Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8262

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
KTN-6826633_6871236_28092018
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet i.v.m. belangenverstrengeling, zelfverrijking en gebrek aan integriteit houdt stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummers: 6826633 VZ VERZ 18-8875

6871236 VZ VERZ 18-10017

uitspraak: 28 september 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaken van

6826633 VZ VERZ 18-8875

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. H. Eijer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de B.V.] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. E.M.Y. Sørensen,

en

6871236 VZ VERZ 18-10017

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de B.V.] .,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.M.Y. Sørensen,

tegen

[werknemer] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. Eijer.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [werknemer] ” en “ [de B.V.] ”.

1 Het (verdere) verloop van de procedures

1.1

Bij tussenbeschikking van 30 juli 2018 is, in de zaak met kenmerk 6871236 VZ VERZ 18-10017, op verzoek van [de B.V.] de arbeidsovereenkomst tussen partijen per

1 september 2018 voorwaardelijk ontbonden. In de zaken met de kenmerken 6826633 VZ VERZ 18-887 en 6871236 VZ VERZ 18-10017 is iedere verdere beslissing aangehouden.

1.2

De datum van de uitspraak in die zaken is nader bepaald op heden.

2 De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

2.1

[de B.V.] exploiteert het [het bedrijf] , waarin een hotel en restaurants zijn gevestigd.

2.2

[werknemer] is op 1 april 2007 in dienst getreden bij [de B.V.] als operationeel manager. Laatstelijk is hij werkzaam geweest in de functie van Chief Officer F&O.

2.3

[werknemer] heeft een zekere [R.] (hierna: [R.] ), van Poolse afkomst en een bekende van hem, geholpen aan (aannemings)werkzaamheden tegen een bepaald percentage van de omzet.

2.4

[R.] heeft vanaf juni 2009 werkzaamheden verricht op [de B.V.] , eerst zelf en later (ook in onderaanneming) via zijn bedrijf [A. 1] (hierna: [A. 1] ). Dit is in 2017 geëindigd. Wegens faillissement is [A. 1] op 14 maart 2017 opgeheven.

2.5

Op 7 maart 2018 heeft [R.] een groot aantal WhatsApp-berichten doorgestuurd naar het management van [de B.V.] . De WhatsApp-berichten zijn als bijlagen A1, A2, A3, A4 en A5 achter deze beschikking gevoegd, voorzien van een toelichting van [R.] en een verduidelijking van in de WhatsApp-berichten gebezigde namen, en betreffen voornamelijk berichten tussen [R.] en [werknemer] . Deze bijlagen worden als hier geciteerd beschouwd.

2.6

Ook heeft [R.] een filmpje doorgestuurd waarin hij, [werknemer] en een zekere [K.] (hierna: [K.] ) - welk groepje zich bedient van de naam “ [naam groep] ” - aan het feesten zijn in een skybox in het Ajax stadion. Daarin is te zien dat [werknemer] danst en zingt met anderen. Op een gegeven moment wordt gescandeerd: “ [H.] , [H.] , [H.] !”. Ook door [werknemer] . [K.] was als directeur werkzaam bij [G.] (hierna: [G.] ), welk bedrijf betrokken is geweest bij de schoonmaak op de [de B.V.] .

2.7

Naar aanleiding van de WhatsApp-berichten heeft op 7 maart 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [H.] , [J.] , eigenaren van [de B.V.] , en [W. 1] , general manager bij [de B.V.] , en anderzijds [werknemer] . Aan het eind van het gesprek heeft [de B.V.] [werknemer] meegedeeld dat hij werd geschorst en dat [de B.V.] de informatie nader zou onderzoeken. Van het gesprek is een verslag gemaakt dat als bijlage B achter deze beschikking is gevoegd. Deze bijlage wordt als hier geciteerd beschouwd.

