Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8427

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
6865409
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

all-in loon? Niet voldoende duidelijk gespecificeerd op loonstroken waaruit loon samengesteld was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2019/24
AR-Updates.nl 2018-1237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6865409 \ VZ VERZ 18-9871

uitspraak: 11 oktober 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vennootschap onder firma

Co-Pe Horeca,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster, tevens verweerster,

gemachtigde: mr. N.M.M. Asscheman,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaatsnaam],

verweerster, tevens verzoekster

gemachtigde: mr. G.C. Blom.

1 Het verloop van de procedure

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    de onder zaaknummer 6865409 \ VZ VERZ 18-9871 gegeven beschikking van 12 juli 2018 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de brief d.d. 25 juli 2018 houdende wijziging van verzoek/eis aan de zijde van [verweerster] , met één productie;

  • -

    de akte van uitlating inzake loonvordering, tevens reactie op wijziging verzoek aan de zijde van Co-Pe, ontvangen op 9 augustus 2018;

  • -

    de akte uitlaten met producties aan de zijde van [verweerster], ontvangen op 29 augustus 2018;

  • -

    de akte van uitlating inzake loonvordering, ontvangen op 18 september 2018.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

In navolging op voornoemde tussenbeschikking van 12 juli 2018 beoordeelt de kantonrechter de vordering van [verweerster] als volgt.

de vordering

2.2

[verweerster] heeft - na wijziging van eis - gevorderd bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, Co-Pe te veroordelen:

a. a) tot betaling aan haar van een bedrag ad € 3.283,63 aan vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen in de periode vanaf 1 juli 2014 tot 1 juni 2018 en een bedrag van € 3.713,84 aan achterstallige vakantiebijslag over de periode vanaf 1 juni 2014 tot en met 31 mei 2018, althans door de kantonrechter te bepalen bedragen, binnen 5 dagen na betekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over deze bedragen, althans een door de kantonrechter vast te stellen percentage, binnen 5 dagen na betekening van deze beschikking;

b) aan [verweerster] te verstrekken de bruto/netto salarisspecificaties met betrekking tot de te verrichten betalingen aan vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen en achterstallige vakantiebijslag op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag dat Co-Pe na het verstrijken van een termijn van 5 dagen na betekening van deze beschikking hieraan niet voldoet;

c) tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid, althans vanaf de datum van aanzegging aan de gemachtigde van Co-Pe d.d.

1 december 2017, althans vanaf het moment van het indienen van het verzoekschrift;

één en ander met veroordeling van Co-Pe in de proceskosten.

2.3

Aan dit verzoek heeft zij - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd:

[verweerster] ontving van Co-Pe geen vakantiebijslag en werd feitelijk nimmer in de gelegenheid gesteld om op vakantie te gaan onder doorbetaling van salaris. Indien [verweerster] vrij nam, dan kreeg zij over de vrije dagen geen loon uitbetaald. Daarnaast heeft [verweerster] over de periode vanaf 1 juni 2014 tot en met 31 mei 2018 de door Co-Pe aan haar verschuldigde vakantiebijslag niet, althans niet volledig, uitbetaald gekregen. Onder verwijzing naar het door Co-Pe overgelegde overzicht van salarisbetalingen over de periode vanaf 1 juni 2014 t/m 31 mei 2018 en aan de hand van berekeningen heeft [verweerster] geconcludeerd dat zij, rekening houdend met een nabetaling ad € 633,10 in mei 2015, nog aanspraak maakt op

€ 3.283,63 voor de niet genoten vakantie-uren en op € 3.713,84 aan achterstallige vakantiebijslag.

2.4

Het verweer van Co-Pe strekt tot afwijzing van de loonvordering van [verweerster]. Zij heeft daartoe het volgende – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – aangevoerd.

