Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8423

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
10.144059.17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

brandstichting woning, gevaar goederen en personen, verdachte verminderd toerekeningsvatbaar, first-offender, GS 6 mnd vw met bijzondere voorwaarden behandeling en begeleiding, en TS 240 urn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10.144059.17

Datum uitspraak: 28 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw P.C.E. van den Hoek, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 september 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en zich ambulant zal laten behandelen en hiernaast veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat er geen sprake is van opzettelijk brandstichten. Het opzet van de verdachte was gericht op het laten inzien bij haar partner dat zij zijn overspel zat was en dit wilde zij stoppen. Zij heeft daarom het lievelingsoverhemd van haar partner in brand gestoken. Dit overhemd stond voor haar symbool voor het gepleegde overspel. Er was op het moment dat zij het overhemd aanstak geen sprake van de wil om brand te veroorzaken, noch was er sprake van bewustzijn van de gevolgen van haar handelingen.

4.1.2.

Beoordeling en conclusie

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De verdachte heeft in haar woning het lievelingsoverhemd van haar man gepakt en hier de fornuisaansteker bijgehouden. Het overhemd vatte vlam en dit is overgeslagen naar de woning. De woning is hierna (bijna) volledig uitgebrand. De brand is overgeslagen naar de bovengelegen woning. Twee bewoners van de naastgelegen flat zijn met de ladderwagen van de brandweer van het balkon van hun woning gehaald. Hierna zijn zij naar het ziekenhuis gebracht, omdat zij rook hadden ingeademd. Meerdere bewoners van de flat hebben tijdelijk hun woning moeten verlaten.

De raadsvrouw bepleit dat het opzet van de verdachte niet gericht was op de gevolgen van het in brand steken van het overhemd, namelijk het uitbranden van het appartement, het uitslaan van de brand naar een andere woning en het daarmee veroorzaken van gevaar voor personen en goederen. Vast is komen te staan dat de verdachte wel opzet had op het in brand steken van het overhemd van haar man. Zij verklaart immers zelf dit doelbewust te hebben gedaan, omdat zij boos was op haar man en dit zijn lievelingsoverhemd was. Het causale gevolg hiervan was dat er brand ontstond in haar woning, die is overgeslagen naar een andere woning in de flat. Als gevolg hiervan is gevaar voor personen en goederen ontstaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft het opzet bij brandstichting niet te zijn gericht op het teweegbrengen van de gevolgen van het brand stichten. Dit is een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid. Het in dit geval in brand steken van het overhemd en het opzet van de verdachte hierop zijn voldoende voor het voltooide delict van brandstichting. Op grond hiervan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 29 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres delict] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, bij een kledingstuk (overhemd) gehouden, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en voornoemd kledingstuk geheel is verbrand, terwijl daarvan
-gemeen gevaar voor die woning en de in die woning en zich in de nabijheid van die woning bevindende goederen en zich in de nabijheid van die woning bevindende woningen, en
-levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in de nabijheid van die woning bevindende personen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft het overhemd van haar toenmalige partner in brand gestoken, omdat hij weer vreemd zou zijn gegaan. Ze was daar dusdanig boos over dat zij, toen zij het overhemd in de woning zag liggen, dit heeft gepakt en haar woede naar hem daarop heeft geuit door het in brand te steken.

De brand is overgeslagen naar de woning, die (bijna) volledig is uitgebrand en waarbij ook de bovengelegen woning schade heeft opgelopen. Hiernaast zijn bewoners van de naastgelegen woning met een ladderwagen van de brandweer uit hun woning gered. Zij zijn met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Meerdere bewoners van de flat hebben hun woning uit moeten vluchten en hebben hierna elders onderdak moeten zoeken omdat zij niet direct konden terugkeren naar hun woning.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

10 september 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

reclassering

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 1 augustus 2017. Dit rapport houdt onder andere in dat de reclassering denkt dat het recidiverisico voornamelijk samenhangt met de persoonlijke problematiek van de verdachte en haar onvermogen grenzen te stellen en voor zichzelf te zorgen. Op praktisch gebied kan de verdachte dit wel, op interpersoonlijk gebied niet. De reclassering indiceert hier begeleiding voor, in eerste instantie in een gedwongen kader zodat de zorg gemonitord kan worden en zij niet wederom kan vervallen in haar gedrag van het zorgen voor anderen, maar het niet zorgen voor zichzelf. De reclassering is van oordeel dat dit risico blijft bestaan als zij de hulp in een vrijwillig kader zou moeten aangaan.

