Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8448

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
10/750236-15 (vonnis ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ten aanzien van artikel 1 van de Wet op de kansspelen, wel veroordeling voor deelname aan criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750236-15

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

Tegenspraak

VONNIS (ontneming) (mk)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ) op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,

raadsman mr. M.J. Crombach, advocaat te Breda.

Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 en 27 maart 2018, 12 april 2018 en 26 september 2018.

Vordering

De officier van justitie heeft op 28 februari 2018 een vordering ingediend tot het vaststellen van het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft het voordeel geschat op € 45.000,=.

De rechtbank heeft veroordeelde heden in de strafzaak veroordeeld wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Dit vonnis is als bijlage aangehecht.

Op de zitting van 26 maart 2018 heeft veroordeelde verweer gevoerd tegen de vordering.

Strafbare feiten waarop de voordeelsberekening is gebaseerd

Blijkens aangehecht vonnis is de veroordeelde veroordeeld ter zake van:

1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de

veroordeelde zijn begaan.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van het hiervoor onder 1 vermelde strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.

Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op

€ 30.000,=.

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen.

1 Algemeen

Op grond van het vonnis in de strafzaak is in deze ontnemingsprocedure uitgangspunt dat veroordeelde is veroordeeld voor twee misdrijven: deelneming aan een criminele organisatie en handelen in strijd met de artikelen 1 en/of 30b Wok. De veroordeelde is veroordeeld voor illegaal wapenbezit, hetgeen echter niet relevant is voor deze ontnemingszaak.

Bij hetzelfde vonnis in de strafzaak zijn verdachte en de medeverdachten vrijgesproken van de concrete verdenkingen van overtreding van de artikelen 1 en/of 30b Wok. De ontneming kan dus niet (mede) haar grondslag vinden in overtreding van die voorschriften. De rechtbank beoordeelt de ontnemingsvordering daarom (uitsluitend) op de grondslag van deelneming aan een criminele organisatie.

1.2

Aan ontneming op grond van de deelneming aan een criminele organisatie staat niet in de weg genoemde vrijspraak van de verdenking van overtreding van de artikelen 1 en/of 30b Wok ECLI:NL:HR:2008:BD6046). In dit kader kan bovendien worden vastgesteld, zoals uit de bewijsmiddelen volgt en hierna nader zal worden bezien, dat veroordeelde feitelijk heeft gedeeld in de baten die zijn verkregen uit de door de criminele organisatie beoogde illegale activiteiten.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrijspraak van bedoelde concrete verdenkingen is terug te voeren op onduidelijkheid over het middel (speelautomaat of niet?), niet op het zonder vergunning faciliteren van gokactiviteiten in verschillende horecagelegenheden. Deze handelingen kunnen dan ook worden betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is verkregen door de deelneming aan de criminele organisatie. Dit staat niet op gespannen voet met de vrijspraak.

Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt over de vordering.

2 De vordering

De officier van justitie heeft de ontnemingsvordering gebaseerd op het ontnemingsrapport.

Uitgangspunt in het rapport is dat de vordering ziet op het voordeel dat in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk is behaald.

Op basis van de eigen verklaring van veroordeelde dat hij vanaf november 2014 maandelijks € 3.000,= van een medeverdachte ontving voor werkzaamheden in verband met het faciliteren van gokactiviteiten, is het voordeel door rapporteurs berekend op 15 maal € 3.000,= is € 45.000,=, waar tegenover geen kosten hebben gestaan voor de veroordeelde.

Op de zitting is als verweer aangevoerd dat de veroordeelde in het begin maar € 500,= of soms € 750,= kreeg en dat dit pas aan het einde is opgelopen tot € 3.000,= per maand, toen zijn werkzaamheden intensiever werden. Volgens veroordeelde heeft hij maximaal € 16.000 verdiend met zijn werkzaamheden.

De rechtbank stelt voorop dat de onderbouwing in het rapport in beginsel toereikend is. Zij acht echter voldoende aannemelijk dat veroordeelde bij aanvang van zijn werkzaamheden minder verdiende dan in een latere fase. De exacte omvang en groei van die inkomsten kan evenwel niet worden vastgesteld. Om die reden kan het verweer niet onverkort worden gevolgd. De rechtbank zal bij wijze van schatting en naar redelijkheid een correctie aanbrengen op het in het rapport berekende bedrag en uitgaan van een totaalbedrag van € 30.000 aan in aanmerking te nemen opbrengsten in de gehele periode.

Vaststelling van het te betalen bedrag

Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.

Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 30.000,= (zegge: dertigduizend euro);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 30.000,= (zegge: dertigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en S.N. Abdoelkadir, rechters,

in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 oktober 2018.