Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8290

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
20-10-2018
Zaaknummer
6741284
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht, rechtsgeldige opzegging huurovereenkomst kantoorpand (locatie bank)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6741284 / CV EXPL 18-9917

uitspraak: 28 september 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid

Coöperatieve Rabobank U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 5 maart 2018,

gemachtigde: mr. A. van den Heuvel te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Huizenbeheer Van Herk B.V.,

gevestigd te Krimpen aan den IJssel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.E.W. Danen.

Partijen worden hierna Rabobank en Van Herk genoemd.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 5 maart 2018;

  • -

    de akte houdende overlegging producties aan de kant van Rabobank;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het vonnis van 23 mei 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 20 augustus 2018 gehouden comparitie van partijen, dat in afschrift aan partijen is toegezonden.

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

De rechtsvoorgangster van Rabobank is in 2000 een huurovereenkomst (verder ook de huurovereenkomst) aangegaan met Van Herk voor het kantoorpand aan De Schoof 238-240 in het winkelcentrum De Schoof in Hendrik-Ido-Ambacht (verder ook het pand). Dit pand is door Rabobank gebruikt als bankfiliaal.

2.2

In de huurovereenkomst is met betrekking tot duur, verlenging en opzegging daarvan, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaar , ingaande op de datum van bouwkundige oplevering aan huurder en lopende tot en met 10 jaar na de datum van genoemde bouwkundige oplevering. Verhuurder verstrekt huurder een schriftelijke verklaring waarin de datum van levering aan huurder staat vermeld.

3.2

Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 2 maal 5 jaar , derhalve tot en met 15 respectievelijk 20 jaar na de huuringangsdatum en wordt vervolgens steeds stilzwijgend met 5 jaar verlengd.

3.3

Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste 1 jaar .

3.4

Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.(…)”

2.3

Op 10 september 2008 heeft Rabobank aan Van Herk verzocht haar de ingangs- en de einddatum van de huurovereenkomst te berichten, aangezien deze niet in de huurovereenkomst staan vermeld en Rabobank die data niet meer kon terugvinden in haar administratie. In haar e-mail van 11 september 2008 heeft Van Herk aan Rabobank geantwoord dat de huuringangsdatum en tevens opleverdatum 1 februari 2001 is. Verder vermeldt zij dat de huurovereenkomst een looptijd heeft van 10 jaar, ingaande op 1 februari 2001 en lopend tot en met 31 januari 2011 en dat na het verstrijken van deze periode de overeenkomst wordt voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.

2.4

De e-mail van 19 september 2014 van [H.] (verder [H.]) van Rabobank aan Van Herk luidt voor zover van belang:

“(…) We gaan kantoor de Schoof 240, Hendrik Ido Ambacht sluiten per 31-03-2015.

(…)

Nu onderzoeken we of we ergens een locatie kunnen creëren om minimaal in deze plaatsen een stortautomaat, een Geldautomaat een sealbagautomaat te handhaven.

In de huidige locatie zouden wij een heel klein stuk willen terug huren.

Graag zou ik ter plekke met iemand van van Herk willen kijken wat er mogelijk is en wat de kosten zijn. U kunt mij bellen voor het maken van een afspraak (…)”

2.5

Van Herk heeft vervolgens in de persoon van de heer [A.] (verder [A.]) telefonisch contact opgenomen met [H.] en op 26 september 2014 heeft op de locatie overleg plaatsgevonden.

2.6

Op 3 oktober 2014 heeft Rabobank een huurvoorstel van [A.] ontvangen voor een periode van vijf jaar ingaande 1 februari 2016. Het huurvoorstel vermeldt voor zover van belang:

“(…)

Het gehuurde:

Kantoorruimte gelegen op de begane grond, plaatselijk bekend als De Schoof 238 te Hendrik Ido Ambacht. E.e.a. aan partijen genoegzaam bekend, zodat geen nadere omschrijving wordt verlangd.

Bestemming:

De ruimte zal dienst doen als steunpunt voor Rabobank (…), met onder andere een pinautomaat, sealbagautomaat en chipknip.