2.8

Op 15 maart 2018 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [H.] , [J.] , [W. 1] , en de gemachtigde van [de B.V.] en anderzijds [werknemer] . Aan het eind van het gesprek is [werknemer] meegedeeld dat hij op staande voet werd ontslagen onder vermelding van de redenen daarvoor. Van het gesprek is een verslag gemaakt dat als bijlage C achter deze beschikking is gevoegd. Deze bijlage wordt als hier geciteerd beschouwd.

2.9

Bij brief van 20 maart 2018 heeft [de B.V.] aan [werknemer] het ontslag op staande voet bevestigd. De daarin vermelde ontslaggronden zijn:

- ernstige belangenverstrengeling;

- zelfverrijking ten koste van (de zakelijke relaties van) zijn werkgever;

- groot gebrek aan integriteit.

2.10

[werknemer] heeft inmiddels een nieuwe baan elders.

3 De verzoeken en de verweren

in de zaak met kenmerk 6826633 VZ VERZ 18-887

3.1

[werknemer] verzoekt – na wijziging van het verzoek ter zitting – bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet;

  2. betaling van het achterstallige loon ten bedrage van € 5.955,20 bruto per maand, vanaf 1 maart 2018, vermeerderd met alle overige emolumenten, waaronder de vakantietoeslag tot de einddatum;

  3. toekenning van de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ten bedrage van

€ 34.301,97;

toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW ter hoogte van

€ 40.000,00;

toekenning van schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand ex artikel 7:686 a lid 3 juncto 6:96 BW ten bedrage van € 6.000,00;

betaling van de wettelijke rente over de hierboven onder b., c., d. en e. genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

[de B.V.] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2

Aan het verzoek legt [werknemer] - samengevat en voor zover van belang - ten grondslag dat er geen grond is voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Volgens hem betreft het verslag van het gesprek op 15 maart 2018 (bijlage C) geen correcte weergave van hetgeen toen is besproken.

3.3

[werknemer] heeft inderdaad een zakelijke relatie gehad met [R.] , maar die relatie is in 2011 geëindigd. [R.] was destijds zijn betalingsverplichtingen uit provisieafspraken met [werknemer] nog niet volledig nagekomen. Toen [werknemer] in 2016 verhuisde naar een nieuwe woning had hij het geld van de openstaande vordering op [R.] nodig en is hij op betaling gaan aandringen. [R.] heeft vervolgens een deel van de vordering betaald doordat hij klussen in de woning van [werknemer] heeft laten verrichten. Daarna was de zakelijke relatie met [R.] afgewikkeld. [R.] is door [werknemer] geïntroduceerd bij de toenmalige operationeel directeur en de destijds verantwoordelijke inkoper van [de B.V.] omdat de prijs die [R.] rekende laag was en de kwaliteit van diens werk goed. Later is [R.] in onderaanneming ook schoonmaakwerk op [de B.V.] gaan verrichten.

3.4

Na zijn verhuizing heeft [werknemer] zijn woning laten schilderen door [S.] , welk bedrijf het schilderonderhoud van [de B.V.] verzorgde. Daardoor was [werknemer] ermee bekend dat het bedrijf tegen een redelijke prijs goed schilderwerk leverde. Daarom heeft [werknemer] aan de heer [S.] gevraagd om zijn woning te schilderen, waarbij hij heeft aangegeven wat zijn budget was (€ 5.000,00) en dat dit budget niet mocht worden overschreden.

3.5

Verder erkent [werknemer] dat hij een goede, bijna vriendschappelijke relatie heeft gehad met [K.] , die als directeur werkzaam was bij [G.] . Bij het verstrekken van opdrachten aan dit bedrijf zijn echter nimmer de belangen van [de B.V.] uit het oog verloren. Onderbouwd met offertes, ook van andere bedrijven, heeft hij de beste keuzes voor [de B.V.] gemaakt.

3.6

Van belangenverstrengeling is geen sprake geweest en van zelfverrijking ten koste van (de zakelijke relaties van) [de B.V.] evenmin. Dat er sprake zou zijn van een gebrek aan integriteit is niet onderbouwd en wordt weersproken. Hij heeft goed gefunctioneerd en bij vermeend disfunctioneren had het op de weg van [de B.V.] gelegen om hem hierop te wijzen en hem in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren. [de B.V.] heeft niet mogen overgaan tot ontslag op staande voet op basis van informatie van een rancuneuze opdrachtnemer, aldus [werknemer] .

