Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8291

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
08-10-2018
Zaaknummer
10/088509-18, 10/172134-16 TUL
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het samen met een ander verrichten van voorbereidingshandelingen voor de bereiding, bewerking en verwerking van verdovende middelen (softdrugs en harddrugs) (artikelen 10a en 11a van de Opiumwet). Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/088509-18

Parketnummer vordering TUL VV: 10/172134-16

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R.F.H. Tamboenan, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 10/172134-16 opgelegde voorwaardelijk straffen: een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken en een geldboete van € 500,=.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit, omdat geen bewijs aanwezig is dat de verdachte wetenschap had van de in haar woning aangetroffen versnijdingsmiddelen en andere drugsgerelateerde goederen.

Beoordeling

Op 6 december 2017 heeft een doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres verdachte] te Rotterdam en de bijbehorende berging plaatsgevonden. Daarbij is gebleken dat één van de slaapkamers was ingericht als versnijdingskamer voor de bereiding van verdovende middelen en dat deze ook als zodanig werd gebruikt. Zo stond op een tafel een grote kunststof teil die deels was gevuld met bruin poeder en lag de hele kamer (de tafel, het bed, de dozen en de grond) vol met poederresten. Daarnaast is in, onder andere, de keuken en de andere slaapkamer een groot aantal goederen aangetroffen die worden gebruikt voor hennepkwekerijen, zoals assimilatielampen, kokosvoedingsbodems en tafelventilatoren.

Verder wordt uit het dossier opgemaakt dat de verdachte op 17 oktober 2017 naar Marokko is afgereisd en dat zij toen een huissleutel heeft gegeven aan een Turkse kennis,

omdat hij spullen in haar woning wilde neerzetten. De verdachte is op 4 december 2017 weer teruggekomen in Rotterdam. Dit wordt gebaseerd op haar pingegevens van die dag en haar verklaring dat geen andere personen gebruikmaken van haar pinpas. Vaststaat dus dat de verdachte vanaf genoemde datum weer in haar woning is geweest. Dat zij vervolgens tot en met 6 december 2017 alleen thuis is geweest om haar bagage in de woonkamer te zetten en ook niet thuis heeft geslapen, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Door haar is zowel bij de politie als op zitting heel wisselend en weinig concreet verklaard over haar bezigheden buitenshuis. Enige steun voor die verklaringen is niet te vinden in het dossier. Daarentegen zijn er wel aanwijzingen voor het tegendeel, namelijk het niet aantreffen van een koffer en een tas in de woonkamer, het aantreffen van een stapel kleding op het bed van de verdachte, opgehangen wasgoed en het door haar gebruikte paspoort in een kast in haar slaapkamer. Ook zijn medicijnen op naam van de verdachte aangetroffen die volgens de verpakking zijn gedateerd op 6 november 2017 en die zij dus pas na terugkomst kan hebben afgehaald en in haar woning hebben neergelegd.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte in de periode van 4 december 2017 tot en met 6 december 2017 regelmatig in haar woning is geweest en dat zij daar ook heeft geslapen. Bij een zodanig verblijf moet de verdachte de aangetroffen goederen hebben gezien. Daartoe wordt in aanmerking genomen de hoeveelheid goederen, de omvang van een deel van die goederen en de kamers waarin de goederen zijn aangetroffen. Zij had dus wetenschap van en beschikkingsmacht over deze goederen, zodat bewezen is dat de verdachte die voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van de versnijdingsmiddelen moet de verdachte, gelet op de ingerichte kamer waarin die zijn aangetroffen, tenminste ernstige redenen hebben gehad te vermoeden waarvoor die bestemd waren. Zij heeft haar woning daartoe ter beschikking gesteld. Ook met betrekking tot de in de keuken en een slaapkamer aangetroffen goederen wordt geoordeeld dat alleen gelet op de aard en het aantal daarvan de verdachte in ieder geval ernstige redenen had te vermoeden dat die waren bedoeld voor grootschalige hennepteelt.

In aanmerking genomen dat de verdachte haar Turkse kennis de beschikking heeft gegeven over een huissleutel tijdens haar verblijf in Marokko, dat zij ook na haar terugkomst de sleutel bij hem heeft gelaten en dat de wijze waarop de versnijdingskamer is aangetroffen duidt op een actief gebruik daarvan komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende bewijs aanwezig is dat de verdachte en die Turkse kennis hebben gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking en dat dus sprake is van medeplegen van de aan de verdachte verweten gedragingen.

De verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 voor zover dit ziet op de in de berging aangetroffen goederen. Het dossier biedt namelijk onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat zij wetenschap had van de aanwezigheid van die goederen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

zij op of omstreeks 6 december 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van heroïne en/of cocaïne en/of andere op lijst I van de Opiumwet vermelde stoffen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne en/of andere op lijst I van de Opiumwet vermelde stoffen, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of andere op lijst I van de Opiumwet vermelde stoffen (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

62,2 kilogram paracetamol en 9 kilogram lidocaïne en 9,2 kilogram cafeïne en

een grote kunststof teil en verschillende rubberen handschoenen en een grote zeef en verschillende plastic doorzichtige zakken en een weegschaal(tje), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit

en een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit te verschaffen, te weten de toegang tot en/of gebruik van haar woning aan de [adres verdachte] ;

2

zij op of omstreeks 6 december 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen heeft voorhanden gehad, te weten 10 ongebruikte assimilatielampen a 600 Watt en 14 ongebruikte voorschakelapparaten a 600 Watt, in doos verpakt en 2 grondzeilen van ongeveer 3 bij 3 meter elk en 4 dozen met ongebruikte kokos-voedingsbodem en 7 tafelventilatoren, waarvan zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De kennelijke verschrijvingen in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, en zich of een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

2.

medeplegen van het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11 derde lid en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander voorbereidingshandelingen verricht voor de bereiding, bewerking en verwerking van verdovende middelen. Zij heeft daartoe haar woning ter beschikking gesteld. Een kamer was ingericht en in gebruik als versnijdingsruimte. Daarin is onder andere een grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen gevonden. Verder heeft zij haar woning laten gebruiken als opslag voor een aanzienlijk aantal goederen die bestemd waren voor grootschalige hennepteelt. Zij heeft met deze gedragingen een bijdrage geleverd aan de handel in, en de verspreiding van, voor de gezondheid schadelijke soft- en harddrugs en aan de daarmee gepaard gaande vermogens- en andere criminaliteit. Dit wordt haar aangerekend.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusie.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats. Omdat de rechtbank komt tot een beperktere bewezenverklaring dan de officier van justitie, leidt dit ook tot oplegging van een enigszins lagere straf dan geëist. Om de verdachte ervan weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank de gevangenisstraf voor een deel voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 21 oktober 2016 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 4 november 2016.

8.2.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat zij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. De opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 500,=, waarvan de officier van justitie op de terechtzitting ook de tenuitvoerlegging heeft gelast, is niet vermeld in de aan de verdachte betekende vordering na voorwaardelijke veroordeling. Nog los daarvan acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van deze straf niet opportuun.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10a en 11a van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 21 oktober 2016 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. R.R. Roukema en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

zij op of omstreeks 6 december 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied

van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne en/of andere op lijst I

van de Opiumwet vermelde stoffen, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne en/of andere op lijst I van de

Opiumwet vermelde stoffen, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of andere op

lijst I van de Opiumwet vermelde stoffen (een) middel(en) vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

62,2 kilogram paracetamol en/of

9 kilogram lidocaïne en/of

9,2 kilogram cafeïne en/of

een grote kunststof teil en/of verschillende rubberen handschoenen en/of

een grote zeef en/of verschillende plastic doorzichtige zakken en/of een

weegschaal(tje) en/of mondkapjes,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te

vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en)

en/of zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen

van dat feit tracht te verschaffen, te weten de toegang tot en/of gebruik van

haar woning aan de [adres verdachte] ;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea

Opiumwet )

2

zij op of omstreeks 6 december 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop

aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of

voorhanden gehad, te weten 10 ongebruikte assimilatielampen a 600 Watt

en/of 14 ongebruikte voorschakelapparaten a 600 Watt, in doos verpakt

en/of 2 grondzeilen van ongeveer 3 bij 3 meter elk en/of 4 dozen met

ongebruikte cocos-voedingsbodem en/of 7 tafelventilatoren en/of 1 flexibel

watervat en/of 4 elektronische regelaars voor ventilatoren en/of 1 growtent,

afmeting van ongeveer 3 bij 3 meter en/of vijverfolie en/of 272

bloempotten, a 11 liter en/of 4 ongebruikte koolstoffilters en/of 1

dompelpomp en/of 24 luchtventilatie slangen en/of 1 flacon "Basic Hydro

B" en/of slakkenhuisventilatoren, gemonteerd in houten kisten en/of 12

metalen assimilatiekappen en/of 3 voorschakelapparaten,

dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of

gegevens voorhanden heeft gehad, te weten haar woning aan de [adres verdachte]

, waarvan zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd

waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van

de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

( art 11a Opiumwet )