(…)

Staat van oplevering:

Het gehuurde wordt in de huidige staat opgeleverd met dien verstande dat partijen zijn overeengekomen dat huurder desgewenst door verhuurder het gehuurde bij beëindiging van de huurovereenkomst in casco staat dient op te leveren. (…) Het gehuurde dient bij beëindiging van de huurovereenkomst in casco staat en vrij van gebruik opgeleverd te worden.

(…)“

Op 9 oktober 2014 heeft Van Herk een aangepast voorstel aan Rabobank gestuurd.

2.7

De brief van 7 december 2015 van [W.], Directeur Bedrijfsmanagement aan Van Herk ter attentie van de heer [B.], met als onderwerp “Omzetting huurcontract De Schoof, Hendrik Ido Ambacht” luidt, voor zover van belang:

“(…)Het huurcontract loopt per 31-12-2015 af. In september 2014 nam onze collega [H.] contact op met [A.] om met hem het vervolg van ons huurcontract te bespreken. Daarbij werd van onze kant aangegeven dat we het kantoor per eind 2015 gaan verlaten, maar wel graag een geldautomaatruimte terughuren. (…)

In de periode dat [H.] in gesprek was met [A.] passeerde de formele opzegtermijn en hebben wij van onze kant geen formele opzegbrief gestuurd. Dit was echter zo duidelijk naar elkaar uitgesproken dat ik, toen dit mij ter ore kwam, ervan uit ging dat dit bezien zou worden in de context van de lopende gesprekken (…)

Ik erken een formele fout van onze kant. Daarom heb ik in een persoonlijk gesprek hierover met de heren [V.] en [J.] ook het voorstel gedaan voor een afkoopsom

(…)

Relevant is (…) dat het voorstel voor het huurcontract van de apparatenruimte ons in oktober 2014 is gedaan, na gesprekken hierover in september. Het is evident dat dit voorstel van de kant van Van Herk geen enkele grond zou hebben als wij van plan waren om het hele pand te blijven huren.

Daarom doe ik (…) een beroep op u om uw akkoord te geven voor een oplossing die mijns inziens recht doet aan de situatie: De afkoop van het huurcontract (…) en het terughuren van een deel van het pand (de apparatenruimte)

(…)”

2.8

De gemachtigde van Rabobank heeft in zijn brief van 30 september 2016 aan Van Herk namens Rabobank het standpunt ingenomen dat de huurovereenkomst is komen te eindigen per 31 december 2015 en Van Herk verzocht te berichten dat het Rabobank, gelet op die datum, vrijstaat om alsnog op korte termijn het pand op te leveren.

2.9

In het pand heeft Rabobank een ruimte gecreëerd voor een stort-, geld- en sealbagautomaat.

3 Het geschil

3.1

Rabobank heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  1. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen is komen te eindigen per 1 februari 2016, dan wel op een in alle redelijkheid te bepalen datum;

  2. Van Herk te veroordelen tot betaling van al hetgeen Rabobank als onverschuldigd betaald heeft voldaan aan Van Herk, welk bedrag op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding € 179.102,07 bedraagt, te vermeerderen met alle nadien door Rabobank betaalde bedragen, alsmede de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag van verzuim, te weten de dag waarop Van Herk de betalingen heeft ontvangen, en te verminderen met de door Rabobank verschuldigde huurpenningen ter zake van de apparatenruimte, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  3. Van Herk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad
    € 2.564,17, met wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  4. Van Herk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en in de nakosten, zoals in de dagvaarding omschreven.

3.2

Aan haar vordering heeft Rabobank, naast de hiervoor onder 2.1, 2.2, 2.4 tot en met 2.6 genoemde feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

Rabobank heeft de huurovereenkomst tijdig en rechtsgeldig opgezegd. Dit is mondeling gebeurd en Van Herk heeft daar genoegen mee genomen, zodat het sturen van een aangetekende opzeggingsbrief, die nog zuiver als een formaliteit zou hebben te gelden, niet nodig was.

