Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8342

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
ROT 17/6437
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak stond beroep open bij de Afdeling tegen besluiten op grond van de AWBZ, voor zover het betreft een besluit van (onder meer) het College voor zorgverzekeringen. Dit gold dus ook voor de besluiten tot subsidiebeëindiging. Daartegen is door eiseressen ook daadwerkelijk beroep bij de Afdeling ingesteld en uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2014:2463). Omdat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd was om over de gestelde schadetoebrengende besluiten te oordelen, kan ook uitsluitend bij de Afdeling beroep worden ingesteld inzake de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering nadeelcompensatie toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/6437

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2018 in de zaak tussen

Stichting MEE Plus,

Stichting MEE Drechtsteden,

Stichting MEE Plus Ondersteuning en Beheer,

tezamen hierna: eiseressen, alle gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

gemachtigde: mr. F.P. Heijne,

en

Zorginstituut Nederland, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Hallie.

Zitting hebben mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. J. de Gans en

mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, en mr. R. Stijnen, griffier.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts zijn namens eiseressen verschenen [Naam] en [Naam].

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 4 oktober 2018 heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart zich onbevoegd;

 bepaalt dat verweerder aan eiseressen het betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.002,-.

Overwegingen

1. Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen tegen het besluit van 3 mei 2017 (het primaire besluit), dat strekt tot afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie, ongegrond verklaard. Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2. De rechtbank beoordeelt allereerst ambtshalve haar bevoegdheid.

3. Het betreft een verzoek om nadeelcompensatie in verband met besluiten van 17 juli 2013 in het kader van het beëindigen van subsidies op grond van de Regeling subsidies Algemene wet bijzondere ziektekosten door de rechtsvoorganger van verweerder, het College voor zorgverzekeringen. Dit verzoek is gegrond op het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten. De rechtbank kan slechts kennisnemen van een beroep tegen een afwijzing van een dergelijk verzoek om nadeelcompensatie, indien de rechtbank dat ook kan van een beroep tegen een besluit, genomen ter uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid die de schade zou hebben veroorzaakt (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5422). Dit is de zogeheten processuele connexiteit.

4. In het onderhavige geval stond op grond van artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bevoegdheidsregeling) beroep open bij de Afdeling tegen besluiten op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), voor zover het betreft een besluit van (onder meer) het College voor zorgverzekeringen. Dit gold dus ook voor de besluiten van 17 juli 2013. Daartegen is door eiseressen ook daadwerkelijk beroep bij de Afdeling ingesteld, waarin uitspraak is gedaan op 2 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2463). Omdat aldus de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd was om over de gestelde schadetoebrengende besluiten te oordelen, volgt uit het voorgaande dat ook uitsluitend bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld inzake de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering nadeelcompensatie toe te kennen. De omstandigheid dat de – inmiddels immers vervallen – AWBZ thans niet meer in de Bevoegdheidsregeling wordt genoemd, maakt dit niet anders.

5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren. Gelet op artikel 6:15 van de Awb draagt de rechtbank de griffier op het beroepschrift en de overige gedingstukken naar de Afdeling door te zenden.

6. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt, omdat verweerder in het bestreden besluit heeft vermeld dat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder om diezelfde reden in de door eiseressen gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is op 4 oktober 2018 in het openbaar gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. J. de Gans en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier.

griffier voorzitter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.