3.7

[de B.V.] betwist de stellingen van [werknemer] en concludeert tot afwijzing van de verzoeken.

3.8

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de verzoeken nader besproken.

in de zaak met kenmerk 6871236 VZ VERZ 18-10017

3.9

[de B.V.] verzoekt - na wijziging van het verzoek ter zitting - bij beschikking:

a. [werknemer] te veroordelen tot betaling aan [de B.V.] van € 8.932,50, althans een in

goede justitie te bepalen bedrag;

voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, de arbeidsovereenkomst van [werknemer] op korte termijn te ontbinden op grond van de e-, g- of h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW;

voor recht te verklaren dat [werknemer] geen recht heeft op de transitievergoeding;

[werknemer] te veroordelen in de (buitengerechtelijke) proceskosten.

3.10

Aan het verzoek onder a legt [de B.V.] ten grondslag dat [werknemer] wegens het aan hem gegeven ontslag op staande voet c.q. de daaraan ten grondslag liggende redenen de vergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 en 3 BW verschuldigd is.

3.11

Aan het verzoek onder b legt [de B.V.] ten grondslag dat de feiten en omstandigheden die reden zijn geweest voor het ontslag op staande voet voldoende basis bieden voor het oordeel dat [werknemer] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld, althans dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, althans van zodanig andere omstandigheden dat van [de B.V.] in redelijkheid niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.12

Het verzoek onder c baseert [de B.V.] op de stelling dat het handelen van [werknemer] ernstig verwijtbaar is.

3.13

[werknemer] betwist de stellingen van [de B.V.] en concludeert tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [de B.V.] in de proceskosten (behoudens dat hij zich heeft gerefereerd aan de verzochte ontbinding nu hij een nieuwe baan elders heeft aanvaard).

3.14

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de verzoeken nader besproken.

4 De beoordeling

in de zaak met kenmerk 6826633 VZ VERZ 18-887

4.1

Als vermeld onder 2.5 heeft [de B.V.] op 7 maart 2018 van [R.] een groot aantal WhatsApp-berichten doorgestuurd gekregen. Dit betreffen voornamelijk berichten tussen [R.] en [werknemer] , plus een toelichting daarbij van [R.] . De herkomst van de berichten onder andere via de telefoon van [werknemer] is niet in geding en ook niet dat betrokkenen zelf hun berichten hebben geschreven.

4.2

De inhoud van de berichten is, ondanks de mix van Engels en Nederlands met vele taalfouten, goed te lezen. Klaarblijkelijk ook voor betrokkenen, anders zou het niet tot het uitgebreide berichtenverkeer zijn gekomen, als te lezen valt in de bijlagen A1 tot en met A5.

4.3

Die inhoud is niet mals en kan, gelet op de betrokkenheid van [werknemer] daarbij, op zichzelf genomen al de conclusie dragen dat [werknemer] zich heeft gedragen op een wijze die niet te verenigen valt met zijn functie bij [de B.V.] . Dat [R.] de berichten heeft doorgestuurd omdat hij rancuneus zou zijn, doet hieraan niet af.

4.4

Uit de toelichtingen van [R.] , die steun vinden in de berichten, volgt onder meer:

- dat [werknemer] als tegenprestatie voor het gunnen van werk geld van [R.] heeft aangenomen (bijlage A2, bijlage A3 pagina’s 3 tot en met 5, bijlage A4 pagina’s 12, 14 en 15);

- dat [werknemer] nauwe betrekkingen heeft onderhouden met [A. 1] / [R.] , [G.] / [K.] en [T.] , waarbij hij onder (prijs)informatie heeft toegespeeld (bijlagen A1 tot en met A5);

- dat [werknemer] werkzaamheden heeft laten verrichten in zijn privéwoning door aannemers die tevens actief waren op [de B.V.] (bijlage A2 pagina’s 4, 11 en 12, bijlage A4 pagina’s 2, 3, 5, 6, 7 en 8).