2.4.1

Uit artikel 5 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst blijkt dat uitdrukkelijk is afgesproken dat het overeengekomen salarisbedrag inclusief de uitbetaling van vakantie-uren en vakantiegeld is. Over het jaar 2014 heeft Co-Pe een te laag uurloon aan [verweerster] betaald, in die zin dat in dat uurloon niet het vakantiegeld en de vergoeding voor de vakantiedagen verdisconteerd waren. Co-Pe heeft in de periode vanaf juli 2014 tot en met april 2017 het vakantiegeld en de vergoeding voor de vakantie-uren niet gespecificeerd op de loonstroken, maar dit betekent niet dat zij deze niet heeft uitbetaald aan [verweerster]. Vanaf januari 2015 lag het uurloon van [verweerster] hoger dan het cao-loon én gold dat het uurloon inclusief het vakantiegeld en de vergoeding voor vakantiedagen was.

2.4.2

Voor wat betreft de periode vanaf juli 2014 t/m december 2014 heeft Co-Pe nabetalingen gedaan aan Co-Pe en bovendien heeft Co-Pe [verweerster] tijdens haar ziekteperiode meer loon betaald dan zij haar hoefde te betalen. [verweerster] heeft dus geen nadeel ondervonden van het all-in loon. Indien de vordering van [verweerster] voor toewijzing in aanmerking komt, doet Co-Pe een beroep op verrekening met het te veel betaalde loon.

de beoordeling

2.5

Ter beoordeling ligt de vraag voor of Co-Pe aan [verweerster] een all-in loon mocht betalen, en zo ja, of zij dat op correcte wijze heeft gedaan. Allereerst zal daarom het artikel worden aangehaald waaruit volgens Co-Pe de afspraak ten aanzien van een all-in loon blijkt. Vervolgens zal voor wat betreft de vakantiebijslag en de vakantie-uren beoordeeld worden of ervan uitgegaan mag worden dat deze reeds, als verdisconteerd in het uitgekeerde loon aan [verweerster], zijn voldaan

All-in loon?

2.6

Artikel 5 uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen luidt als volgt:

“Werknemer ontvangt een salaris volgens CAO (functie groep 1) door werkgever te voldoen aan het begin van iedere maand voor de maand ervoor. Vakantietoeslag, uitbetaalde vrije dagen en overige toeslagen zijn bij het salaris inbegrepen.”

Ten aanzien van deze bepaling stelt de kantonrechter voorop dat de inhoud daarvan onduidelijk is. De kantonrechter leidt uit de arbeidsovereenkomst af dat op de arbeidsovereenkomst de Horeca-cao, die gold op het moment van het aangaan van de arbeidsovereenkomst, van toepassing is verklaard op de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Raadpleging van deze cao leert niet dat conform deze cao een all-in loon wordt afgesproken, terwijl uit voornoemde bepaling blijkt dat partijen met elkaar zouden hebben afgesproken dat het loon van [verweerster] een zogenoemd all-in loon zou zijn. Hoe hoog het uurloon of het maandloon van [verweerster], inclusief en exclusief vakantietoeslag en vergoeding voor de vakantie-uren, zou zijn, blijkt niet uit deze bepaling.

vakantiebijslag

2.7

Met betrekking tot de vakantiebijslag wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 17 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag dient de vakantiebijslag in beginsel in de maand juni te worden uitgekeerd, maar mag van dit tijdstip worden afgeweken, zolang de uitbetaling ten minste eenmaal per kalenderjaar gebeurt. Dit betekent dat het voor Co-Pe toegestaan was om af te spreken dat de vakantiebijslag tegelijk met elke loonbetaling zou plaatsvinden. Echter, voor [verweerster] als werkneemster moet voldoende duidelijk zijn dat Co-Pe per loonbetaling ook de vakantiebijslag uitkeert, zodat de enkele afspraak dat de vakantietoeslag inbegrepen is in het salaris niet per definitie veelzeggend is. Op grond van artikel 7:626 BW alsmede op grond van goed werkgeverschap bestaat voor Co-Pe de verplichting een schriftelijke specificatie van het uitbetaalde loon te verstrekken aan [verweerster], waaruit duidelijk moet blijken waaruit het loonbedrag is samengesteld.

