Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8508

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
10/811198-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met stiefdochter, ouder dan 12, jonger dan 16 jaar oud. Er is onvoldoende steunbewijs en de rechtbank kan de verklaring van het slachtoffer niet als voldoende bewijs accepteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdm

Team straf 2

Parketnummer: 10/811198-17

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.H.J.W. de Brouwer, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.H.M. Jager-Huijskens heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering alsmede oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel inhoudende een contactverbod met [naam slachtoffer] .

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De betrokkenheid van de verdachte bij beide feiten blijkt uit de aangifte van [naam slachtoffer] en haar verklaring vindt op specifieke punten steun in ander bewijsmateriaal. Hierbij verwijst de officier van justitie naar het verslag van het intakegesprek van [naam slachtoffer] bij “Yulius”, naar de verklaring van getuige [naam getuige] , de moeder van [naam slachtoffer] , naar de verklaring van de zus van de verdachte, die verklaart over soortgelijke handelingen die de verdachte bij haar heeft gepleegd en de verklaring van een meisje bij de scouting.

Voorts worden details uit de verklaring van [naam slachtoffer] bevestigd door de verdachte zelf, namelijk dat [naam slachtoffer] heeft gezien dat de verdachte masturbeerde op de bank, de schriftjes van [naam slachtoffer] die door haar moeder zijn afgepakt en het aantreffen van een naaktfoto van de verdachte.

4.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de feiten heeft ontkend. Daarnaast wordt de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam slachtoffer] betwist. De verklaring van [naam slachtoffer] staat bovendien op zichzelf en wordt niet ondersteund door ander bewijsmateriaal.

4.3.

Beoordeling

Aan de verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij in de tenlastegelegde periode de dochter van zijn toenmalige vriendin seksueel heeft misbruikt. De verdachte ontkent dat hij de tenlastegelegde handelingen heeft gepleegd. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van één getuige (in dit geval de aangeefster) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Een bepaalde mate van steunbewijs, in combinatie met die verklaring, kan echter voldoende wettig bewijs opleveren. De Hoge Raad is in de jurisprudentie uitdrukkelijk ingegaan op het bewijsminimum, het bewijs dat ten minste nodig is voor een veroordeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het overige gebruikte bewijsmateriaal voldoende steun dient te geven aan de verklaringen van de aangeefster. Anders is het de rechter verboden om tot een bewezenverklaring te komen. Wanneer die steun voldoende is heeft de Hoge Raad niet in het algemeen kunnen zeggen. Dat moet van geval tot geval, afhankelijk van de omstandigheden, worden beoordeeld.

De beslissing die de rechtbank thans in deze zaak moet nemen is dus niet of zij [naam slachtoffer] gelooft, maar of het dossier genoeg andere informatie bevat om [naam slachtoffer] ’s verklaring tot bewijs te nemen. Vindt haar verklaring voldoende steun in de overige stukken van het dossier?

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De stukken uit het dossier waarnaar de officier van justitie heeft verwezen versterken op onderdelen de betrouwbaarheid van de aangifte van [naam slachtoffer] , maar daarmee is nog geen inhoudelijk steunbewijs geleverd. Dat steunbewijs moet naar het oordeel van de rechtbank – los van de enkele verklaring van [naam slachtoffer] – wel zelfstandige betekenis hebben, dat wil zeggen: ook los van de verklaring van [naam slachtoffer] zelf enig bewijs vormen dat de verdachte de strafbare handelingen heeft gepleegd. De verklaring van de getuige [naam getuige] en hetgeen in het verslag van Yulius is vermeld naar aanleiding van vragen van de zedenpolitie zijn te zien als bronnen van informatie, maar om bewijs te vormen van wat er gebeurd zou zijn tussen de verdachte en [naam slachtoffer] hebben ze onvoldoende zelfstandige betekenis: zij zijn immers afkomstig uit één en dezelfde bron, namelijk de verklaringen van [naam slachtoffer] zelf. Over het ten laste gelegde kunnen genoemde bronnen niets meer vertellen dan wat zij daarover van [naam slachtoffer] hebben gehoord. De brieven van de zus van de verdachte en de verklaringen van de personen die de verdachte kennen via de scouting vormen in deze zaak geen voldoende steunbewijs omdat ze niet gaan over de handelingen die aan de verdachte worden verweten in contact met [naam slachtoffer] . Over hetgeen de verdachte is ten laste gelegd verklaren zij niet. Dat de verdachte zich heeft uitgelaten over het bestaan van dagboekjes en dat hij heeft verklaard dat [naam slachtoffer] heeft gezien dat hij heeft gemasturbeerd voor de televisie en dat zij een naaktfoto van hem heeft gezien, heeft evenmin rechtstreeks betrekking op de tenlastegelegde feiten.

Daarmee is er onvoldoende steunbewijs en kan de rechtbank de verklaring van [naam slachtoffer] niet als voldoende bewijs accepteren.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet wettig bewezen kan worden hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

4.4.

Conclusie

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5 Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van €38,79 aan materiële schade (bestaande uit reiskosten) en een vergoeding van €5.000,- aan immateriële schade.

5.1.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zal zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

5.2.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

6 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.A. Baggerman, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2015

tot en met 30 november 2016 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

(meermalen) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2002),

(een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige)

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam slachtoffer]

en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die

[naam slachtoffer] ;

(artikel 245 jo 248 Wetboek van Strafrecht)

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2015

tot en met 30 november 2016 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

(meermalen) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren,

te weten [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2002),

(een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige)

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- betasten en/of knijpen en/of zuigen en/of likken van/in/aan de borst(en)

en/of tepel(s) van die [naam slachtoffer] en/of

- betasten en/of likken van/aan de vagina van die [naam slachtoffer] en/of

- zich door die [naam slachtoffer] laten betasten en/of aftrekken van zijn, verdachtes,

penis;

(artikel 247 jo 248 Wetboek van Strafrecht)

art 247 Wetboek van Strafrecht