4.5

De toelichtingen van [R.] staan niet op zichzelf, maar vinden steun in de WhatsApp-berichten, die ook voor [R.] zelf belastend zijn. Dit maakt diens toelichtingen geloofwaardig. Aan de reactie van [werknemer] hierop kunnen dan ook hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het weerwoord voldoende gedetailleerd, onderbouwd en zonder hiaten dient te zijn, en dat opmerkelijke gebeurtenissen van voldoende plausibele en niet ontwijkende uitleg dienen te worden voorzien. Gelet op de positie die [werknemer] heeft bekleed binnen de organisatie van [de B.V.] mag dit van hem te meer worden verlangd.

4.6

Naar aanleiding van de ontvangst van de WhatsApp-berichten op 7 maart 2018 heeft [de B.V.] [werknemer] nog diezelfde dag gehoord. Daarvan is het onder 2.7 vermelde verslag gemaakt. Gegeven de inhoud van dit verslag heeft [werknemer] de verwijten die hem worden gemaakt op basis van de voorhanden zijnde informatie niet ontkracht. Integendeel, de verwijten hebben eerder aan kracht gewonnen. [werknemer] heeft bevestigd dat hij (via zijn vrouw) bevriend was met [R.] en dat hij hem aan werk op [de B.V.] heeft geholpen. Hij heeft voorts bevestigd dat hij in totaal zo’n € 40.000,00 à € 45.000,00 van [R.] heeft ontvangen. [werknemer] heeft ook verklaard dat [R.] heeft geklust in zijn woning in verband met een oude schuld. De verklaring van [werknemer] dat hij in de periode van 2009 tot 2012 van [R.] geld heeft ontvangen voor het aanbrengen van klussen elders dan op [de B.V.] , en het begeleiden daarvan, is in het licht van het overgelegde WhatsApp-verkeer niet aannemelijk. In die berichten wordt niet gerefereerd aan een oude provisieschuld. Evenmin is aannemelijk dat hij zou zijn gestopt met de activiteiten voor [R.] in 2011 en dat (pas) in 2017 een schuld uit die tijd zou zijn verrekend. Voor wat betreft de klussen (in het netwerk van vrienden van [werknemer] ), waarvan [werknemer] stelt dat daarvan sprake was, is geen nadere (verifieerbare) toelichting, laat staan onderbouwing gekomen. Daarnaast komt uit het verslag naar voren dat [de B.V.] [werknemer] tijdens het gesprek heeft voorgehouden dat hij wist van de bezwaren van [de B.V.] tegen inschakeling van [K.] en dat hij ook wist dat [K.] (via [G.] ) nog actief was op [de B.V.] , maar dat hij daarmee niets heeft gedaan. Ook is [werknemer] voorgehouden dat hij wist van de onrust bij de schoonmaakploeg omdat deze onvoldoende werd betaald. De reactie “Wat had ik moeten doen? Wat had ik moeten melden?” is voor iemand in [werknemer] ’ positie ontoereikend. Het had voor de hand gelegen dat [werknemer] , gezien de wens van [de B.V.] niet met [K.] te werken, [de B.V.] had gemeld, zeker op het moment dat er onrust was bij het schoonmaakpersoneel over hun loonbetaling, dat [G.] / [K.] (en ook [A. 1] / [R.] ) nog steeds aan boord was. [de B.V.] had dan haar eigen beslissingen kunnen nemen. Daarentegen heeft [werknemer] over deze niet melding geen enkele behoorlijke uitleg gegeven. Dit alles draagt bij aan het beeld dat [werknemer] heeft samengespannen met [A. 1] / [R.] en [G.] / [K.] en dat hij daar een eigen belang bij had. Het is dan ook begrijpelijk dat [werknemer] na afloop van het gesprek is geschorst, hangende nader onderzoek naar de ontvangen informatie door [de B.V.] .