2.8

Ten aanzien van de periode vanaf juli 2014 tot april 2017 wordt als volgt overwogen. Uit geen van de overgelegde loonstroken uit die periode blijkt dat het vakantiegeld tegelijk met het maandelijkse loon werd uitbetaald. In haar laatste akte heeft [verweerster] nieuwe stellingen naar voren gebracht, erop neer komend dat voor [verweerster] duidelijk was dat zij een all-in loon ontving. De kantonrechter passeert deze stellingen echter op grond van het beginsel van hoor en wederhoor, nu [verweerster] niet in de gelegenheid is geweest hierop te reageren én Co-Pe voldoende gelegenheid heeft gehad deze standpunten eerder naar voren te brengen. Derhalve wordt het ervoor gehouden dat verder geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken zijn waaruit blijkt of kan worden afgeleid dat voor [verweerster] voldoende duidelijk was dat zij de vakantiebijslag bij iedere salarisronde ontving en waaruit haar loon was samengesteld. De enkele omstandigheid dat [verweerster] (vanaf 2015) een hoger uurloon ontving dan het basisuurloon conform cao, zoals Co-Pe heeft gesteld, betekent niet dat er daarom van moet worden uitgegaan dat de vakantiebijslag in dat hogere uurloon verdisconteerd was.

2.9

Ten aanzien van het loonstrookje uit april 2017 en de loonstroken die vervolgens volgden heeft [verweerster] – kort gezegd – gesteld dat daaruit afgeleid kan worden dat Co-Pe het uurloon ad € 11,12 ineens had opgesplitst, terwijl partijen een dergelijk all-in uurloon niet zijn overeengekomen. Volgens [verweerster] kon zij akkoord gaan met een uurloon ad

€ 11,12 exclusief vakantiebijslag en vergoeding voor de vakantiedagen. Co-Pe heeft daarop naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld waaruit geconcludeerd kan worden dat zij vanaf dat moment aan [verweerster] een all-in loon ad € 11,12 bruto mocht betalen, en dus heeft zij de kantonrechter er niet van overtuigd dat dat dat uurloon niet als basisuurloon exclusief vakantiebijslag en vergoeding voor de vakantiedagen mocht worden opgevat door [verweerster]. Hieruit volgt dat er in rechte niet van kan worden uitgegaan dat Co-Pe vanaf april 2017 de vakantiebijslag waar [verweerster] recht op had volledig aan haar heeft betaald.

2.10

In samenhang met het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, artikel 5 uit de arbeidsovereenkomst aan duidelijkheid te wensen overlaat brengt één en ander mee dat er niet van kan worden uitgegaan dat [verweerster] in de periode waar haar vordering op ziet de haar toekomende vakantiebijslag uitgekeerd heeft gekregen. Co-Pe heeft het door [verweerster] in haar akte van 25 juli 2018 gestelde bedrag aan achterstallige vakantiebijslag cijfermatig niet, althans onvoldoende, bestreden, zodat ervan wordt uitgegaan dat Co-Pe dat bedrag ad

€ 3.713,84 bruto nog aan [verweerster] verschuldigd is.

vakantiedagen

2.11

Ten aanzien van de loonwaarde voor de vakantiedagen wordt als volgt overwogen.

2.12

Ingevolge artikel 7:639 lid 1 BW behoudt een werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon en op grond van artikel 7:640 lid 1 BW kan de werknemer tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst geen afstand doen van zijn aanspraak op vakantie tegen schadevergoeding. Het doel van deze bepalingen is dat een werknemer daadwerkelijk vakantiedagen opneemt, vanwege de recuperatiefunctie van vakantiedagen. Het vooruitbetalen van de loonwaarde van de vakantiedagen draagt het risico in zich dat vakantiedagen niet worden opgenomen omdat inmiddels de middelen daartoe ontbreken.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 maart 2006 met betrekking tot de uitleg van artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG (van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd), waarin antwoord is gegeven op prejudiciële vragen, volgt dat artikel 7 van voornoemde richtlijn zich in beginsel verzet tegen opname van de loonwaarde van vakantiedagen in een all-in uurloon, maar zich er in beginsel niet tegen verzet dat bedragen die op transparante en begrijpelijke wijze als loon voor de minimale jaarlijkse vakantie in de zin van die bepaling in de vorm van uitkering in gedeelten, verspreid over het betrokken arbeidsjaar, worden uitbetaald samen met het loon voor verrichte arbeid, worden verrekend met het loon voor een bepaalde vakantie die de werknemer daadwerkelijk opneemt.