3.2.2

Indien haar opzegging niet tot gevolg zou hebben dat de huurovereenkomst op
31 januari 2016 komt te eindigen zou de overeenkomst tot en met 31 januari 2021 blijven doorlopen met alle financiële gevolgen van dien. Dit is onredelijk, mede gelet op de omstandigheid dat Rabobank sinds 31 maart 2015 het pand nog slechts in gebruik heeft voor de stort-, geld- en sealbagautomaat en Van Herk niet de reële verwachting heeft gehad en mocht hebben dat Rabobank na 31 januari 2016 het kantoorpand in zijn geheel zou blijven huren.

3.2.3

Omdat de huurovereenkomst per 1 februari 2016 is komen te eindigen heeft Rabobank alle nadien betaalde huurpenningen en (service)kosten (tot de dag van dagvaarden een bedrag van € 193.185,40) zonder rechtsgrond en onverschuldigd betaald en is op grond van artikel 6:203 lid 2 BW gerechtigd dit terug te vorderen. In mindering hierop strekt het -bij gebreke van overeenstemming tussen partijen over een huurprijs- in redelijkheid op
€ 6.500,00 per jaar (exclusief servicekosten en btw) vast te stellen bedrag voor een oppervlakte van 20 m2 voor het gebruik van de apparatenruimte (een bedrag van
€ 14.083,33 ex btw, indexaties en servicekosten voor de periode 1 februari 2016 tot en met het eerste kwartaal van 2018).

3.2.4

Rabobank maakt voorts aanspraak op wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de verzuimdatum en vergoeding van buitengerechtelijke kosten, berekend conform de staffel Buitengerechtelijke Incassokosten (BIK).

3.3

Van Herk heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd.

3.3.1

Rabobank heeft de huurovereenkomst schriftelijk noch mondeling opgezegd. Zij heeft het kantoorpand niet ontruimd en heeft niet verzocht om tot oplevering te mogen over gaan. Rabobank is het gehuurde na 31 januari 2016 blijven gebruiken en heeft de huurpenningen conform de facturen steeds volledig en zonder protest van gehoudenheid voldaan, evenals de conform de huurovereenkomst verschuldigde boete bij te late betaling.

3.3.2

Aan een beroep op de redelijkheid en billijkheid vanwege het niet in achtnemen van een opzegtermijn kan niet worden toegekomen omdat Rabobank de huurovereenkomst nimmer heeft opgezegd. Voor zover wel, betwist Van Herk het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een dergelijk beroep rechtvaardigen. Rabobank is een grote professionele partij, van wie mag worden verwacht dat zij aangegane contractuele bepalingen naleeft en voor of op de uiterste opzegdatum had ondubbelzinnig duidelijk moeten zijn dat zij de huurovereenkomst niet wenste voort te zetten. De gesprekken over omzetting van huurovereenkomst zijn vruchteloos gebleven. Van Herk mocht er derhalve op vertrouwen dat de huurovereenkomst zou worden voortgezet. Het komt voor rekening en risico van Rabobank dat zij de overeengekomen termijnen en voorwaarden niet in acht neemt. Daarbij komt dat zij de ruimte tot op heden gebruikt, huurpenningen betaalt, slechts eenmaal -door haar gemachtigde pas in september 2016- is verzocht mee te werken aan oplevering en zij zelf al in 2015 stelt een fout te hebben gemaakt.

3.2.3

Betwist wordt dat de door Rabobank voorgestelde huurprijs voor de door haar gebruikte apparatenruimte een marktconforme huurprijs betreft. Daarnaast kan niet in rechte op verzoek van een van partijen de hoogte van de huurprijs worden bepaald nu tussen partijen geen consensus bestaat over de huurprijs en de grootte van de apparatenruimte.

3.2.4

Nu de huurovereenkomst niet door opzegging is geëindigd bestaat er tussen partijen nog steeds een contractuele huurrelatie en is er een rechtsgrond voor de betaling door Rabobank van de huurpenningen, hetgeen ook geldt voor de servicekosten, ook al omdat Rabobank het pand nog steeds gebruikt. Van onverschuldigde betaling is geen sprake.

3.2.5

Uiterst subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat er wel sprake is van onverschuldigde betaling, is geen plaats voor de gevorderde wettelijke rente, nu Rabobank zelf zolang heeft gewacht met de procedures en zij er belang bij heeft de ruimte zo lang mogelijk te gebruiken. Ook wordt de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten betwist.