4.7

Op 15 maart 2018 heeft [de B.V.] [werknemer] nogmaals gehoord. Daarvan is het onder 2.8 vermelde verslag opgemaakt. Volgens [werknemer] is dit verslag geen correcte weergave van hetgeen op 15 maart 2018 is besproken. Hij heeft met zijn mobiele telefoon namelijk (buiten medeweten van [de B.V.] ) een opname gemaakt van het gesprek. Op basis daarvan heeft hij naar eigen zeggen het verslag gecorrigeerd en van opmerkingen voorzien. Dit aangepaste verslag is als bijlage D achter deze beschikking gevoegd. Deze bijlage wordt als hier geciteerd beschouwd. [de B.V.] heeft hiertegen aangevoerd dat het door haar overgelegde verslag geen letterlijke weergave is van hetgeen gezegd is op 15 maart 2018, dat [werknemer] zich incorrect heeft gedragen door niet te melden dat hij het gesprek opnam, en dat bijlage D (ook) geen transcriptie is van het gesprek. Dit laatste is ook niet nodig. Gelet op de inhoud van bijlagen C en D, die op hoofdlijnen niet van elkaar afwijken, deelt de kantonrechter het standpunt van [werknemer] niet “dat er sprake is van weglatingen en aanvullingen, met het kennelijke doel om de “tunnelvisie” van [de B.V.] te bevestigen”.

4.8

Ook wanneer wordt uitgegaan van de inhoud van bijlage D moet worden vastgesteld dat [werknemer] het beeld dat blijkt uit de overgelegde WhatsApp-berichten en daarop gebaseerde toelichtingen van [R.] niet heeft doen kantelen. De kantonrechter tilt er een aantal onderdelen uit.

4.8.1

[werknemer] was bekend met de betrokkenheid van [R.] , [K.] en [T.] bij de schoonmaak aan boord van [de B.V.] en met de vennootschappen [A. 1] , [G.] en De Barones, via welke vennootschappen de werkzaamheden in (onder)aanneming werden verricht. Hij wist ook van de onvrede onder het schoonmaakpersoneel dat in 2016 dreigde met stakingen in verband met onderbetaling. Voorts wist hij dat [de B.V.] , in de personen van [H.] en [J.] , wilde dat het schoonmaakpersoneel conform de wettelijke regels betaald zou worden. De heer en [J.] wilden niet langer in zee gaan met onderaannemers die hun zaken niet op orde hadden en hun personeel niet juist betaalden. Daarom wilden zij de schoonmaak opnieuw aanbesteden. Uit bijlage A3 blijkt dat [werknemer] via WhatsApp contact heeft opgenomen met [R.] die heeft laten weten dat de prijs van [G.] / [G.] beter was dan die van schoonmaakbedrijf EW. Hij ( [R.] ) heeft daarbij de hoop uitgesproken dat de keuze zou vallen op [G.], omdat dat voor allen beter zou zijn. Als de keuze op [G.] zou vallen dan: “he has to give per j 12000 for skipass” en zou [R.] krijgen “(…)2000 per month”. [R.] heeft toegelicht dat met skipass zwart geld voor [werknemer] werd bedoeld (zie bijlage A2). Blijkens bijlage A3 heeft [werknemer] tijdens het WhatsApp-gesprek aan [R.] gevraagd of hij is betaald door [G.], waarna [R.] een overzicht van door [G.] verrichte betalingen heeft verstrekt. In het licht hiervan is het antwoord van [werknemer] op de vraag wat bedoeld wordt met “skipass”, ook tijdens de mondelinge behandeling, namelijk dat [R.] zijn skipas betaalt wanneer hij in Polen gaat skiën, ongeloofwaardig.

Uit de aanpassing van [werknemer] op pagina 14 van bijlage D blijkt dat [werknemer] [T.] hulp heeft geboden om aan boord van [de B.V.] te blijven. Uit een aanpassing van [werknemer] op pagina 21 van dezelfde bijlage D blijkt dat hij moest zorgen dat [T.] aan boord bleef zodat [R.] zijn commissie zou krijgen.

