Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8194

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
ROT-17_02235
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek planschadevergoeding. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen reden is voor een analoge toepassing van een uitspraak van de Afdeling in een soortgelijke kwestie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 17/2235

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres]

gemachtigden: [namen] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, verweerder,

gemachtigde: mr. A.G.M. Ostojic-Hanssen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek tot het toekennen van planschadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 24 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door C.A. de Klerk-Verbeek en drs. P.A.J.M. van Bragt.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

1.2.

Op grond van artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, voor zover hier van belang, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid:

  1. een bepaling van een bestemmingsplan niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6 eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid;

  2. (…)

  3. een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, c of g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2. Eiseres is eigenares van het perceel met opstallen aan de [locatie] te Rhoon (het object). Zij heeft op 2 november 2014 een verzoek ingediend tot toekenning van een tegemoetkoming in de planschade in verband met de inwerkingtreding van een verleende vrijstelling ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) (de vrijstelling) enerzijds en het bestemmingsplan “Rhoon dorp” anderzijds, waarmee direct grenzend aan het object de oprichting van een supermarkt met een parkeerdek en appartementen mogelijk zijn gemaakt. Eiseres heeft de eigendom van het object op 24 februari 1984 verkregen.

3.1.

Het college heeft aan het primaire besluit het advies van De Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van december 2015 ten grondslag gelegd. In dit advies heeft de SAOZ het planologisch regime van het oude bestemmingsplan “Plan Dorp Herziening 1958” (het bestemmingsplan van 1958) vergeleken met dat van het vrijstellingsbesluit en vervolgens vergeleken met dat van het bestemmingsplan “Rhoon dorp” (het bestemmingsplan “Rhoon Dorp” (2009)).

3.2.

Op grond van de (maximaal ingevulde) bepalingen van het bestemmingsplan van 1958 diende eiseres op de gronden van het plangebied gelegen direct ten westen van haar perceel in planologische zin in essentie rekening te houden met de oprichting van eengezinshuizen, winkels, kantoren en kleine bedrijven, inclusief achteruitbouwen, bijgebouwen en andere ondergeschikte bebouwingsmogelijkheden.

3.3.

Concreet grensde het object van eiseres aan bedrijfsmatig bestemde gronden waar

opslagruimten tot een maximale hoogte van 5 meter waren toegestaan. Op grotere afstand waren achtererven behorende bij de toegestane gemengde bebouwing gelegen. De aldaar toegestane bebouwing mocht een goothoogte hebben van 6 meter en een breedte van circa 50 meter. Nu het bestemmingsplan geen bepalingen bevatte over de maximale bouwhoogte, waren de bepalingen van de gemeentelijke bouwverordening van toepassing, zodat een maximale bouwhoogte van 15 meter planologisch was toegestaan (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1454. Dat de in planologische zin reeds toegestane bebouwing mogelijk feitelijk nooit aanwezig is geweest, is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer haar uitspraak van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1051) niet relevant.

3.4.

Vanwege de bepalingen van het bestemmingsplan “Rhoon Dorp” (2009) en de verleende vrijstelling hebben deze gronden de bestemming “Centrum – C”,

bedoeld voor onder andere detailhandelsbedrijven en dienstverlenende bedrijven op de

begane grondlaag, woningen, verkeersvoorzieningen, inclusief (ondergrondse)

parkeervoorzieningen, kantoren en overige bij een centrumgebied behorende voorzieningen. Op deze gronden mogen, binnen de aangegeven bouwvlakken, gebouwen worden opgericht tot een maximale bouwhoogte van 15 meter.

3.5.

Ten aanzien van een deel van het object van eiseres, dat voorheen werd aangewend als bakkerij, heeft de SAOZ overwogen dat dit deel van het object (aangeduid als [nummer] ) zijn hoogste waarde ontleent aan zijn bestemming en gebruik als bakkerij (detailhandel). Volgens de SAOZ is de economische doelmatigheid in overwegende mate bepalend voor de waarde van dit deel van het object. Gelet daarop kan niet worden gesteld dat door de nieuwe planologische situatie de hoogste gebruikswaarde van dit deel van het pand als gevolg van een beperking van uitzicht, een aantasting van de privacy of een toename van hinder is verminderd. Om die reden heeft de SAOZ alleen het woongedeelte van het object van eiseres (aangeduid als [nummer 2] ) betrokken en beoordeeld.

3.6.