Pro Justitia

Psycholoog A.C.J. Schrama heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

7 november 2017. Dit rapport houdt onder andere in dat niet gestaafd kan worden dat de verdachte psychotisch zou zijn, eerder is er sprake van een blinde woede die leidt tot een impulsdoorbraak, gericht op vernieling. Het lijkt de verdachte niet meer te lukken om in te zien wat de mogelijke gevaren van haar actie kunnen zijn. Het gebrek aan inzicht, de beperkte coping vaardigheden en gebrek aan nuance leiden er toe dat een juiste afweging niet meer plaatsvindt. Hierin spelen gevoelens van achterdocht, mogelijke vervormde waarneming en labiliteit een grote rol bij het verlies aan impulscontrole. Dit is reden om in overweging te geven het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen.

Geadviseerd wordt een ego-versterkende behandeling met aandacht voor het verwerven van coping vaardigheden. Dit kan er toe bijdragen dat zij meer zicht krijgt op haar eigen spanningsopbouw en eerder ‘aan bel kan trekken’.

Geadviseerd wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden als reclasseringstoezicht en ambulante behandeling bij de Palier op te leggen.

Zonder gedragsinterventies is er niet snel kans op recidive met betrekking tot brandstichting, wel bestaat de kans dat spanning opnieuw te hoog zal oplopen.


De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapportages.

Stichting Fivoor, deskundigenverklaring ter zitting

Ter zitting hebben mw. [naam deskundige 1] , psychiatrisch verpleegkundige, en

mw. [naam deskundige 2] , maatschappelijk werker, beiden werkzaam bij de Stichting Fivoor een toelichting gegeven op de reeds ingezette behandeling in het kader van de voorwaarden die zijn opgelegd bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. Zij begeleiden de verdachte inmiddels een jaar. De hulpverlening was tot nu toe vooral gericht op het verminderen van spanningen met het oog op de zwangerschap van de verdachte. Besproken is hoe de verdachte haar grenzen kan stellen en hoe zij zich moet uiten als zaken anders lopen dan gewenst. Er zijn gesprekken gevoerd over de relatie van de verdachte en haar kinderen. Hiernaast kwamen allerlei praktische problemen naar voren. Huisvesting en financiën zijn zeer problematisch. Door deze problemen is de spanning nog altijd hoog en is ook het risico op recidive hoog. Belangrijk is dat er stabiliteit komt in het leven van de verdachte.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psycholoog worden gedragen door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in verband waarmee zij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat de verdachte inmiddels bezig is aan een hulpverleningstraject gericht op een sterkere persoonlijkheid en het daardoor verminderen van het recidivegevaar. Detentie zou dit traject doorbreken, terwijl dit traject juist van belang is ter voorkoming van recidive. Daarbij komt dat de verdachte de zorg heeft voor drie kleine kinderen.

In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, worden de maximale taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht en de rechtbank die noodzaak onderschrijft, zullen in het kader van de voorwaardelijke straf de hierna te noemen voorwaarden worden op gelegd. De voorwaardelijke straf dient er toe de ernst van het feit te benadrukken en dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden,

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij Bouman GGZ, afdeling reclassering, gedurende de proeftijd zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt en zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering haar geeft;

- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling (blijven) stellen van de stichting Fivoor, of soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als deze instelling in overleg met de reclassering verantwoord vindt, tevens zal de verdachte zich in het kader van deze behandeling houden aan de aanwijzingen die deze instelling haar geeft;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van

de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 236 (tweehonderdzesendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 118 (honderdachttien) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Laukens, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. van der Drift-Visser, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 29 juli 2017 te Capelle aan den IJssel opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres delict] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval een brandend voorwerp bij/onder/tegen een kledingstuk (overhemd) gehouden, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemd kledingstuk (overhemd), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of voornoemd kledingstuk geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende goederen en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende woningen, en/of

-levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.