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat om aan boord van [de B.V.] de schoonmaak in opdracht te krijgen geld moest worden betaald waarvan ook [werknemer] zou profiteren. [R.] schrijft [werknemer] immers dat [G.] / [G.] kiezen “voor allen beter zou zijn” terwijl het ongeloofwaardig is dat de “skipass” uitsluitend voor een skivakantie van [werknemer] in Polen zou zijn bedoeld.

4.8.2

[de B.V.] heeft met [werknemer] gesproken over de betrokkenheid van [A. 1] bij de levering van douchecabines op [de B.V.] . Er waren bij verschillende Nederlandse leveranciers offertes gevraagd en een aantal douchecabines heeft op [de B.V.] op proef gestaan, waarna een keuze voor een van de leveranciers zou worden gemaakt. [werknemer] heeft daarna de te vergeven opdracht aan [R.] ( [A. 1] ) voorgelegd, die vervolgens hetzelfde product in Polen voor een lagere prijs is gaan zoeken en de opdracht heeft gekregen. Daarnaar gevraagd heeft [werknemer] tijdens het gesprek geantwoord de onderliggende Poolse offertes niet te kennen en niet te weten wat de douchecabines in Polen hebben gekost. Onduidelijk is zodoende gebleven welke marge [de B.V.] aan [A. 1] heeft betaald.

[werknemer] heeft ten koste van anderen [R.] in een voordelige positie gebracht door [R.] de prijs van de eerdere aanbieders door te geven en hem als laatste een aanbod te laten doen. Hij heeft [R.] voorts bevoordeeld door zijn calculatie te laten voor wat het was waardoor [R.] zijn eigen marge heeft kunnen bepalen. Hierbij komt dat deze nauwe verbondenheid met [R.] in de weg staat aan een professionele afstand die nodig is voor een zakelijke omgang met aannemers en leveranciers.

4.8.3

Uit bijlage A4 blijkt dat een klusjesman, genaamd [A. 2] , voor rekening van [R.] werkzaamheden heeft verricht in de woning van [werknemer] en dat [werknemer] op [R.] druk heeft uitgeoefend om aan [A. 2] € 500,00 extra te betalen, terwijl [R.] aangaf hem al

€ 3.500,00 plus € 2.700 plus € 1.000,00 betaald te hebben. Uit dezelfde bijlage blijkt ook dat [A. 2] een WhatsApp-bericht aan [werknemer] heeft gestuurd, waarin hij vermeld dat [R.] hem € 5.000,00 heeft betaald voor werk en € 3.340,00 voor materialen. [werknemer] heeft dit bericht doorgestuurd naar [R.] om te controleren of dit klopte. Daarnaar gevraagd heeft [werknemer] tijdens het gesprek verklaard dat [R.] hem geld schuldig was, het zou om een ereschuld gaan. In zijn verzoekschrift heeft [werknemer] daarentegen gesteld dat het hier om een oude provisieschuld ging die nog niet was voldaan. Dat is wat anders dan een ereschuld. De verklaringen zijn niet consistent en kunnen niet worden aangemerkt als een deugdelijk tegenwicht tegenover de overgelegde WhatsApp-berichten en toelichtingen daarop.

4.8.4

[R.] heeft verder toegelicht (zie bijlage A2), dat [werknemer] een vriendin van hem, genaamd [vriendin] , op [de B.V.] als Supervisor had aangesteld, terwijl zij geen Nederlands en Engels spreekt. [werknemer] heeft tijdens het gesprek hierover verklaard dat dit in 2016 is gebeurd en dat [vriendin] de vrouw is van de hiervoor genoemde klusjesman [A. 2] . Volgens [werknemer] was zij werkzaam via Effektief Groep, de huidige schoonmaker op [de B.V.] . Hij heeft niet ontkend dat zij niet of nauwelijks Nederlands of Engels spreekt en evenmin dat hij ervoor heeft gezorgd dat zij aan boord van [de B.V.] is gekomen. Onduidelijk is gebleven welk specifiek belang [de B.V.] hierbij had.

