Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8250

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
C/10/477150 / HA ZA 15-608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling na deskundigenbericht. Aansprakelijkheid gedaagde in hoofdzaak voor 75% van schade van eiseressen in hoofdzaak. Deze schade bestaat met name uit schade van werknemer wegens opgelopen letsel. Afwijzing vordering in vrijwaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0837
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 29 augustus 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/477150 / HA ZA 15-608 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COFELY ZUID NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Oisterwijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COFELY EXPERTS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseressen,

advocaat mr. A.J. van Steenderen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN OPERATIONS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.K. Baas te Arnhem,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/486135 / HA ZA 15-1025 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN OPERATIONS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. D.K. Baas te Arnhem,

tegen

de stichting

STICHTING MEANDER MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. N. van den Burg te Utrecht.

Eiseressen 1 en 2 zullen hierna gezamenlijk Cofely en afzonderlijk Cofely Zuid en Cofely Experts genoemd worden. Eiseres sub 3 zal hierna Reaal worden genoemd. De overige partijen zullen worden aangeduid als Stedin en Meander.

1. De procedure in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 november 2016, en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het door de heer [deskundige] op 15 juni 2017 opgemaakte deskundigenrapport, met bijlagen;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 januari 2018.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Cofely Zuid en Cofely Experts zijn beiden gespecialiseerd in het onderhouden en beheren van (elektro)technische installaties. Reaal is de aansprakelijkheidsverzekeraar van beide vennootschappen.

2.2.

Tussen Cofely Experts en Meander bestaat een onderhoudsovereenkomst. Deze overeenkomst omvat het onderhouden door Cofely Experts van de technische systemen van Meander inclusief het verrichten van reparaties, het vervangen van onderdelen en het verhelpen van storingen.

2.3.

Op 21 januari 2011 heeft er een brand plaatsgevonden in transformatorhuisje C van het transformatorstation dat zich net buiten het hoofdgebouw van Meander bevindt. Dit leidde tot problemen in de elektriciteitsvoorziening van Meander. Meander heeft vervolgens op grond van voornoemde onderhoudsovereenkomst Cofely Experts opdracht gegeven tot het herstellen van de schade aan haar technische installatie als gevolg van de brand.

Ten behoeve van de werkzaamheden was de heer [persoon 1] de installatieverantwoordelijke van Meander.

2.4.

De brand heeft ook geleid tot schade aan de elektrische installatie van netbeheerder Stedin. Stedin heeft Joulz B.V. opdracht gegeven tot het herstellen van de schade aan haar elektrische installatie. Joulz B.V. heeft per 1 januari 2015 haar naam gewijzigd in Stedin Operations B.V. Hierna wordt verder gesproken over Stedin als de vennootschap die is belast met het herstel van de schade aan de elektrische installatie, ook als het gaat over de periode vóór 1 januari 2015. Tijdens de werkzaamheden was de heer [persoon 2] de werkverantwoordelijke namens Stedin.

2.5.

Het transformatorstation behoort tot het domein van Stedin (de bovenruimte). Onder het transformatorstation bevindt zich de ruimte waar Cofely Experts haar werkzaamheden uitvoerde (de onderruimte). Deze twee ruimtes zijn fysiek gescheiden door het plafond/de vloer.

2.6.

Stedin diende in het kader van haar werkzaamheden zorg te dragen voor het reinigen van de transformatorruimten en de hierin aanwezige installaties in het transformatorstation alsmede voor vervanging van transformator 2 en het laagspanningsrek in transformatorruimte C.

2.7.

Cofely Experts diende zorg te dragen voor vervanging van alle kabelverbindingen tussen de laagspanningsrekken in de transformatorruimten (in de bovenruimte) en de laagspanningsverdeling in de ruimte daaronder. Met deze kabels wordt een verbinding gelegd tussen de elektrische installatie van Meander (in de onderruimte) en die van netbeheerder Stedin in de bovenruimte. Op verzoek van Cofely Experts hebben vier werknemers van Cofely Zuid geassisteerd bij de werkzaamheden. Een van deze werknemers was de heer [persoon 3] , hoofd elektromonteur.

2.8.

Op 21 januari 2011 zijn de werkzaamheden door Cofely Experts en Stedin aangevangen. Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden is een veilige werkomgeving gecreëerd door de spanning overal af te halen. In dit verband heeft Stedin onder meer de meszekeringen (ook te noemen: messen) uit het laagspanningsrek (waartoe ook de Jean Mullerstrook behoort) aan haar zijde gehaald.

2.9.

De heren [persoon 7] en [persoon 8] van Stedin hebben in de ochtend van 22 januari 2011 (tussen 5.00 en 9.00 uur) messen en kappen teruggeplaatst in de Jean Mullerstrook. Zij hebben hiervan geen melding gemaakt bij de overdracht van de werkzaamheden aan hun collega [persoon 4] in de vroege ochtend van 22 januari 2011.

2.10.

Op 22 januari 2011 was de heer [persoon 3] werkzaam aan de elektrische installatie van Meander in de onderruimte. Op die dag is in opdracht van de heer [persoon 2] van Stedin op enig moment spanning op het laagspanningsrek gezet, met als gevolg dat de afgaande kabels die de heer [persoon 3] aan het monteren was onder spanning zijn komen te staan. Stedin heeft niet aan (medewerkers van) Cofely Zuid en/of Cofely Experts en/of Meander gecommuniceerd dat zij spanning zou gaan zetten op het laagspanningsrek.

2.11.

De heer [persoon 3] heeft als gevolg hiervan ernstig letsel opgelopen.

2.12.

Naar aanleiding van het ongeval heeft er een onderzoek door de Arbeidsinspectie plaatsgevonden dat heeft geleid tot een proces-verbaal Arbeidsomstandigheden van 1 oktober 2012.

Dit proces-verbaal luidt - voor zover relevant - als volgt:

“De heer [persoon 2] (…) verklaart op maandag 14 februari 2011 o.a. het volgende:

“(…)

Ik stond met [persoon 6] in traforuimte [persoon 5] stond [persoon 4] . We hadden de hoogspanningsinstallatie geheel in bedrijf gesteld. Dat kon omdat het laagspanningsrek door middel van de doorverbindingsmessen was afgescheiden van de klantinstallatie. Dit doorverbindingsmessenrek is de scheiding tussen het laagspanningsgedeelte van de trafo en het laagspanningsrek. (…) Ik ben beneden gaan kijken hoever de werkzaamheden van Cofely waren. Dit was ergens tussen 15.00 en 15.30 uur. Ik heb niets met hun besproken omdat zij niets met onze werkzaamheden te maken hadden. Dit zijn werkzaamheden die aan de installatie van Stedin door ons moeten worden uitgevoerd. Vervolgens ben ik weer naar boven gegaan. In overleg met mijn collega’s hebben we toen de testhandelingen uitgevoerd om het draaiveld en de spanning te meten. Op dat moment was de hoogspanningsinstallatie volledig in bedrijf. Toen mijn collega [persoon 6] de messenkap plaatste hoorden we een klap en in een reactie heeft Han direct deze kap weer verwijderd. We wisten dat er iets fout was. (…) We zagen dat in de klantaansluiting een of meer messen zaten. Dit is voor ons een zwart gat. Ik weet niet wie deze meszekeringen heeft geplaatst. (…)

Ja, bij het nieuwe rek heb ik drie maal gecontroleerd of de doorverbindingsmessen aan de klantzijde eruit waren. Bij het rek bij traforuimte D heb ik dit naar mijn mening ook gedaan maar blijkbaar niet opgemerkt dat er nog een of meer meszekeringen erin hebben gezeten. [persoon 6] heeft ook niet gezien dat deze doorverbindingsmessen erin hebben gezeten.”