De SAOZ heeft bij haar planologische vergelijking ter zake van het aspect “Zicht en situering” geoordeeld dat de situeringswaarde van de woning van eiseres in de omgeving aanmerkelijk is verslechterd; alle gevoel van openheid is aan de achterzijde komen te vervallen. Wat betreft “Zonlichttoetreding en schaduwwerking” heeft de SAOZ geoordeeld dat de planologische mutaties tot een beperkte verdergaande beperking van de

(zon)lichttoetreding op het perceel van eiseres hebben geleid. Ten aanzien van het aspect “Gebruik, hinder en overlast en privacy” heeft de SAOZ geoordeeld dat de bepalingen van het nu geldende bestemmingsplan en de verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO, mede gelet op de toename van de bebouwingsmogelijkheden en de uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden, heeft geleid tot een relevante toename van de hinder en overlast (geluid, geur en licht) voor eiseres. Ook is er naar het oordeel van de SAOZ sprake van een verdergaande beïnvloeding van de privacy van eiseres. Daaruit is volgens de SAOZ een op de voet van artikel 6.1 van de Wro voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering voortgevloeid.

3.7.

Het object wordt op de peildatum 12 november 2009 getaxeerd op € 240.000,-. Op basis van het nieuwe planologische regime wordt de waarde van het object getaxeerd op € 222.000,-. Dit betekent dus een waardevermindering van € 18.000,-.

3.8.

De SAOZ heeft aansluitend bezien of, en zo ja, in welke mate de beoordeelde planologische nadelen (reeds) op een andere wijze zijn verzekerd.

3.9.

Ten aanzien hiervan heeft zij aangegeven dat het bestemmingsplan “Rhoon Dorp 2013” op 14 juli 2014 is vastgesteld door de gemeenteraad van Albrandswaard. Dit bestemmingsplan is op 5 september 2014 in werking getreden en bij uitspraak van de Afdeling op 6 mei 2015 onherroepelijk geworden. De SAOZ heeft vervolgens onderzocht of dit bestemmingsplan de planologische nadelen van het bestemmingsplan van 2009 geheel of gedeeltelijk heeft weggenomen.

3.10.

Daarbij heeft de SAOZ vastgesteld dat op grond van het bestemmingsplan van 2009 en de eerder verleende vrijstelling ex artikel 19 van de WRO op deze gronden (op gelijke afstanden), ten dienste van de bestemming “Centrum -C-”, binnen het aangegeven bouwvlak hoofdgebouwen tot een maximale bouwhoogte van 15 meter mochten worden opgericht.

3.11.

Op basis van het nu geldende bestemmingsplan van 2013 mag de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen in dit bouwvlak echter slechts 4 meter en van bijgebouwen maximaal 4,5 meter bedragen. Verder zijn de bouwmogelijkheden van het object gelegen direct ten zuiden van het object van aanvraagster aan de [locatie] aanzienlijk afgenomen (van een bouwhoogte van 15 meter naar 8 meter) en hebben deze een woonbestemming gekregen.

3.12.

Dit leidt de SAOZ tot de conclusie dat het nu geldende bestemmingsplan “Rhoon Dorp 2013” in planologische zin tot een aanzienlijke positieve verandering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op deze gronden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan “Rhoon Dorp” heeft geleid.

3.13.

Op basis hiervan heeft de SAOZ geconcludeerd dat de voordelen van het bestemmingsplan van 2013 de eerder opgetreden nadelen volledig kunnen compenseren, zodat geen waardevermindering resteert. Meer concreet: per saldo zal geen sprake zijn van een planologisch nadeel. Daarbij acht de SAOZ van belang dat het nadeel vanwege het

bestemmingsplan van 2009 niet alleen is ontstaan door de bouwhoogte van de betreffende bebouwing, maar ook door de veel hogere goothoogte en de breedte, waardoor de bouwmassa ten opzichte van het bestemmingsplan van 1958 aanmerkelijk toenam en ook een grotere gebruiksintensiteit is ontstaan door het toegenomen gebruiksoppervlak. Juist dit nadeel is door de planherziening aanmerkelijk teruggebracht. Gelet op deze conclusie kan volgens de SAOZ de aanvraag reeds hierom kan worden afgewezen en komt de SAOZ niet toe aan het beoordelen van het normaal maatschappelijk risico.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat hij ook heeft meegewogen dat de situatie in dit geval afwijkt van de situatie zoals besproken in de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3173). Daarin heeft de Afdeling overwogen dat het college ten onrechte, in navolging van de SAOZ, heeft geconcludeerd dat het bestemmingsplan van 2013 ten aanzien van de bouwhoogte heeft geleid tot een planologisch voordeel. Overigens kan verweerder de beoordeling van de Afdeling hierin niet goed volgen en blijft hij (ook) in deze situatie met de SAOZ van mening dat de schade van eiseres anderszins is verzekerd.