4.8.5

Uit bijlage A5 komt naar voren dat [werknemer] voor de levering van sanitair voor [een hotel] (evenals [de B.V.] eigendom van de [H.] en [J.] ) [R.] heeft benaderd met de vraag prijzen op te vragen van sanitair van een bepaald merk. Daarbij heeft [werknemer] vermeld dat dit buiten [manager] , general manager van het hotel, om diende te gaan. Ook heeft hij vermeld dat [H.] nog niet mocht weten dat dit van [R.] en [K.] zou komen en dat eerst gekeken zou moeten worden of “we” goedkoper zijn.

[werknemer] heeft tijdens het gesprek bevestigd dat het hier om de levering van sanitair voor [H.] gaat. Hij heeft ook verklaard dat hij het tegen [R.] en [K.] zei als hun prijzen te hoog waren (of, zo begrijpt de kantonrechter, wat zij moesten doen om de opdracht te krijgen). Hieruit blijkt dat ook hier professionele afstand heeft ontbroken (integendeel) en dat het aan boord brengen van [R.] heimelijk heeft plaatsgevonden.

4.9

Tegenover de gedetailleerde stellingen van [de B.V.] , onderbouwd met WhatsApp-berichten en toelichtingen van [R.] , heeft [werknemer] weinig concreets ingebracht. Hij heeft zich, ook ter zitting, vooral gericht op het geven van een andere uitleg aan de gebeurtenissen die uit de WhatApp-berichten blijken. Die andere uitleg is echter ongeloofwaardig, inconsistent of beperkt tot louter een verhaal. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een opgave van de opdrachten die [werknemer] tot 2011 voor [R.] zou hebben bemiddeld en begeleid en die de grondslag zouden vormen van de betalingen van [R.] aan [werknemer] (of de door [R.] voor eigen rekening voor [werknemer] verrichte werkzaamheden). En voor wat betreft het schilderwerk van [S.] in de woning van [werknemer] (zie 3.4), moet worden vastgesteld dat noch een verklaring van [S.] noch een betalingsbewijs in het dossier is terug te vonden. Voor zover [werknemer] heeft betoogd dat hij (sommige) besluiten in het MT heeft besproken, heeft ook hier te gelden dat hij dat niet heeft onderbouwd. Verslagen of verklaringen van MT-leden ontbreken geheel. Nu het verweer van [werknemer] niet of onvoldoende is onderbouwd, gaat de kantonrechter uit van hetgeen uit het WhatsApp-verkeer blijkt en op basis daarvan is toegelicht.

4.10

Aan het bovenstaande voegt de kantonrechter nog toe dat de door [werknemer] overgelegde referenties geen betrekking hebben op de door [de B.V.] aan [werknemer] gemaakte verwijten. Voor de door [werknemer] eveneens overgelegde e-mails van [K.] en [T.] geldt dat [K.] en [T.] zelf betrokken zijn bij de aan [werknemer] gemaakte verwijten, in dit licht bezien aan hun objectiviteit kan worden getwijfeld en hun verklaringen daarom beperkte betekenis hebben.

4.11

Gelet op het hetgeen hierboven is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is geweest van ontoelaatbare belangenverstrengeling. De functie van [werknemer] bij [de B.V.] en zijn betrokkenheid bij [R.] , [K.] en ook [T.] liepen nagenoeg naadloos in elkaar over. Ook is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [werknemer] van het gunnen van werk aan de hiervoor genoemde personen of hun vennootschappen zelf voordeel heeft genoten, financieel en mogelijk ook ander voordeel. De belangen van [de B.V.] die hij moest dienen zijn hierdoor op de achtergrond gekomen. Voorts is er geen goede reden te bedenken waarom [werknemer] de grote aanwezigheid van [R.] , [K.] en [T.] in het aannemersbestand van [de B.V.] , en zijn nauwe relaties met hen, niet aan (het management van) [de B.V.] heeft gemeld. Dit raakt in ernstige mate aan zijn integriteit en [de B.V.] heeft hem ook in dit opzicht terecht een verwijt kunnen maken. Een gezonde governance in het bedrijf van [de B.V.] vereist voldoende afstand tot aannemers en leveranciers en waar dit niet (meer) het geval is melding daarvan aan het management. Iemand in de functie van [werknemer] , die opdrachten kan gunnen en weigeren, had dit zonder meer in acht moeten nemen wat hij niet heeft gedaan.