(…)

De heer [persoon 2] (…) heeft als werkverantwoordelijke in de zin van de BEI nagelaten om voor de uitvoering van de werkzaamheden de veiligheid op de werkplek te waarborgen;

Voor het toestemming geven van inschakeling van de klapscheider door [persoon 6] heeft hij niet gecontroleerd of er nog een verbinding was aan de klantzijde van de installatie;

Er was sprake van twee infrastructuren, Joulz en het ziekenhuis, waarbij geen overdracht is geweest tussen de werkverantwoordelijken, [persoon 2] en [persoon 3] onderling.

(…)”

2.13.

De heer [persoon 3] heeft Stedin aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van het ongeval geleden schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van Stedin heeft bij brief van 11 april 2013 aansprakelijkheid afgewezen.

2.14.

De heer [persoon 3] heeft vervolgens Cofely aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade.

2.15.

Cofely heeft aansprakelijkheid voor het ongeval van de heer [persoon 3] afgewezen. Cofely en Reaal als de aansprakelijkheidsverzekeraar hebben wel - zonder erkenning van aansprakelijkheid - besloten de schaderegeling voor de heer [persoon 3] op zich te nemen en verhaal te halen op Stedin.

2.16.

De heer [persoon 3] heeft middels een akte van cessie van december 2014 zijn (rechts)vorderingen en weren die hij op of tegen derden heeft of zal hebben ter zake de door hem geleden schade en gemaakte kosten en nog te lijden schade en te maken kosten als gevolg van het ongeval aan Cofely en Reaal overgedragen (en deze zijn geaccepteerd door Cofely en Reaal) voor die schade en kosten en de omvang ervan die Cofely en Reaal aan hem hebben vergoed en zullen hebben vergoed.

2.17.

Cofely heeft onderzoek laten doen door Cunningham Lindsey naar de door de heer [persoon 3] geleden schade.

2.18.

In opdracht van de rechtbank is bij tussenvonnis van 9 november 2016 de heer ir. [deskundige] , werkzaam bij Elektroraad Expertise B.V. benoemd tot deskundige.

2.19.

De heer [deskundige] heeft op 15 juni 2017 een rapport uitgebracht . Dit rapport luidt - voor zover relevant - als volgt (teneinde het terugvinden van de verschillende passages makkelijker te maken heeft de rechtbank in de tekst de regelnummering van de betreffende passages toegevoegd):

Beantwoording vraag 1: Hoe liggen de verhoudingen tussen de installatie- en werkverantwoordelijken van partijen bij een werk als het onderhavige en wat houden deze functies is?

(…)

De verhouding tussen de installatie- en werkverantwoordelijke van partijen bij het onderhavige werk

De verhouding tussen Meander en Cofely

(…)

Tussen Meander en Cofely was dus, kennelijk (met noot deskundige: Aangezien er een installatieverantwoordelijke en een werkverantwoordelijke bij de werkzaamheden betrokken waren. Deze benamingen komen uitsluitend voort uit het toepassen van NEN-EN 50110-1), overeengekomen dat de NEN 50110-1 en NEN 3140 van kracht was en dat Cofely verantwoordelijk was voor het veilig verloop van de werkzaamheden. In deze verhouding zou de bemoeienis van de installatieverantwoordelijke van Meander zich dus moeten beperken tot de bedrijfsvoering van de elektrische installatie van het ziekenhuis. In onderhavige situatie zou dat betekenen dat de installatieverantwoordelijke zich (vooral) bekommerde over het verloop van de werkzaamheden en de gevolgen daarvan voor de bedrijfscontinuïteit van het ziekenhuis. Uit de verklaring van de heer [persoon 1] van 31 maart 2016 (…) blijkt dat dat inderdaad zijn zorg was: (…) (270-290)

De verhouding tussen Meander/Cofely en Stedin/Joulz

Stedin/Joulz werkte volgens het BEI-BS. Het BEI-BS was van kracht doordat Stedin/Joulz deze zelf van kracht hebben verklaard op het uitvoeren van werkzaamheden.
(…)

Tussen Meander en/of Cofely en Stedin/Joulz was geen overeenkomst. Tussen Meander en/of Cofely en Stedin/Joulz was derhalve noch de NEN-EN 50110-1 en NEN 3140 noch het BEI-BS van kracht.

(…)

Voor een beschouwing van het handelen van Cofely, Meander en Stedin/Joulz in onderling verband staand moeten de algemene uitgangspunten van de Arbeidsomstandighedenwet worden gehanteerd waar NEN-EN 50110-1 en NEN 3140 en het BEI-BS een specifieke invulling aangeven, zonder deze specifieke invulling te beschouwen. Die waren immers in dit onderlinge verband niet van kracht. (300-327)

Beantwoording vraag 2: Welke betekenis komt toe aan overleg tussen monteurs/werkverantwoordelijken en installatieverantwoordelijken van Joulz, Cofely en Meander in de gegeven omstandigheden, in vergelijking met afspraken op het niveau van alleen de installatieverantwoordelijken onderling? Wilt u hierbij expliciet ingaan op het standpunt van Joulz dat ingevolge NEN 3140 uitsluitend communicatie dient plaats te vinden tussen de installatieverantwoordelijken van beide installaties en dat geen waarde kan worden toegekend aan communicatie op lagere niveaus. Kunt u aangeven of dit standpunt onder de gegeven omstandigheden en gelet op de geldende regelgeving houdbaar is?

(…)

Aangezien in de verhoudingen tussen Meander en Stedin/Joulz en tussen Cofely en Stedin/Joulz noch NEN-EN 50110-1 en NEN 3140 noch BEI-BS van kracht waren is deze verantwoordelijkheid tot afstemming niet toe te kennen aan de respectievelijke installatieverantwoordelijken en werkverantwoordelijken. Slechts gesteld kan worden dat het in de rede lag [dat] de heer [persoon 1] deze afstemming op zich nam, aangezien hij de vertegenwoordiger van Meander was. Ter plaatse wendde hij zich tot degene die de leiding had over de werkzaamheden van Stedin/Joulz, de werkverantwoordelijke van Stedin/Joulz. Maar dat betekent dus niet dat tussen hen de verhouding installatieverantwoordelijke-werkverantwoordelijke bestond. Die verhouding bestond slechts tussen de installatieverantwoordelijke van Stedin/Joulz en de werkverantwoordelijke van Stedin/Joulz (en wel beheerst door het BEI-BS) respectievelijk de installatieverantwoordelijke van Meander en werkverantwoordelijke van Cofely (en wel beheerst door NEN-EN 50110-1 en NEN 3140).

