Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:832

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
ROT 17/3360, ROT 17/3362 en ROT 17/3363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeken om vrijstelling verplichte deelneming in PFZW afgewezen. Aangevoerde omstandigheden niet van dermate bijzondere aard. Beroep op gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel slaagt niet. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: ROT 17/3360, ROT 17/3362 en ROT 17/3363

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaken tussen

1. [onderneming 1],

2. [onderneming 2]en

3. [onderneming 3],

allen gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseressen,

gemachtigde: mr. A. Achbab,

en

Stichting Pensioenfonds Zorg & Welzijn (PFZW), verweerster,

gemachtigde: prof. mr. E. Lutjens.

Procesverloop

Bij besluiten van 19 januari 2017 (de primaire besluiten) heeft PFZW de verzoeken van 23 november 2016 van eiseressen om vrijstelling van verplichte deelneming in PFZW afgewezen.

Bij besluiten van 2 mei 2017 (de bestreden besluiten) heeft PFZW de bezwaren van eiseressen tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

PFZW heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] . PFZW heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door G.W.J.H. Schellekens.

Overwegingen

1. Bij brieven van 23 november 2016 hebben eiseressen verzocht hun met toepassing van artikel 6 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (het Vrijstellingsbesluit) en artikel 2.6 van het uitvoeringsreglement van PFZW (het uitvoeringsreglement) vrijstelling te verlenen van verplichte deelneming in PFZW voor hun werknemers. De vrijstellingsverzoeken zien op de periode dat eiseressen werknemers in dienst hadden.

2. Aan de bij de bestreden besluiten gehandhaafde weigeringen legt PFZW ten grondslag dat niet aan de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit en artikel 2.6 van het uitvoeringsreglement is voldaan. De door eiseressen aangevoerde argumenten zijn geen zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan PFZW aanleiding ziet een uitzondering te maken op het restrictieve beleid dat wordt gevoerd om de solidariteit en collectiviteit te beschermen. Aan de zijde van eiseressen is geen sprake van zodanig zwaarwegende belangen dat zij op basis daarvan in aanmerking dienen te komen voor de gevraagde vrijstellingen. Subsidiair stelt PFZW zich op het standpunt dat eiseressen niet voldoen aan de voorwaarde dat zij over een eigen pensioenregeling beschikken die ten minste gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van PFZW.

3. Op grond van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit kan op verzoek van een werkgever door het bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, 4a en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.

Op grond van artikel 2.6, tweede lid, van het uitvoeringsreglement wordt een vrijstelling om andere redenen alleen verleend als er zeer bijzondere omstandigheden zijn. Hiervan is sprake als de belangen van de werkgever zo zwaar wegen, dat het belang van PFZW om geen vrijstelling te verlenen daarvoor moet wijken.

Op grond van artikel 7, vijfde lid, eerste volzin, van het Vrijstellingsbesluit – voor zover hier van belang – wordt aan de vrijstelling bedoeld in artikel 6 door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de pensioenregeling van de werkgever te allen tijde ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan die van het bedrijfstakpensioenfonds.

4. Daargelaten of de bestuursrechter bevoegd is daarover te oordelen, hebben eiseressen ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij de aansluitplicht (verplichte deelneming) niet betwisten.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat de weigering van een pensioenfonds (in dit geval PFZW) op grond van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit vrijstelling te verlenen volgens vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 31 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:106), een discretionaire bevoegdheid van het pensioenfonds is, waarbij een terughoudende rechterlijke beoordeling past. Volgens diezelfde jurisprudentie staat artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit er niet aan in de weg dat PFZW met het vooropstellen van de solidariteit en collectiviteit van het pensioenfonds een terughoudend beleid voert inzake het onverplicht verlenen van vrijstelling van de verplichting tot deelneming in haar pensioenregeling. Het voeren van een dergelijk beleid is niet kennelijk onredelijk of anderszins onrechtmatig. Op grond van het door PFZW toegepaste beleid wordt een vrijstelling om andere redenen alleen verleend als er zeer bijzondere omstandigheden zijn.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat PFZW niet in redelijkheid tot afwijzing van de verzoeken om vrijstelling heeft kunnen komen. De door eiseressen aangevoerde omstandigheden zijn niet van dermate bijzondere aard dat deze voor PFZW aanleiding hadden moeten vormen voor afwijking van het door haar gevoerde beleid. De rechtbank is van oordeel dat PFZW de door eiseressen naar voren gebrachte belangen bij verlening van de vrijstelling, voor zover al kan worden gezegd dat dergelijke belangen zijn gesteld, in redelijkheid minder zwaar heeft mogen laten wegen dan het belang van PFZW bij solidariteit en collectiviteit. Dat eiseressen in het verleden niet bekend waren met de aansluitplicht en dat PFZW volgens hen heeft erkend dat hierover onduidelijkheid kon bestaan, is geen zeer bijzondere omstandigheid die tot vrijstelling moet leiden. Wat eiseressen hebben aangevoerd over de volgens hen onzorgvuldige facturering, wat daarvan zij, levert evenmin een zwaarwegend belang op bij vrijstelling. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseressen niet nader hebben geconcretiseerd in welke mate zij zouden worden benadeeld door aansluiting bij PFZW.