3.3

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd zal, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna aan de orde komen.

4 De beoordeling van de vordering

4.1

Tussen partijen is in geschil of de huurovereenkomst rechtsgeldig door opzegging is geëindigd per 1 februari 2016.

4.2

Niet in discussie is dat door Rabobank geen schriftelijke opzegging van de huurovereenkomst conform de hiervoor onder 2.2 weergegeven bepalingen 3.3 en 3.4 van de huurovereenkomst heeft plaats gevonden. Beoordeeld dient te worden of Rabobank, zoals zij stelt, de huurovereenkomst in september 2014 mondeling heeft opgezegd en ook zo heeft kunnen opzeggen.

4.3

Rabobank heeft gesteld dat het niet in acht nemen van het vormvoorschrift van 3.4 van de huurovereenkomst gezien de omstandigheden en mede gelet op de redelijkheid en billijkheid niet dermate van belang is dat het nalaten daarvan in haar nadeel als huurder mag werken. Daar komt volgens haar bij dat Van Herk de in 3.1 van de huurovereenkomst bedoelde schriftelijke verklaring over de ingangsdatum nimmer heeft verstrekt aan Rabobank en daarmee contractuele voorschriften zelf ook niet heeft nageleefd, terwijl dit wel onduidelijkheid creëert en heeft gecreëerd over de juiste ingangsdatum van de huurovereenkomst en slecht verhuurderschap oplevert, zeker nu Van Herk daar nadien misbruik van maakt door te stellen dat Rabobank de huurovereenkomst schriftelijk had moeten en tijdig had kunnen opzeggen.

4.4

Met dit verweer miskent Rabobank dat Van Herk zich op het standpunt stelt dat er in het geheel geen opzegging van de huurovereenkomst heeft plaats gevonden. Voor zover Rabobank met dit verweer aan Van Herk verwijt dat zij onduidelijkheid heeft gecreëerd over de juiste ingangsdatum van de huurovereenkomst en daarmee tevens het uiterlijke opzegmoment daarvan, wordt het verweer gepasseerd. Vanaf september 2008 kon, gelet op het vaststaande feit onder 2.3, over die momenten bij Rabobank geen onduidelijkheid bestaan. Dat de betreffende informatie door Rabobank niet (goed) in het systeem is verwerkt is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt.

4.5

Rabobank heeft als productie 11 bij dagvaarding het proces-verbaal van het voorlopige getuigenverhoor in het geding gebracht, in welk kader op haar verzoek op 26 oktober 2017 door de kantonrechter te Rotterdam de in de visie van Rabobank bij de onderhavige kwestie betrokken personen, de eerder genoemde heren [A.] en [H.] en de
heer [T.] (verder [T.]) als getuigen zijn gehoord over de gang van zaken.

4.6

Bij dit verhoor zijn beide partijen vertegenwoordigd geweest. Op grond van het bepaalde in artikel 192, eerste lid Rv hebben de afgelegde getuigenverklaringen dezelfde bewijskracht als die welke op gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd.

4.7

[A.] heeft als getuige, voor zover van belang, verklaard:

“(…) Ik heb vanmorgen [T.] gebeld en gesproken, maar niet inhoudelijk. Voorafgaand aan dit getuigenverhoor heb ik mij ingelezen in de stukken (…). Ik heb in 2014 een email van de heer [H.] van de Rabobank ontvangen. Ik heb een afspraak gemaakt omdat hij graag wilde spreken over het huurcontract. Vervolgens heb ik hem op locatie, bij de Rabobank op de Schoof te Hendrik-Ido-Ambacht, gesproken. Rabobank wilde graag een voorstel hebben voor de huur van een deel van de ruimte. Ze waren voornemens de vestiging te sluiten en wilden in het gehuurde een pinautomaat en een ander apparaat houden. Begin oktober 2014 heb ik een voorstel gedaan. Mijn laatste voorstel dateerde van 9 oktober 2014. Nadien is er nog mailwisseling geweest. De laatste mail dateert van 21 oktober 2014. Rabobank berichtte mij toen dat een architect aangenomen werd. Ik heb diezelfde dag Rabobank laten weten hun berichten af te zullen wachten. Vervolgens is het stil gebleven. Dat was een langere periode. Ik weet het niet zeker, maar ik denk tot ergens in februari 2015. Ik kan mij niet herinneren te hebben gesproken over de beëindiging van de huurovereenkomst. (…)”