In de onderhavige situatie wordt dus ook niet toegekomen aan bepaling 4.3 van NEN-EN 50110-1. (…)

In de verhouding tussen Meander en Stedin/Joulz was deze bepaling niet van kracht. Bovendien, als deze bepaling wel van kracht zou zijn geweest, had deze, ten aanzien van het veilige verloop van de werkzaamheden, geen relevantie gehad. Zoals bij de beantwoording van vraag 1 beschreven, is de installatieverantwoordelijke verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. De afspraken die tussen twee installatieverantwoordelijken worden gemaakt zijn derhalve op de bedrijfsvoering van beide installaties gericht en niet op een veilig verloop van werkzaamheden aan in elkaars nabijheid gelegen installaties. (350-375)

(…)

Op grond van art. 19 Arbeidsomstandighedenwet, lid 1:

1. Indien in een bedrijf of een inrichting verschillende werkgevers arbeid doen verrichten, werken zij onderling op doelmatige wijze samen teneinde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren.

lag op voorhand de verplichting op het coördineren van de werkzaamheden bij Cofely en Stedin/Joulz, en niet bij Meander, aangezien Cofely en Stedin/Joulz de materiële werkgevers waren [van] het personeel dat de werkzaamheden uitvoerde en dus aan de bij de werkzaamheden gekoppelde elektrische gevaren blootstonden. (414-422)

Beantwoording vraag 3: Welke veiligheidsmaatregelen waren ten tijde van het incident getroffen aan de zijde van Stedin/Joulz?

(…)

Beantwoording vraag 4: Waren deze maatregelen toereikend bij toetsing aan de regelgeving die voor het onderhavige geval gold?

(…)

Onderscheid moet gemaakt worden tussen de veiligheidsmaatregelen die getroffen waren ten behoeve van de werkzaamheden van Stedin/Joulz en de veiligheidsmaatregelen die getroffen waren ten behoeve van de werkzaamheden van Meander/Cofely.

Daarnaast moet ook nog onderscheid worden gemaakt tussen de veiligheidsmaatregelen die aanvankelijk getroffen waren en waarvan Meander/Cofely veronderstelde dat die nog effectief waren bij aanvang van de werkzaamheden aan de zijde van Meander/Cofely die uiteindelijk leidde tot het incident en de veiligheidsmaatregelen die daadwerkelijk nog op hun plaats waren ten tijde van het incident.

(…) (494-502)

De veiligheidsmaatregelen die daadwerkelijk nog op hun plaats waren aan de zijde van Stedin/Joulz ten behoeve van de werkzaamheden van Stedin/Joulz ten tijde van het incident

Ten tijde van het incident bestonden de werkzaamheden van Stedin/Joulz uit het beproeven van de installatie aan de zijde van Stedin/Joulz. De beproeving bestond eruit de fase-volgorde te controleren. Hiervoor moet de installatie onder spanning zijn. Hiertoe heeft Stedin/Joulz de beveiligingsmaatregelen die aan de primaire zijde van de transformator waren genomen opgeheven. Aangezien Stedin/Joulz rekening hield met terugvoeding vanuit de installatie van Meander was het essentieel dat de installatie van Stedin/Joulz gescheiden was van de installatie van Meander (noot van deskundige: los nog van het feit dat deze scheiding ook essentieel was voor het veilige verloop van de werkzaamheden van Meander/Cofely op dat moment in de ruimte van Meander). In het proces-verbaal van comparitie, d.d. 10 februari 2016 verklaart Stedin:

85 “(…) Ook het verwijderen van die messen ziet toe op de veiligheid aan de eigen zijde, dus het deel van Stedin, en is niet de belangrijkste veiligheidsstop. Dit is een maatregel die wordt genomen in verband met het risico van terugvoeding vanuit Meander, wat mogelijk is door de warmtekrachtkoppeling en door de aggregaten aan de zijde van Meander.”

Het was de bedoeling om dat te bewerkstelligen door de messen van de Jean Mullerstrook te verwijderen. Deze scheiding was, voor een veilig verloop van de beproeving die Stedin/Joulz uit ging voeren, in tegenstelling tot wat Stedin/Joulz in het hierboven aangehaalde citaat verklaart, juist wel essentieel.

(…) Daarom was het voor Stedin/Joulz essentieel om de scheiding tussen de installatie van Stedin/Joulz en de installatie van Meander te waarborgen. Deze waarborg wordt verkregen door (zie wederom bep. 6.2 van NEN-EN 50110-1).

  1. Volledig scheiden;

  2. Beveiligen tegen wederinschakeling;

  3. Controleren of de installatie spanningsloos is;

  4. Zorgen voor aarding en kortsluiting.

Slechts de eerste van deze maatregelen is gepoogd getroffen te worden, en zelfs die onvolledig (één van de messen was niet verwijderd uit de Jean Mullerstrook). Met het nemen van de drie overige maatregelen zou ontdekt zijn dat dat mes niet verwijderd was.

De veiligheidsmaatregelen waren niet toereikend. (557-585)

De veiligheidsmaatregelen die daadwerkelijk nog op hun plaats waren aan de zijde van Stedin/Joulz ten behoeve van de werkzaamheden van Meander/Cofely ten tijde van het incident

Ten tijde van het incident bestonden de werkzaamheden van Meander/Cofely eruit de kabel die kwam vanuit de ruimte van Stedin/Joulz (die door Meander/Cofely eerder die dag aan de zijde van Stedin/Joulz op het laagspanningsrek was aangesloten) aan te sluiten op de hoofdverdeelinrichting van Meander.

Voor een veilig verloop van deze werkzaamheden was het essentieel dat de verdeelinrichting gescheiden was van alle voedingsbronnen, te weten:

  • -

    de installatie van Stedin/Joulz;

  • -

    de warmtekrachtkoppeling;

  • -

    het noodstroomaggregaat.

(…)

Voor de scheiding van de installatie van Stedin/Joulz vertrouwde Meander/Cofely op de veiligheidsmaatregelen die aanvankelijk aan de zijde van Stedin/Joulz waren getroffen. Het feit dat de werkzaamheden nu echter in de ruimte van Meander plaatsvonden bracht een aanvullend risico met zich mee, namelijk, dat zonder medeweten en buiten het zicht van Meander/Cofely Stedin/Joulz de beveiligingsmaatregelen kon opheffen. Het moge duidelijk zijn dat goede afspraken in dit soort situaties essentieel zijn. In de praktijk wordt in dit soort situaties echter niet alleen op afspraken vertrouwd maar wordt het fysiek onmogelijk gemaakt dat de veiligheidsmaatregelen worden opgeheven zonder dat alle partijen die voor hun veiligheid afhankelijk zijn van deze maatregelen daarbij zijn betrokken. Dat kan eenvoudig worden bewerkstelligd door het aanbrengen van een vergrendeling met sleutel. Overigens moest Meander/Cofely noodzakelijkerwijs vertrouwen op veiligheidsmaatregelen aan de zijde van Stedin/Joulz aangezien de scheiding tussen de installatie van Stedin en Meander ten behoeve van de werkzaamheden van Meander/Cofely ten tijde van het incident uitsluitend aan de zijde van Stedin/Joulz te nemen waren. (met noot van de deskundige: Stedin/Joulz stelt dat Meander/Cofely (in het proces-verbaal van comparitie d.d. 10 februari 2016 onder nummer 100 e.v.) aan de eigen zijde veiligheidsmaatregelen had moeten nemen, maar van elke elektrotechnische opgeleide persoon ter plaatse mag worden verwacht dat deze zich in de onderhavige situatie ervan bewust is dat dat niet mogelijk is).