5.3

Door eiseressen zijn ter onderbouwing van hun beroep op het gelijkheidsbeginsel vrijstellingen overgelegd aan instellingen uit de sector zorg en welzijn. Ter zitting heeft PFZW toegelicht dat zij in die zaken niet helder heeft gecommuniceerd en om die reden voor een bepaalde, in de tijd beperkte periode vrijstellingen heeft verleend. Daarbij werd ervan uitgegaan dat in de periode van vrijstelling is voorzien in een adequate pensioenvoorziening. Dit relatief soepele vrijstellingenbeleid heeft PFZW tot november 2016 gevoerd, daarna heeft zij haar beleid aangescherpt. Eiseressen hebben het bestaan van deze wijziging van de gedragslijn van PFZW niet in twijfel getrokken en het stond PFZW vrij daartoe over te gaan. Dat PFZW in het verleden soepeler is omgegaan met het verlenen van vrijstellingen betekent niet dat zij daar in de toekomst ook aan is gehouden. Eiseressen hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. De overgelegde vrijstellingen hebben met uitzondering van productie 18 betrekking op aanvragen die zijn ingediend voordat PFZW haar gedragslijn wijzigde. Eiseressen hebben hun verzoeken om vrijstelling na wijziging van de gedragslijn, op 23 november 2016, ingediend. Bovendien is niet in geschil dat eiseressen geen andere pensioenvoorziening voor hun werknemers hebben getroffen. De vrijstelling die is overgelegd als productie 18 heeft betrekking op een situatie waarin schriftelijke afspraken zijn gemaakt over de vrijstelling. Van vergelijkbare (schriftelijke) afspraken in het geval van eiseressen is niet gebleken. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.

5.4

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Volgens vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van het CBb van 6 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:337), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daarvan is hier niet gebleken.

De rechtbank sluit niet uit dat bij het bespreken van de mogelijkheid tot vrijstelling met de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] bepaalde verwachtingen bij eiseressen zijn gewekt, maar van een gerechtvaardigd vertrouwen is geen sprake. Uit de brief van 28 oktober 2016 blijkt duidelijk dat een vrijstelling een specifiek verzoek en besluit naar aanleiding van dat verzoek vergt. Daarbij is van belang dat van de zijde van eiseressen tijdens de hoorzitting is toegelicht dat de medewerkers van PFZW de vrijstelling niet schriftelijk wilden toezeggen en er dus geen schriftelijk bewijs van de beweerde toezegging is. Daarnaast voert PFZW terecht aan dat, als moet worden aangenomen dat mondeling een ondubbelzinnige toezegging is gedaan, wat zij betwist, dit niet tot een andere uitkomst kan leiden. Het PFZW stelt zich terecht op het standpunt dat van haar niet kan worden verlangd op basis van een dergelijke toezegging een besluit te nemen dat in strijd is met de wet in de situatie waarin eiseressen voor hun werknemers geen andere pensioenregeling hebben getroffen. Het verlenen van vrijstelling kan in deze situatie niet in het belang worden geacht van de werknemers van eiseressen.

Gelet op het voorgaande kan het horen van getuigen niet bijdragen aan de beoordeling van de zaken van eiseressen, zodat de rechtbank het verzoek daartoe afwijst.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen‑van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.