2.13

Hieruit leidt de kantonrechter af dat het betalen van een loon, waarin een vergoeding voor de (opgebouwde) vakantiedagen inbegrepen is, slechts toegestaan is, indien dit er niet aan in de weg staat dat de betreffende werknemer feitelijk vakantie opneemt én duidelijk gespecificeerd in de loonstroken vermeld staat welk gedeelte van het uitbetaalde loon de loonwaarde van de vakantiedagen behelst. In het onderhavige geval is hier geen sprake van geweest. [verweerster] heeft onweersproken gesteld dat zij feitelijk nimmer in de gelegenheid werd gesteld vakantie op te nemen en tussen partijen is niet in geschil is dat in ieder geval tot april 2017 uit de loonstroken niet bleek dat een gedeelte van het loon zag op de vakantiedagen. [verweerster] hoefde er daarom, ondanks de inhoud van voornoemd artikel 5 uit de arbeidsovereenkomst, niet van uit te gaan dat het loon dat zij van Co-Pe ontving een vergoeding voor de vakantiedagen behelsde. Ten aanzien van de periode vanaf april 2017 geldt dat Co-Pe, in het licht van het standpunt van [verweerster] zoals hierboven in rechtsoverweging 2.9 is aangehaald, haar stelling dat zij vanaf dat moment voldoende heeft uitbetaald aan [verweerster] ter zake van opgebouwde vakantie-uren, onvoldoende heeft onderbouwd. [verweerster] heeft dus alsnog recht op een vergoeding over de niet genoten vakantiedagen. De hoogte van het gevorderde bedrag voor de niet genoten vakantiedagen over de periode vanaf 1 juli 2014 tot 1 juni 2018 heeft Co-Pe cijfermatig niet, althans onvoldoende, bestreden, zodat ervan wordt uitgegaan dat [verweerster] nog een bedrag ad

€ 3.283,63 bruto over die periode aan vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen toekomt.

nabetalingen?

2.14

In reactie op het verweer van Co-Pe dat zij in juni 2015 een nabetaling van € 440,60 netto heeft gedaan aan [verweerster], die - zo begrijpt de kantonrechter - in mindering moet strekken op het toe te wijzen bedrag aan vakantiebijslag en vergoeding voor de niet genoten vakantie-uren, heeft [verweerster] gesteld dat zij dat bedrag niet heeft ontvangen.

2.15

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij contant een nabetaling ad € 440,60 netto heeft gedaan aan [verweerster], heeft Co-Pe een kwitantie overgelegd en gesteld dat de handtekening voor ontvangst op die kwitantie door [verweerster] is geplaatst. [verweerster] heeft betwist dat zij haar handtekening onder de kwitantie heeft geplaatst en gesteld dat zij vermoedt dat de handtekening vervalst is. De door Co-Pe in het geding gebrachte kwitantie betreft een onderhandse akte. Ingevolge artikel 159 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Thans levert de overgelegde kwitantie, vanwege de betwisting van [verweerster] op dit punt, derhalve geen bewijs op. Co-Pe, die er belang bij heeft dat vast komt te staan dat de handtekening onder de kwitantie door [verweerster] is geplaatst heeft niet verzocht een handtekeningdeskundige te benoemen of anderszins bewijs aangeboden van haar stelling dat [verweerster] de handtekening op de kwitantie heeft geplaatst. Mede gelet op het geringe geldelijke belang van deze handtekeningkwestie ziet de kantonrechter geen aanleiding ambtshalve een handtekeningenonderzoek door een deskundige aan partijen voor te stellen danwel Co-Pe tot nadere bewijslevering toe te laten. Er kan in rechte derhalve niet van worden uitgegaan dat Co-Pe in juni 2015 contant een nabetaling ad € 440,60 netto heeft gedaan.