4.12

De kantonrechter is voorts van oordeel dat hetgeen aan [werknemer] wordt verweten, en [de B.V.] aan zijn ontslag ten grondslag heeft gelegd, een dringende reden vormt voor het op 15 maart 2018 gegeven ontslag op staande voet. Van [de B.V.] kon redelijkerwijze niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.13

Tot slot nog het volgende. [H.] en [J.] hebben ontdaan gereageerd op het bericht van [werknemer] aan [R.] (bijlage A5) waar hij schrijft “ [H.] mijn second vader”, met twee emoticons erachter die huilen van het lachen. Waarmee klaarblijkelijk ironisch bedoeld is dat [H.] (te) goed voor hem was. Zij hebben eveneens ontdaan gereageerd op het onder 2.6 vermelde filmpje waarin is te zien dat de “ [naam groep] ”, onder wie [werknemer] , in de skybox van Ajax scanderen: “ [H.] , [H.] , [H.] !”. Wat de musketiers hiermee ook hebben bedoeld, het bevestigt de niet integere houding van [werknemer] ten opzichte van zijn werkgever.

4.14

Slotsom is dat de verzoeken onder a tot en met g zullen worden afgewezen.

4.15

[werknemer] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de kant van [de B.V.] vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde.

in de zaak met kenmerk 6871236 VZ VERZ 18-10017

4.16

Als vermeld is in deze zaak, bij tussenbeschikking van 30 juli 2018, op verzoek van [de B.V.] de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 september 2018 ontbonden. Beide partijen stuurden daarop aan. Ter beoordeling ligt nog voor of [werknemer] aanspraak heeft op de transitievergoeding en of [de B.V.] recht heeft op de vergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 en 3 BW.

4.17

Gezien hetgeen hierboven over het ontslag op staande voet is overwogen, komt de kantonrechter thans tot het oordeel dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [werknemer] .

4.18

Vanwege deze ernstige verwijtbaarheid is [de B.V.] conform artikel 7:673 lid 7, aanhef en onder c BW de transitievergoeding niet verschuldigd. De door [de B.V.] onder c verzochte verklaring voor recht zal daarom worden gegeven.

4.19

[de B.V.] heeft onder a verzocht [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 8.932,50 als schadevergoeding. Gezien hetgeen is overwogen over het ontslag op staande voet en gelet op het bepaalde in artikel 7:677 lid 2 en 3 BW zal dit bedrag worden toegewezen (voor zover [de B.V.] dit niet al heeft verrekend).

4.20

[werknemer] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de kant van [de B.V.] vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak met kenmerk 6826633 VZ VERZ 18-887

wijst de verzoeken af;

veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de kant van [de B.V.] vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in de zaak met kenmerk 6871236 VZ VERZ 18-10017

verklaart voor recht dat [werknemer] geen recht heeft op de transitievergoeding;

veroordeelt [werknemer] tot betaling aan [de B.V.] van € 8.932,50;

veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de kant van [de B.V.] vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde;

wijst af het méér of anders verzochte;

in beide zaken

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, voor zover nodig met toepassing van artikel 288 Rv.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Langeler en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465

Bijlagen:

  • -

    A1 (4 pagina’s)

  • -

    A2 (16 pagina’s)

  • -

    A3 (6 pagina’s)

  • -

    A4 (15 pagina’s)

  • -

    A5 (4 pagina’s)

  • -

    B (2 pagina”s)

  • -

    C (16 pagina’s)

  • -

    D (24 pagina’s)