Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8261

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
C/10/557708 / FT EA 18/1423 - 1424
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek moratorium. Op 17 februari 2017 is een eerder verzoek ex artikel 287b, eerste lid, Fw toegewezen gedurende een termijn van zes maanden. Tegen de achtergrond van dit eerdere vonnis moeten naar het oordeel van de rechtbank hoge eisen worden gesteld aan het huidige verzoek.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 2 oktober 2018

[naam] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 31 augustus 2018, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 31 augustus 2018 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 25 september 2018.

Ter zitting van 25 september 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    de heer A. Delen, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: SHV);

  • -

    mevrouw S. van Gorkum, eveneens werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam;

De heer mr. G. Meijerink, werkzaam bij Bazuin & Partners heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In dit verweerschrift is aangegeven dat (de gemachtigde van) verweerster niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 18 juli 2014 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Op 17 februari 2017 is een eerder verzoek ex artikel 287b, eerste lid, Fw toegewezen gedurende een termijn van zes maanden. Gebleken is dat in deze periode geen minnelijk traject is opgestart. Verzoekster heeft destijds geen beschermingsbewind aangevraagd en heeft na een aantal maanden besloten om zelf haar zaken te gaan regelen. Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat ze zich realiseert dat ze destijds een verkeerde keuze heeft gemaakt.

Op 31 augustus 2018 heeft verzoekster een gesprek gehad met SHV en afgesproken is dat verzoekster op korte termijn beschermingsbewind gaat aanvragen, meewerkt aan ondersteuning van het wijkteam, afspraken met haar consulent Werk en inkomen van de gemeente Rotterdam nakomt en de vaste lasten betaalt. Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat beschermingsbewind is aangevraagd. Een bewijsstuk daarvan heeft verzoekster niet kunnen overleggen. Met betrekking tot het nakomen van de afspraken met haar consulent Werk en inkomen heeft verzoekster een afsprakenplan van 11 september 2018 overgelegd. Verzoekster heeft verklaard dat ze deze afspraken nog niet is nagekomen. SHV heeft ter terechtzitting verklaard dat verzoekster van SHV tot 18 oktober 2018 de tijd heeft gekregen om haar afspraken na te komen.

3 Het verweer

De gemachtigde van verweerster heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat het dossier inmiddels een flinke voorgeschiedenis van coulancehalve betalingsregelingen, aan- en afmeldingen bij schuldhulpverlening en ontruimingsaanzeggingen- en afmeldingen kent. Nadat verzoekster haar aanvraag voor schuldhulpverlening had ingetrokken is verweerster akkoord gegaan met een door verzoekster voorgestelde betalingsregeling. In september 2017 dreigde deze regeling te vervallen nu de huur voor de maand september 2017 niet tijdig werd voldaan. Verzoekster heeft uiteindelijk de huur van september op 20 september 2017 voldaan. Uiteindelijk is de betalingsregeling in juli 2018 komen te vervallen omdat deze wederom niet correct werd nagekomen. De huurachterstand zonder rente en kosten bedraagt momenteel € 7.545,18. Dit betekent dat de huurachterstand na het vonnis van 17 februari 2017 is opgelopen. Gezien het eerdere vonnis van 17 februari 2017, de daaraan voorafgaande geschiedenis en het opnieuw niet nakomen van de gemaakte afspraken, heeft verweerster er geen vertrouwen in dat een minnelijke schuldregeling heden enig effect zal hebben. Om die reden verzoekt de gemachtigde van verweerster het verzoekschrift tot het treffen van een moratorium af te wijzen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 18 juli 2014 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 24 juli 2018 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 september 2018 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 juli 2014 ten uitvoer kan leggen.

In het vonnis van 17 februari 2017 heeft de rechtbank opgemerkt dat verweerster veel constructieve pogingen heeft gedaan om met verzoekster tot een oplossing te komen, terwijl het aan verzoekster is te wijten dat dat niet is gelukt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van verzoekster ligt om nu – samen met SHV en de in te schakelen beschermingsbewindvoerder – met spoed actie te ondernemen om tot een duurzaam stabiele situatie te komen. Tegen de achtergrond van dit eerdere vonnis moeten naar het oordeel van de rechtbank hoge eisen worden gesteld aan het huidige verzoek. Met name dient te blijken dat verzoekster daadwerkelijk de intentie heeft een oplossing te vinden voor haar schuldenproblematiek. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster hiervan onvoldoende blijk heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de huidige informatie onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De afgelopen maanden is de huur vaak onvolledig dan wel niet tijdig voldaan. Verzoekster heeft op dit moment nog niet voldaan aan de door schuldhulpverlening gestelde voorwaarden. Zij heeft niet alleen geen bewijsstukken van haar aanvraag voor beschermingsbewind kunnen overleggen; zij heeft ook nog niet voldaan aan de afspraken met de consulent van Werk en inkomen en nog geen contact met het wijkteam gezocht. Dat betekent ook dat thans niet bekend is óf en wanneer een minnelijk traject zal worden opgestart. Gelet op de voorgeschiedenis had meer inspanning van verzoekster mogen worden verwacht. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.