2.16

Vast is komen te staan dat Co-Pe aan [verweerster] een nabetaling ad € 875,70 bruto heeft gedaan op 11 april 2017. Hoewel [verweerster] heeft gesteld dat zij niet akkoord ging met die betaling, heeft zij niet gesteld dat zij dat bedrag om die reden heeft terugbetaald aan Co-Pe. Ook heeft zij niet gesteld dat deze nabetaling niet in mindering dient te strekken op de toe te wijzen bedragen, terwijl niet is gebleken dat zij met die nabetaling reeds rekening heeft gehouden. Derhalve zal bepaald worden dat het betaalde bedrag ad 875,70 bruto in mindering strekt van de toe te wijzen bedragen.

verrekening?

2.17

De gegrondheid van het beroep op verrekening acht de kantonrechter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door Melching van de stelling dat sprake is (geweest) van te veel betaald loon, niet eenvoudig vast te stellen en wordt dan ook op grond van artikel 6:136 BW gepasseerd.

matiging?

2.18

Eerst in haar laatste akte heeft Co-Pe een beroep op matiging gedaan. Dit beroep wordt eveneens gepasseerd, omdat [verweerster] niet in de gelegenheid is geweest hierop te reageren.

toe te wijzen hoofdsommen

2.19

Gelet op het vorenstaande worden de gevorderde bedragen aan achterstallige vakantiebijslag en vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen van € 3.713,84 bruto respectievelijk € 3.283,63 bruto, berekend tot 1 juni 2018, toegewezen.

de wettelijke rente

2.20

De wettelijke rente wordt als onweersproken eveneens toegewezen.

de wettelijke verhoging

2.21

Gelet op de omstandigheden van het geval wordt de wettelijke verhoging over het achterstallige loon ex artikel 7:625 BW gematigd tot 10%.

de betalingstermijn

2.22

De kantonrechter ziet aanleiding de betalingstermijn te stellen op 30 dagen na de betekening van deze beschikking.

bruto-netto specificaties

2.23

De vordering tot het verstrekken van bruto-netto specificaties zal als onweersproken eveneens worden toegewezen. De daarbij gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat deze eerst verbeurd zal worden vanaf de eenendertigste dag na de betekening van deze beschikking en gemaximeerd zal worden op € 3.000,00. De kantonrechter ziet geen aanleiding het bedrag aan eventueel te verbeuren dwangsommen te vermeerderen met de wettelijke rente.

de proceskosten

2.24

Co-Pe wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Co-Pe om aan [verweerster] binnen dertig dagen na de betekening van deze beschikking tegen kwijting te betalen € 3.283,63 bruto aan vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen en € 3.713,84 bruto aan achterstallige vakantiebijslag berekend tot 1 juni 2018, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% in de zin van artikel 7:625 BW over deze bedragen en vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het aldus verhoogde bedrag vanaf de data der opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat het op 11 april 2017 door Co-Pe aan [verweerster] betaalde bedrag van € 875,70 bruto in mindering strekt van het totaal van voornoemde toegewezen bedragen;

veroordeelt Co-Pe om aan [verweerster] deugdelijke bruto-netto specificaties, waarin de in deze beschikking toegewezen bedragen aan achterstallige vakantiebijslag en vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen verwerkt zijn, te verstrekken, op straffe van een door

Co-Pe te verbeuren dwangsom van € 100,00 per dag, vanaf de eenendertigste na de betekening van deze beschikking, dat Co-Pe in gebreke blijft met voldoening aan deze veroordeling, met een maximum van € 3.000,00;

veroordeelt Co-Pe in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

757