Doordat Stedin/Joulz de aanvankelijk getroffen veiligheidsmaatregelen had opgeheven om de installatie aan hun zijde te beproeven en doordat zij niet eerst een volledige scheiding met de installatie van Meander hebben bewerkstelligd, was er, ten behoeve van de werkzaamheden van Meander/Cofely geen enkele beveiligingsmaatregel meer getroffen. Vanzelfsprekend is dat ontoereikend. (603-620)

Beantwoording vraag 5: Welke veiligheidsmaatregelen waren ten tijde van het incident getroffen aan de zijde van Meander/Cofely

(…)

Aangezien er rekening gehouden moest worden met terugvoeding vanuit de installatie van Meander was het essentieel dat de installatie van Stedin gescheiden was van de installatie van Meander (…). Dat had bewerkstelligd kunnen worden aan de zijde van Meander/Cofely (en dat was ook daadwerkelijk gedaan) door de warmtekrachtkoppeling en de noodaggregaat te scheiden.(655-660)

(…)

Ten tijde van het incident bestonden de werkzaamheden van Meander/Cofely eruit de kabel die kwam vanuit de ruimte van Stedin/Joulz (die door Meander/Cofely eerder die dag aan de zijde van Stedin/Joulz op het laagspanningsrek was aangesloten) aan te sluiten op de hoofdverdeelinrichting van Meander.

Voor een veilig verloop van deze werkzaamheden was het essentieel dat de verdeelrichting gescheiden was van alle voedingsbronnen, te weten:

  • -

    de installatie van Stedin/Joulz;

  • -

    de warmtekrachtkoppeling;

  • -

    het noodstroomaggregaat

De warmtekrachtkoppeling en de noodstroomaggregaat zijn gescheiden van de hoofdverdeelinrichting, en door het uitrijden van de scheiders (zie de verklaring van heer [persoon 1] hieromtrent in Akte uitlaten deskundige en wetenschap Stedin/Joulz d.d. 17 juli 2016 (KBS Advocaten), productie 10, pag. 2, 2e alinea) was deze scheiding gewaarborgd. (653-675).

Beantwoording vraag 6: Waren deze maatregelen toereikend bij toetsing aan de regelgeving die voor de onderhavige situatie gold?

De beveiligingsmaatregelen waren toereikend. (707)

Beantwoorden vraag 7: Mocht Joulz, gelet op de geldende regelgeving, in onderhavige situatie de installatie van Stedin beproeven? Zou u daarbij ook willen aangeven of in dit opzicht betekenis toekomt aan artikel 10 Arbeidsomstandighedenwet: (…)

(…)

Gelet op de eigen veiligheid

Had Joulz de procedure die geldt voor het waarborgen van de scheiding wel doorlopen, dan zou ontdekt zijn dat één van de messen van de Jean Muller strook niet was verwijderd en zou het incident niet plaatsgevonden hebben. (…) Het doorlopen van de juiste procedure was eenvoudig uit te voeren door Joulz.

Joulz mocht dus de installatie van Stedin, gelet op de eigen veiligheid, niet beproeven. (729-735)

Gelet op de veiligheid van Meander/Cofely

Stedin/Joulz heeft gesteld dat het bij de werkzaamheden geen rekening hoefde te houden met de eventuele gevolgen die dat had voor de werkzaamheden van Meander/Cofely en dat zij er vanzelfsprekend vanuit mochten uitgaan dat Meander/Cofely de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen zouden nemen en dat Stedin/Joulz dat niet hoefde te verifiëren.

(…)

De stelling van Stedin/Joulz in deze is niet conform de opvatting van de branche. Dat afspraken en coördinatie essentieel zijn voor een veilig verloop van werkzaamheden die in elkaar nabijheid, laat staan die aan dezelfde installatie worden uitgevoerd, wordt op verschillende punten in zowel in het BS-BEI als in de NEN-EN 50110-1 en NEN 3140 benadrukt.
(…)

Deze citaten geven de standaard in de branche weer (met noot van de deskundige: Daarbij wordt afgezien van de onderlinge (contractuele) verhouding die partijen in de aangehaalde citaten worden verondersteld te hebben. Het gaat om het onderliggende veiligheidsprincipe): bij werkzaamheden die in elkaars nabijheid worden uitgevoerd en die invloed op elkaar hebben ten aanzien van een veilig verloop van de respectievelijke werkzaamheden, is coördinatie essentieel.


Nu is eerder (bij de beantwoording van vraag 1) vastgesteld dat in de verhouding Stedin/Joulz met Meander/Cofely noch NEN-EN 50110-1 en NEN 3140 noch het BEI-BS formeel van kracht is, aangezien deze partijen geen overeenkomst met elkaar hebben. Nu zijn zowel NEN-EN 50110-1 en NEN 3140 en BEI-BS nadere specifieke uitwerkingen van eisen die de arbeidsomstandighedenwet stelt. Bovenstaande citaten geven nadere, specifieke invulling aan artikel 10 Arbeidsomstandighedenwet. Zelfs als Stedin/Joulz zich in onderhavige situatie zou willen onttrekken van (hun eigen) branche standaard, vanwege het ontbreken van een overeenkomst met Meander/Cofely, dan wordt alsnog toegekomen aan artikel 10 Arbeidsomstandighedenwet. Het moge duidelijk zijn dat de stellingname en verklaringen van Stedin/Joulz die eerder geciteerd werden, in strijd zijn met beide.

Omdat, op grond van de branche standaard en volgens de Arbeidsomstandighedenwet, Joulz zich rekenschap had moeten geven van de risico’s die het uitvoeren van de beproeving, en dan met name het wegnemen van de beveiligingsmaatregelen (wat voor het uitvoeren van de beproeving noodzakelijk was), met zich meebracht voor de werkzaamheden aan de zijde van Meander/Cofely (met noot van de deskundige: Dat die risico’s er waren wordt door partijen niet betwist) en omdat Joulz zich daar onvoldoende rekenschap van heeft gegeven mocht Joulz de installatie van Stedin, gelet op de veiligheid Meander/Cofely niet beproeven op de in het onderhavige geval uitgevoerde wijze (752-799).

Beantwoording vraag 8: Behoorde Cofely ten aanzien van de haar door Meander opgedragen werkzaamheden de werkmethode [en] bijbehorende veiligheidseisen voor spanningsloos werken te hanteren?
Zo ja, in welke mate heeft zij hieraan voldaan (een en ander mede gelet op de aanwezigheid van een noodstroomaggregaat en warmtekrachtkoppeling aan de zijde van Meander/Cofely?)

