heeft

getracht open te breken / te forceren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

opzettelijk en wederrechtelijk

een deur en/of deurpost en/of deurslot, in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te

weten aan [naam slachtoffer 1] toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(Aangifte [naam slachtoffer 10] )

hij op of omstreeks 11 mei 2018 te Rotterdam

op de openbare weg, te weten de Nieuwe Binnenweg, althans een openbare weg,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een gouden/goudkleurige halsketting, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [naam slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld

en / of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( onverhoeds) die [naam slachtoffer 10] bij de keel/hals vastpakken en/of

- ( vervolgens) (onverhoeds) (met kracht) de halsketting van de hals van die

[naam slachtoffer 10] rukken/trekken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

(Aangiften [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] )

hij op één of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 24 mei 2018 tot en met 05 juni 2018

te Rotterdam

meermalen, althans éénmaal (telkens)

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen

rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en

wel:

- een mobiele telefoon en/of een pashouder, inhoudende (onder meer) één of

meer (bank)pas(sen) en/of

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 2] , en/of

- een mobiele telefoon (merk/type Apple Iphone) en/of een portemonnee,

inhoudende (onder meer) een identiteitskaart en/of geld (3,50 euro of

daaromtrent) en/of één of meer (bank)pas(sen) en/of

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 3] , en/of

- geld (250 euro of daaromtrent) en/of een creditcard en/of een bankpas en/of

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen)

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 4] , en/of

- een pashouder, inhoudende (onder meer) een rijbewijs en/of een bankpas

en/of

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen)

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 5] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 24 mei 2018 tot en met 05 juni 2018

te Rotterdam

(telkens) opzettelijk

- een bankpas op naam van [naam slachtoffer 2] , in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, en/of

- een bankpas op naam van [naam slachtoffer 3] , in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, en/of

- een bankpas en/of een creditcard (Bijenkorf) op naam van [naam slachtoffer 4] , in

elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, en/of

- een bankpas op naam van [naam slachtoffer 5] , in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte,

en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te

weten door vinding,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

5.

(Aangiften [naam slachtoffer 6] , [naam slachtoffer 7] )

hij op één of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 01 juni 2018 tot en met 04 juni 2018

te Rotterdam

meermalen, althans éénmaal (telkens)

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen

rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en

wel:

- een rugtas, inhoudende (onder meer) een mobiele telefoon en/of een paspoort

en/of een rijbewijs en/of een sleutelbos en/of een bankpas en/of een

creditcard,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 6] , en/of

- één of meer (bank)pas(sen) en/of

(vervolgens) één of meer geldbedrag(en) (middels contactloos pinnen),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer 7] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 01 juni 2018 tot en met 05 juni 2018

te Rotterdam

(telkens) opzettelijk

- twee, althans één of meer bankpas(sen) op naam van [naam slachtoffer 7] , in

elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 7] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, en/of

- een bankpas en/of een creditcard op naam van [naam slachtoffer 6] , in elk geval enig

goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte,

en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te

weten door vinding,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

6.

(Aangifte [naam slachtoffer 9] )

hij op of omstreeks 27 januari 2018 te Rotterdam

in/uit een (school)pand, gelegen aan de [adres delict 3]

een laptop (merk/type Apple Macbook), in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 9] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

art 310 Wetboek van Strafrecht