4.8

[H.] heeft als getuige, voor zover van belang, verklaard:

“(…) Ik heb mij op dit getuigenverhoor voorbereid door de stukken door te nemen. Afgelopen dinsdag ben ik naar de Rabobank gegaan voor overleg. Ik wilde even toetsen of hetgeen ik wilde zeggen wel klopt. (…)

In september 2014 heb ik Van Herk gemaild. Ik heb hem laten weten dat wij voornemens waren om het pand vanaf 31 maart 2015 te sluiten. Toen heb ik terplekke afgesproken met de heer [A.]. Wij wilden nog een sealback-, een stort-, en twee pinautomaten installeren. In oktober 2014 hebben wij van de heer [A.] een voorstel gekregen. Dat huurvoorstel was vanaf 1 februari 2016. De huur liep af per 1 februari 2016. We hielden er rekening mee dat wij in de periode vanaf 31 maart 2015 tot 1 februari 2016 de hoge huurprijs zouden moeten betalen. Daarna zouden wij de lage huurprijs voor het kleine stukje betalen. Rabobank vond de voorgestelde huurprijs te hoog. We hebben overleg gevoerd over de prijs. Vervolgens zouden wij een architect in de arm nemen dat duurde wat langer. Ik heb half januari contact gezocht met de heer [A.], maar hij had op dat moment geen tijd. Begin februari zijn wij rond de tafel gegaan. Daarbij waren aanwezig de heer [A.] en iemand van Rabobank Nederland. De heer [A.] zei toen direct “U had de huurovereenkomst voor 1 februari 2015 op moeten zeggen als je er op 1 februari 2016 uit wil.”(…) Wij hebben toen gezegd dat wij dat vreemd vonden, want dat wij al in september 2014 hadden besproken dat wij het filiaal gingen sluiten en de huur wilden beëindigen. Wij wilden een kleine ruimte terug huren. Dat had ik per mail laten weten en ook mondeling met de heer [A.] besproken. (…) De huurofferte sloot naadloos aan de datum van de oude overeenkomst, namelijk 1 februari 2016. Wij hebben er uit opgemaakt dat het voor Van Herk duidelijk was dat Rabobank uit het pand wilde. (…)”

4.9

[T.] heeft als getuige, voor zover van belang, verklaard:

“(…) Ter voorbereiding op dit getuigenverhoor heb ik de mails nagekeken. (…) Ik ben sinds oktober 2012 in dienst bij Van Herk. Ik ben ergens vorig jaar betrokken geraakt bij deze discussie. Ik heb toen met de heer [U.] ter plekke, te weten aan de Schoof te Hendrik-Ido-Ambacht, gesprekken gehad. (…)

Ik weet niets over enige opzegging van de huurovereenkomst. Ik weet wel dat er gesprekken zijn geweest met Rabobank over de locatie te Hendrik-Ido-Ambacht. (…)”

4.10

De kantonrechter is van oordeel dat op grond van deze getuigenverklaringen het bewijs niet geleverd is dat sprake is geweest van een mondelinge opzegging van de huurovereenkomst. Nog afgezien van het feit dat alle getuigen hebben verklaard zich vooraf te hebben ingelezen en het derhalve de vraag is in hoeverre hetgeen zij hebben verklaard bekendheid is uit eigen wetenschap, overweegt de kantonrechter het volgende.