Cofely behoorde de werkmethode en de bijbehorende veiligheidseisen voor spanningsloos werken te hanteren. Dat moet vanwege art. 3.5 lid 3 Arbeidsomstandighedenbesluit: (…)

Cofely heeft deze methode gehanteerd (zie beantwoording vraag 3, 4, 5 en 6), met dien verstande dat Cofely heeft nagelaten om het fysiek onmogelijk te maken dat de veiligheidsmaatregelen die getroffen waren aan de zijde van Stedin/Joulz buiten gebruik zouden kunnen worden gesteld zonder hun tussenkomst. Omdat Cofely de werkzaamheden uitvoerde in een andere ruimte dan dat de beveiligingsmaatregelen genomen waren, een ruimte bovendien waar Cofely niet onbeperkt toegang tot had maar anderen wel, had Cofely zich daar rekenschap van moeten geven. Zulke maatregelen zijn eenvoudig met een vergrendeling met een sleutel te nemen. (807-820)

(…)

Beantwoording vraag 9: Was Meander/Cofely onder de gegeven omstandigheden en gelet op de geldende regelgeving gehouden om zelf te aarden op de kabel?

(…)

Voor het waarborgen van spanningsloosheid zijn scheiden, vergrendelen tegen wederinschakelen en spanningsloosheid door meting vast te stellen essentieel en mogen onder geen enkele omstandigheid worden weggelaten. Aarden is geen essentiële maatregel voor spanningsloosheid en wordt bijna altijd weggelaten (bij laagspanning).

(…)

Meander/Cofely mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat Stedin/Joulz de beveiligingsmaatregelen niet op zou heffen (met noot van de deskundige: Dat laat onverlet dat Cofely had moeten voorkomen dat zonder hun tussenkomst de beveiligingsmaatregelen werden opgeheven) (zie ook beantwoording vraag 7) en Meander/Cofely had geborgd dat terugvoeding door de warmtekrachtkoppeling en de noodstroomaggregaat niet mogelijk was. Meander/Cofely was dus niet gehouden te aarden op de kabels. (844-847)”

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Cofely en Reaal vorderen samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair: te verklaren voor recht dat Stedin aansprakelijk is voor de door Cofely en Reaal geleden schade en gemaakte kosten alsmede voor de door de heer [persoon 3] geleden schade en gemaakte kosten,

subsidiair: te verklaren voor recht dat Stedin medeaansprakelijk is naast Cofely voor de door de heer [persoon 3] geleden schade en ten behoeve van hem gemaakte kosten,

primair en subsidiair:

  • -

    Stedin te veroordelen bij wijze van voorschot tot betaling van € 160.000,00 aan Cofely en Reaal, waarbij geldt dat betaling aan een der eiseressen geldt als kwijting jegens de andere eiseressen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Stedin in de kosten van het geding,

  • -

    de zaak te verwijzen naar schadestaat voor nadere bepaling van de door Stedin te vergoeden bedragen.

3.2.

Cofely en Reaal leggen aan hun vorderingen samengevat het volgende ten grondslag.

3.3.

Cofely, en Reaal die de schade daadwerkelijk heeft vergoed, vorderen de door de heer [persoon 3] geleden schade van Stedin op grond van artikel 6:107 lid 1 BW cq. artikel 7:962 lid 1 BW, althans op grond van de als productie 7 bij dagvaarding overgelegde akte van cessie. Hetgeen hierna wordt aangevoerd moet derhalve mede worden gezien in het licht van de gestelde onrechtmatige daad van Stedin jegens de heer [persoon 3] .

3.4.

De heer [persoon 2] heeft als werkverantwoordelijke (en kennelijk als operationeel installatieverantwoordelijke) van Stedin niet onderzocht of er veilig kon worden geschakeld voor Stedin zelf en voor de omgeving. Hierdoor is letselschade ontstaan bij de heer [persoon 3] . Deze normschending geldt als een onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW jegens de heer [persoon 3] en Cofely. Stedin is hiervoor als werkgever van de heer [persoon 2] aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW. Daarnaast is er sprake van een eigen onrechtmatige daad van Stedin op grond van artikel 6:162 BW omdat zij geen maatregelen heeft genomen om haar werknemers instructies te geven tot het opvolgen van de regelgeving en hier toezicht op te houden. Stedin heeft het de heer [persoon 2] bovendien niet mogelijk gemaakt om zich aan zijn taken als werkverantwoordelijke te houden.

3.5.

Cofely en Reaal hebben als gevolg hiervan schade geleden. Deze schade bestaat uit:

  1. de door Cofely en Reaal ten behoeve van de heer [persoon 3] gemaakte kosten, bestaande uit: de kosten van het onderzoek door Cunningham Lindsey en van de belangenbehartiger van de heer [persoon 3] , de aan de heer [persoon 3] betaalde voorschotten op zijn schade en de kosten van de reïntegratie. De kosten bedragen tot op het moment van de comparitie van 11 januari 2018 € 164.898,23 + pm;

  2. de door Cofely Zuid geleden schade en gemaakte kosten bestaande uit 100% loondoorbetaling aan de heer Udovic (op basis van op artikel 6:107a BW) en de door Cofely geleden schade en gemaakte kosten bestaande uit het vrij maken van werknemers om onderzoek te doen naar de toedracht van het ongeval, intern overleg te houden over het herstel van de schade, om opvang te regelen voor de heren Van Veen, Graven en Spaan en de reïntegratie van de heer [persoon 3] . De kosten bedragen tot op het moment van de comparitie van 11 januari 2018 € 99.984,94 + pm;

3.6.

Indien de rechtbank van oordeel is dat Cofely ook aansprakelijk is voor het ongeval, geldt dat Stedin mede hoofdelijk aansprakelijk is op grond van artikel 6:10 juncto artikel 6:102 BW.

3.7.

Stedin voert verweer. Het verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen met hoofdelijke veroordeling van Cofely en Reaal bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met hoofdelijke veroordeling van Cofely en Reaal in de nakosten van € 131,00 dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,00.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

3.9.

Stedin vordert - samengevat - dat Meander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld:

  • -

    om aan Stedin te betalen al hetgeen waartoe Stedin in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met inbegrip van wettelijke rente en kosten;

  • -

    in de proceskosten van de vrijwaringszaak, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en (indien Meander de proceskosten niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis heeft voldaan) de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.10.

Stedin legt aan haar vordering samengevat het volgende ten grondslag.

Primair is Meander op grond van artikel 6:162 BW en artikel 6:170 BW (risico)aansprakelijk voor het handelen/nalaten van (in ieder geval) haar werknemer [persoon 1] . De heer [persoon 1] was installatieverantwoordelijke en tevens eindverantwoordelijke voor de veiligheid van de werkomgeving van de heer [persoon 3] en hij is nalatig geweest en heeft zorgvuldigheidsnormen geschonden.

Daarnaast is Meander zelf aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW omdat zij heeft nagelaten om een voldoende veilige werksituatie voor haar werknemers te creëren en heeft nagelaten om de benodigde maatregelen te treffen om haar werknemers instructies te verstrekken en op het opvolgen van deze instructies toe te zien.

3.11.

Indien Meander niet volledig aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en/of artikel 6:170 BW geldt dat zij (subsidiair) samen met Stedin (en Cofely) hoofdelijk aansprakelijk is en zij op grond van 6:10 lid 1 BW jo. artikel 6:101 BW en 6:102 BW gehouden is om Stedin volledig te vrijwaren althans meer subsidiair Stedin te vrijwaren voor het gedeelte van de schuld dat haar aangaat voor zover Stedin een groter deel van de schade respectievelijk kosten aan Cofely zou moeten vergoeden dan haar aangaat.

3.12.

Meander voert verweer. Dit verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Stedin bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.13.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

Het deskundigenrapport

4.1.

Zoals blijkt uit het voorgaande, is bij tussenvonnis van 9 november 2016 de heer [deskundige] als deskundige benoemd. Partijen hadden vooraf overeenstemming bereikt over benoeming van hem als deskundige en over de aan hem te stellen vragen. Het door de heer [deskundige] opgestelde deskundigenrapport dateert van 15 juni 2017. De heer [deskundige] heeft partijen op 7 april 2017 zijn rapport toegezonden om hen de gelegenheid te bieden om opmerkingen te maken en verzoeken te doen naar aanleiding daarvan. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door Cofely en Stedin. De heer [deskundige] heeft als onderdeel van zijn definitieve rapport (pagina’s 31 tot 39) op deze opmerkingen en verzoeken gereageerd.

4.2.

Ter gelegenheid van de op 11 januari 2018 gehouden comparitie van partijen heeft Stedin aangevoerd dat de heer [deskundige] ondeskundig is, hetgeen in haar visie blijkt uit de omstandigheid dat hij verkeerde stellingen inneemt ter beantwoording van vragen, en dat zijn rapport niet overtuigend is. In dit verband heeft Stedin erop gewezen dat haar zeer uitvoerig gemotiveerde input ten onrechte met enkele algemeenheden is weggeschreven, dus zonder deugdelijke inhoudelijke weerlegging ervan. Stedin heeft de rechtbank verzocht om bij de beoordeling van de zaak het deskundigenrapport ter zijde te stellen, en desgewenst een nieuwe deskundige te benoemen om dezelfde vragen nogmaals te beantwoorden.

4.3.

Cofely en Reaal onderschrijven het deskundigenrapport maar maken bezwaar tegen het oordeel van de heer [deskundige] dat Cofely eenvoudig een vergrendeling had kunnen aanbrengen aan de zijde van Stedin teneinde te voorkomen dat de installatie werd ingeschakeld door Stedin zonder dat Cofely daarbij betrokken was. In de visie van Cofely en Reaal is dit oordeel onbegrijpelijk omdat alleen Stedin toegang had tot haar eigen ruimte en Cofely niet zonder toestemming deze ruimte mocht betreden.

4.4.

Meander onderschrijft het rapport van de heer [deskundige] .

4.5.

De rechtbank acht het deskundigenrapport grondig, inzichtelijk gemotiveerd, logisch, consistent en overtuigend. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de deskundigheid van de heer [deskundige] .

Dat de heer [deskundige] ondeskundig zou zijn, zoals Stedin stelt, ligt ook niet voor de hand. Partijen hebben vooraf overeenstemming bereikt over benoeming van de heer [deskundige] als deskundige. Er moet van worden uitgegaan dat Stedin op het moment dat zij hiermee akkoord ging, voldoende informatie had (verzameld) om zich een oordeel te vormen over de deskundigheid van de heer [deskundige] en zij blijkbaar op basis van deze informatie tot de conclusie is gekomen dat de heer [deskundige] deskundig was ten aanzien van de aan hem voor te leggen problematiek.

Indien Stedin, zoals zij stelt, daadwerkelijk van mening is dat de heer [deskundige] verkeerde stellingen inneemt ter beantwoording van de vragen, had het op haar weg gelegen om dit aannemelijk te maken middels bijvoorbeeld een contra-expertise of een door een andere deskundige gegeven opinie op een bepaald punt. Dit heeft Stedin nagelaten. Het in plaats daarvan volstaan met het aanvoeren van andersluidende stellingen is onvoldoende in reactie op een uitvoerig gemotiveerd deskundigenrapport dat is opgesteld door een door alle partijen op dit terrein als deskundig aangemerkte onafhankelijke deskundige.

Anders dan Stedin is de rechtbank voorts van mening dat de heer [deskundige] voldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de reactie van Stedin op het concept-deskundigenrapport en dat hij op voldoende duidelijke en overtuigende wijze heeft aangegeven waarom hij geen reden ziet om zijn rapport aan te passen. Het gaat er daarbij om of het deskundigenrapport (in al zijn onderdelen) naar objectieve maatstaven voldoende is gemotiveerd. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval.

Ook het door Cofely en Reaal gemaakte bezwaar tegen één, voor hen bezwaarlijk, onderdeel

van het oordeel van de heer [deskundige] , is onvoldoende om het rapport op dit onderdeel terzijde te stellen. De rechtbank zal het rapport, op de cruciale punten, overnemen. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van partijen licht de rechtbank dat als volgt nader toe.

Aansprakelijkheid van Stedin voor de door Cofely en de heer [persoon 3] geleden schade?

4.6.

In de hoofdzaak dient beoordeeld te worden - zeer kort weergegeven - of Stedin aansprakelijk is voor de door Cofely en de heer [persoon 3] geleden schade als gevolg van de gestelde onrechtmatige daad van de heer [persoon 2] (waarvoor Stedin als zijn werkgever aansprakelijk is) en van Stedin zelf.

4.7.

Uit de hiervoor weergeven feiten en de inhoud van het deskundigenrapport kan het volgende worden opgemaakt. De heer [persoon 2] van Stedin is op de dag van het ongeval op enig moment overgegaan tot het beproeven van de installatie. De beproeving bestond eruit de fase-volgorde te controleren. Hiervoor moest de installatie onder spanning zijn. Het was essentieel voor de beproeving van Stedin dat de installatie van Stedin gescheiden was van de installatie van Meander (zowel voor Stedin zelf in verband met mogelijke terugvoeding als voor het verloop van de werkzaamheden van Meander en Cofely). De waarborg voor deze scheiding was:

  1. volledig scheiden;

  2. beveiliging tegen wederinschakeling;

  3. controleren of installatie spanningsloos is;

  4. zorg voor aarding en kortsluiting.

Ten tijde van het beproeven van de installatie, was er geen sprake van een volledig scheiden als bedoeld sub a omdat een of meer van de messen aanwezig waren in de Jean Mullerstrook. Omdat de overige maatregelen (sub b tot en met d) op dat moment niet (of niet goed) zijn genomen, hebben de heer [persoon 2] en de heer [persoon 6] niet gemerkt dat er nog een mes of messen in de Jean Mullerstrook aanwezig was/waren. Hierdoor waren de door Stedin getroffen veiligheidsmaatregelen aan haar zijde die nodig waren voor een veilig verloop van de door haar op dat moment uitgevoerde werkzaamheden zowel ten behoeve van haarzelf als ten behoeve van Meander en Cofely, niet toereikend.

4.8.