[T.] verklaart niets te weten over een opzegging. [A.] kan zich niet herinneren te hebben gesproken over de beëindiging van de huurovereenkomst. Van Heusen verklaart slechts Van Herk geïnformeerd te hebben over het voornemen (onderstreping ktr) van Rabobank om het bankfiliaal te sluiten en de wens een kleiner stukje voor apparatenruimte terug te huren. Dat tevens aan de orde is geweest dat, los van de uitkomst van het overleg over de huur van apparatenruimte, in ieder geval de huurovereenkomst van het pand diende te eindigen verklaart deze getuige niet. Evenmin dat aan dat punt een vervolg is gegeven toen het eerste overleg over de huurprijs -Rabobank vond die te hoog- voor de apparatenruimte niet tot overeenstemming leidde. Weliswaar verklaart [H.] dat het huurvoorstel per 1 februari 2016 naadloos aansloot op de datum van de oude huurovereenkomst van het pand, maar daarvan was geen sprake ten tijde van het huurvoorstel. Toen en ook lange tijd daarna nog (hiervoor onder 2.8 en in ieder geval tot het verzoek van 9 mei 2017 tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor) ging Rabobank er immers vanuit dat de lopende huurtermijn van het pand zou eindigen per 31 december 2015.

4.11

Rabobank heeft er nog op gewezen dat het huurvoorstel voor de apparatenruimte inhoudt dat die ruimte in de huidige staat wordt opgeleverd en bij het eindoplevering een casco-opleveringsverplichting voor Rabobank inhoudt, hetgeen volgens Rabobank wijst op de bedoeling van partijen dat Rabobank slechts een klein deel van het pand zou blijven huren. Wat daar ook van zij, Rabobank heeft naar Van Herk toe in het midden gelaten, althans niet voldoende expliciet gemaakt dat zij, hoe de onderhandelingen over een huurovereenkomst voor apparatenruimte ook zouden lopen, in ieder geval de huurovereenkomst met betrekking tot het (gehele) pand wilde beëindigen.

4.12

Ander bewijs waaruit kan worden afgeleid dat Rabobank de huurovereenkomst heeft opgezegd is niet voor handen. Rabobank heeft verder geen aanvullend bewijs aangeboden. De conclusie is dan ook dat in rechte niet is komen vast te staan dat Rabobank de huurovereenkomst in september 2014 mondeling heeft opgezegd.

4.13

Voor zover Rabobank met haar aankondiging aan Van Herk dat het bankfiliaal in het pand per 31 maart 2015 gesloten zou worden en zij in de locatie een klein stukje terug wilde huren voor apparatenruimte, daarvoor een huurvoorstel verzocht en daarover in onderhandeling ging, een opzegging van de lopende huurovereenkomst beoogde, had zij daarover als professionele huurder tegenover de -overigens eveneens professionele- verhuurder Van Herk volstrekte duidelijkheid moeten betrachten. Op geen enkel moment heeft zij zich in die zin tegenover Van Herk ondubbelzinnig uitgelaten; Rabobank heeft ook nagelaten de gesprekken die in september 2014 hebben plaatsgevonden schriftelijk dan wel per e-mail te bevestigen. Ook al zou het zo zijn dat [A.] geen tijd had toen Rabobank het overleg over de apparatenruimte weer wilde hervatten, dan wel dat Van Herk geen reële verwachtingen mocht hebben dat Rabobank het pand in z’n geheel zou blijven huren, dan is het aan Rabobank om zelf haar juridische positie als huurder veilig te stellen en duidelijkheid te scheppen naar Van Herk als verhuurder. De consequenties waarmee Rabobank wordt geconfronteerd door de zaken op zijn beloop te laten, althans geen duidelijkheid te geven, komen voor haar rekening en risico.

Als professionele contractspartijen mogen Rabobank en Van Herk elkaar houden aan hetgeen zij in de huurovereenkomst zijn overeengekomen en van hen mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun contractuele verplichtingen jegens elkaar. Van onredelijkheid, zoals door Rabobank hiervoor onder 3.2.3 is gesteld, is geen sprake.

4.14

Het voorgaande betekent dat bij gebreke van een rechtsgeldige opzegging de huurovereenkomst met vijf jaren is verlengd en doorloopt tot 1 februari 2021. De vorderingen van Rabobank zullen dan ook integraal worden afgewezen.

4.15

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel leidt.

4.16

Rabobank wordt als de partij die ongelijk krijgt veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Herk begroot op € 1.037,79 aan verschotten en
€ 1.400,00 (2 punten) aan salaris voor de gemachtigde van Van Herk.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Rabobank in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Herk vastgesteld op € 1.037,79 aan verschotten en € 1.400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

362