Stedin stelt in haar aantekeningen ten behoeve van de comparitie op 11 januari 2018 dat zij wel aan de vereiste vijf eisen (zij noemt in aanvulling op de hiervoor genoemde vier eisen ook nog “zorgen voor bescherming ten opzichte van naastgelegen actieve delen”) heeft voldaan maar onderbouwt deze stelling niet. Weliswaar heeft zij eerder in de procedure aangevoerd dat de heren [persoon 2] en [persoon 6] wel hadden gecontroleerd of er meszekeringen in de Jean Mullerstrook zaten maar dat zij deze niet hadden opgemerkt, maar deze stelling is in het licht van de onderbouwde conclusies van de deskundige niet voldoende (nog daargelaten dat het controleren van de Jean Mullerstrook op de aanwezigheid van messen maar het niet opmerken daarvan, bezwaarlijk kan worden gezien als het op een juiste wijze voldoen aan de eis om volledig te scheiden en de eis om te controleren of de installatie spanningsloos is).

Het had op de weg van Stedin gelegen om naar aanleiding van de conclusies van de deskundige onderbouwd te stellen waarom zij van mening is dat zij wel aan genoemde vijf eisen (of in ieder geval de vier door de deskundige genoemde eisen) in de juiste volgorde heeft voldaan. Nu zij dit niet heeft gedaan, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat (de heer [persoon 2] van) Stedin voorafgaand aan het op spanning brengen van de installatie geen toereikende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen ten behoeve van (onder andere) de heer [persoon 3] en Cofely.

4.9.

Stedin stelt voorts in reactie op het deskundigenrapport dat de heer [deskundige] heeft miskend dat Cofely aan haar zijde veiligheidsmaatregelen had moeten treffen ter borging van haar eigen veiligheid en dat hij zijn onjuiste en blote stelling (dat het treffen van veiligheidsmaatregelen aan de zijde van Cofely niet mogelijk was) niet met verwijzing naar wet- of regelgeving heeft ondersteund.

In het kader van dit verweer stelt Stedin, zo begrijpt de rechtbank, dat Cofely aan haar zijde de kabels had dienen te aarden. Ten aanzien van het aarden op de kabels heeft de heer [deskundige] evenwel geoordeeld dat Cofely hiertoe niet gehouden was. De deskundige bevestigt aldus de eerdere stellingname van Cofely dat normaal niet wordt geaard bij een laagspanningsnetwerk en dat in casu geen sprake was van een bijzondere situatie waarin dat wel verwacht kon worden van Cofely. Afgezien hiervan heeft Stedin geen veiligheidsmaatregelen genoemd die Cofely aan eigen zijde had moeten en kunnen treffen. Dit lag, gelet op haar stellingname, wel op haar weg. Aldus is niet komen vast te staan dat Cofely aan haar zijde veiligheidsmaatregelen had moeten treffen ter borging van haar eigen veiligheid, of althans de veiligheid van haar werknemers.

4.10.

Het voorgaande in aanmerking nemende, volgt de rechtbank de deskundige in zijn conclusie dat (de heer [persoon 2] van) Stedin de installatie op 22 januari 2011 onder de gegeven omstandigheden niet onder spanning had mogen zetten. Doordat dit toch is gebeurd, heeft Stedin (al dan niet in haar hoedanigheid van werkgever van de heer [persoon 2] ) onrechtmatig gehandeld jegens de heer [persoon 3] en Cofely en is zij aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg hiervan hebben geleden.

Eigen schuld Cofely?

4.11.

De deskundige stelt vast dat Cofely de werkzaamheden uitvoerde in een andere ruimte dan de ruimte waar de beveiligingsmaatregelen waren genomen (en blijkbaar uitsluitend konden worden genomen), tot welke ruimte anderen onbeperkt toegang hadden en de werknemers van Cofely niet. Deze omstandigheid leidt er in de visie van de deskundige toe dat het op de weg van Cofely lag om maatregelen te nemen teneinde fysiek onmogelijk te maken dat de veiligheidsmaatregelen die aan de zijde van Stedin waren getroffen buiten gebruik konden worden gesteld zonder tussenkomst van Cofely. De deskundige wijst in dit verband op de mogelijkheid van het aanbrengen van een vergrendeling met een sleutel.

4.12.

Cofely heeft in reactie hierop ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 - voor zover relevant - het volgende gesteld. Het was op de aan de orde zijnde installatie lastig, zo niet onmogelijk, om een abu hangslot, zoals Stedin suggereert, te bevestigen; er waren wel waarschuwingsborden aan de installatie gehangen; Cofely mocht de ruimte van Stedin alleen betreden na akkoord van Stedin op een daartoe gedaan verzoek; het was niet mogelijk om afspraken met Stedin te maken over eventueel te nemen maatregelen ter beveiliging in de ruimte van Stedin.

4.13.

Stedin heeft ter zake aangevoerd dat Cofely eenvoudig een abu hangslot had kunnen bevestigen aan de getroffen veiligheidsmaatregelen aan de zijde van Stedin waardoor deze zouden zijn zeker gesteld, alsmede dat monteurs van Cofely in de tranformatorhuisjes van Cofely zijn geweest en daar maatregelen hadden kunnen treffen. Voorts betwist Stedin dat medewerkers van Cofely, zoals wordt gesteld, niets hebben mogen aanbrengen of aanpassen in de ruimte van Stedin. Stedin stelt dat dit ook niet is gevraagd door medewerkers van Cofely.

4.14.

Cofely betwist niet dat, zoals de deskundige stelt, in de praktijk niet op afspraken alleen wordt vertrouwd maar dat het fysiek onmogelijk wordt gemaakt om de veiligheidsmaatregelen op te heffen zonder dat alle partijen die voor hun veiligheid afhankelijk zijn van die maatregelen daarbij betrokken zijn. Het standpunt van Cofely komt erop neer dat het in dit geval om verschillende redenen onmogelijk was om de genoemde veiligheidsmaatregelen te bewerkstelligen. De rechtbank is van oordeel dat het in het licht van het deskundigenrapport op dit punt, op de weg van Cofely lag om feiten en omstandigheden te stellen op basis waarvan aannemelijk is dat door een of meer van haar medewerkers aan Stedin is gevraagd om in de ruimte van Stedin veiligheidsmaatregelen te mogen aanbrengen op de installatie, dat dit door Stedin is geweigerd dan wel dat bleek dat het feitelijk onmogelijk was, en dat Cofely daarna nog het nodige in het werk heeft gesteld om dit te realiseren maar dat Stedin iedere medewerking weigerde dan wel het echt onmogelijk bleek te zijn. Immers, in aanmerking nemende dat het om de veiligheid van haar eigen werknemers ging, lag er in de visie van de rechtbank een inspanningsverplichting op Cofely om al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om deze veiligheidsmaatregel te realiseren. In dit licht bezien zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit voortvloeit dat het voor Cofely onmogelijk was om een veiligheidsmaatregel in de vorm van bijvoorbeeld een slot op de installatie van Stedin in de ruimte van Stedin aan te brengen. In dit verband is in ieder geval onvoldoende de stelling van Cofely dat zij niets mocht aanpassen of aanbrengen in de ruimte van Stedin en dat de heer van Veen hier desgewenst als getuige over kan verklaren.

4.15.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de schade die Cofely leidt mede een gevolg is van een omstandigheid die aan haar kan worden toegerekend.

4.16.

De rechtbank is op basis van al het voorgaande van oordeel dat de onrechtmatige handelwijze van Cofely in kleinere mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade dan de onrechtmatige handelwijze van Stedin.

Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Stedin heeft een aantal fouten gemaakt, te weten: het terugplaatsen van de messen in de Jean Mullerstrook zonder dat dat blijkbaar de bedoeling was of kenbaar was, het niet of niet goed voldoen aan de overige essentiële eisen om de scheiding tussen de installatie van Stedin en die van Meander te waarborgen en het niet kenbaar maken aan Cofely en/of Meander dat de spanning zou worden ingeschakeld voorafgaand aan het inschakelen hiervan. Voor wat betreft dit laatste aspect overweegt de rechtbank het volgende. Weliswaar volgt uit het deskundigenrapport dat de verplichting op het coördineren van de werkzaamheden bij Cofely én Stedin lag maar in aanmerking nemende dat Stedin in dit geval over ging tot het op spanning brengen van de installatie en zij dus de actieve handeling uitvoerde, terwijl bovendien de heer [persoon 2] van Stedin vlak voor aanvang van deze handeling nog beneden bij Cofely/Meander was geweest, lag het in dit geval toch voor de hand dat de heer [persoon 2] op dat moment aan werknemers van Cofely had kenbaar gemaakt wat Stedin van plan was te gaan doen.

Er moet van worden uitgegaan dat indien één van voormelde fouten niet door Stedin was gemaakt, de schade niet zou zijn ingetreden hetgeen meebrengt dat iedere fout afzonderlijk heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Daar staat tegenover dat Cofely één fout heeft gemaakt, namelijk geen (poging ondernomen om een) vergrendeling aan (laten) brengen op de installatie van Stedin. De rechtbank gaat ervan uit dat als Cofely deze fout niet had gemaakt, de schade evenmin was ontstaan. De rechtbank stelt aldus de mate waarin de fout van Cofely heeft bijgedragen aan de schade op 25%.

4.17.

De rechtbank dient voorts te beoordelen of de schade in deze procedure dient te worden vastgesteld. Cofely en Reaal hebben gevorderd dat Stedin wordt veroordeeld tot vergoeding aan Cofely en Reaal van de als gevolg van het ongeval door Cofely en Reaal geleden schade en gemaakte kosten alsmede van de door de heer [persoon 3] geleden schade, op te maken bij staat. Stedin heeft hiertegen verweer gevoerd en in dit verband betoogd dat de schade in de onderhavige procedure kan worden begroot.

De rechtbank ziet in de omstandigheden dat het debat over de schade nog niet tussen partijen is gevoerd, (een van) partijen mogelijk in hoger beroep wenst te gaan tegen het in dit vonnis door de rechtbank gegeven oordeel over de aansprakelijkheid, en geschillen over de omvang van de ongevalsgerelateerde schade veelal in der minne tussen partijen kunnen worden afgewikkeld, voldoende (proceseconomische) redenen voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.

4.18.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, Stedin veroordelen om te vergoeden 75% van de als gevolg van het ongeval door Cofely en Reaal geleden schade en gemaakte kosten alsmede van de door de heer [persoon 3] geleden schade en gemaakte kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen omdat Cofely en Reaal daar geen belang bij hebben.

4.19.

Ter gelegenheid van de comparitie van 11 januari 2018 (pagina 6 van het daarvan opgemaakt proces-verbaal) is besproken dat de rechtbank zich vooralsnog zal beperken tot een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag omdat het debat tussen partijen over de schade nog niet volledig is gevoerd. Dit brengt mee dat in deze procedure thans geen oordeel zal worden gegeven over de door Cofely en Reaal gevorderde betaling van een voorschot van € 160.000,00. Hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.17 heeft overwogen over (proceseconomische) redenen voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is ook van toepassing op het gevorderde voorschot. Die vordering zal derhalve worden afgewezen, althans ook dat aspect kan zo nodig in het kader van een schadestaatprocedure worden afgewikkeld.

4.20.

Stedin zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Cofely en Reaal worden begroot op:

- dagvaarding € 77,84

- griffierecht € 3.864,00

- salaris advocaat € 1.582,00 (3,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 5.523,84

4.21.

Cofely en Reaal hebben het door de rechtbank vastgestelde voorschot op de kosten van de deskundige van € 7.448,00 inclusief btw voldaan aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). De schadeloosstelling en het loon van de deskundige zijn bij loonbepaling van 19 juli 2017 bepaald op € 7.448,00 inclusief btw en door LDCR voldaan aan de deskundige. Stedin wordt veroordeeld om voornoemd bedrag te voldoen aan Cofely en Reaal.

in de vrijwaringszaak

4.22.

Beoordeeld dient te worden - zeer kort weergegeven - of Meander jegens Stedin aansprakelijk is voor de schade die Stedin lijdt omdat zij de schade van Cofely (deels) aan Cofely moet betalen. De aansprakelijkheid van Meander vloeit, aldus Stedin, voort uit de gestelde door de heer [persoon 1] gepleegde onrechtmatige daad (waarvoor Meander als zijn werkgever aansprakelijk is) en uit de gestelde onrechtmatige daad van Meander zelf.

4.23.

Uit het deskundigenrapport kan ter zake het volgende worden opgemaakt.

Voor het veilig verloop van de werkzaamheden spelen de installatieverantwoordelijken geen rol. Daar is een rol weggelegd voor onder andere de werkverantwoordelijken van in casu Cofely en Stedin, aangezien Cofely en Stedin de materiële werkgever waren van het personeel dat de werkzaamheden uitvoerde en dus aan de bij de werkzaamheden gekoppelde elektrische bezwaren bloot stonden. Nu de deskundige daarnaast heeft geconcludeerd dat aan de zijde van Meander (en Cofely, afgezien van de niet door Cofely aangebrachte vergrendeling) voldoende veiligheidsmaatregelen waren getroffen, bestaat er geen grond om aan te nemen dat de heer [persoon 1] of Meander onrechtmatig hebben gehandeld jegens de heer [persoon 3] en/of Cofely.

4.24.

De vordering van Stedin zal derhalve worden afgewezen en Stedin zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Meander.

De kosten aan de zijde van Meander worden begroot op:

- griffierecht € 3.864,00

- salaris advocaat € 1.582,00 (3,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 5.446,00

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

veroordeelt Stedin om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Cofely en Reaal te betalen 75% van de als gevolg van het ongeval van 22 januari 2011 door Cofely en Reaal geleden schade en gemaakte kosten alsmede van de door de heer [persoon 3] geleden schade en gemaakte kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.2.

veroordeelt Stedin in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van Cofely en Reaal tot op heden begroot op € 5.523,84,

5.3.

veroordeelt Stedin om het bedrag van € 7.448,00 ter zake de schadeloosstelling en het loon van de deskundige te voldoen aan Cofely en Reaal,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak in vrijwaring

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt Stedin in de proceskosten, aan de zijde van Meander tot op heden begroot op € 5.446,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.

1582/1729