5.1.

Eiseres voert in beroep aan dat, gelet op de adviserende rol van de SAOZ in de procedure waar de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015 op ziet, de SAOZ niet onafhankelijk tot haar advies is gekomen. Verder vraagt eiseres zich af waarom de gemeente Albrandswaard zoveel moeite doet om zo min mogelijk planschade uit te betalen aan de gedupeerden van het bouwplan terwijl de planschade verhaald kan worden op [bedrijfsnaam] . Daarnaast meent eiseres dat de SAOZ en verweerder ten onrechte geconcludeerd hebben dat het deelobject [nummer] niet in de planschadevergoeding mag worden meegenomen en acht eiseres het in het kader van het gelijkheidsbeginsel niet eerlijk dat haar objecten anders worden behandeld dan de objecten van alle overige gedupeerden. Bovendien begrijpt zij niet waarom aan haar niet, net zoals aan de familie [naam] , een vergelijkbare coulanceregeling wordt aangeboden.

5.2.

Ook stelt eiseres zich op het standpunt dat de feitelijke bouwhoogte niet in overeenstemming is met die van de plankaart van het bestemmingsplan “Rhoon Dorp 2013”. Daarop is een maximale bouw- en goothoogte van 4,00 meter aangegeven, terwijl het direct naastliggende parkeerdek al een feitelijke bouwhoogte van 6,55 meter heeft, namelijk een goothoogte van 4,75 meter met daar bovenop een dicht hekwerk van 1,80 meter. Alleen al om die reden kan het bestemmingsplan van 2013 niet bij de planvergelijking worden betrokken, aldus eiseres.

5.3.

Eiseres betwist verder de stelling van verweerder dat de situatie, zoals weergegeven in de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015, enigszins anders is. De uitspraak van de Afdeling heeft namelijk geen betrekking op de ligging van de betrokken objecten maar op de mogelijke hoogte van objecten met bestemming ‘Centrum’ in het bestemmingsplan Rhoon Dorp 2013. Zij wijst daarbij op rechtsoverweging 10.1. Het is volgens eiseres bovendien volstrekt onjuist dat er geen mensen meer kunnen verblijven en activiteiten worden ondernomen in de naastgelegen bestemmingen, omdat die ruimte er niet meer is zoals verweerder beweert. Hierdoor zou het bestemmingsplan Rhoon Dorp 2013 gunstiger zijn voor zowel de privacy als voor de mogelijke hinder die zou ontstaan door die activiteiten. Het levende bewijs hiervan is het parkeerdek van 4,75 meter hoog met daarboven een 1,80 meter hoog dicht hekwerk. De bezoekers, de auto’s, het personeel en de winkelwagens op het parkeerdek maken meer geluid dan eiseres hiervoor ervaarde. Daarnaast is het hekwerk alleen 1.80 meter hoog en dicht ter hoogte van [locatie] Er is sprake van een ernstige aantasting van de privacy, die niet door het bestemmingsplan van 2013 is weggenomen.

Beoordeling

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat de SAOZ kan worden beschouwd als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Dat de SAOZ alleen in opdracht en ten behoeve van gemeenten en andere overheden werkt en niet door een burger kan worden ingeschakeld, betekent op zichzelf niet dat de SAOZ niet onafhankelijk is. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het feit dat de SAOZ eerder over verzoeken om planschade als gevolg van de hier bedoelde besluiten heeft geadviseerd en de omstandigheid dat het advies van de SAOZ in vergelijkbare zaken niet door de rechtbank en de Afdeling is gevolgd, brengt niet met zich dat de SAOZ zich hier niet onafhankelijk heeft opgesteld dan wel niet zonder vooringenomenheid heeft geadviseerd. Overigens wijst de rechtbank er nog op dat de adviseur in het geval van het planschadeverzoek van eiseres een andere is dan de adviseur die heeft geadviseerd in de door eiseres bedoelde zaken die eerder tot (hoger beroep)uitspraken hebben geleid.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade van eiseres plaatsgevonden aan de hand van de in de rechtspraak voorgeschreven planologische vergelijking. De eventuele (civielrechtelijke) afspraken tussen verweerder en de projectontwikkelaar hebben hierbij terecht geen enkele rol gespeeld.

6.3.

Het deelobject [nummer] is betrokken bij de beoordeling van de planschadeaanvraag van eiseres. Dat het object op de peildatum zijn hoogste waarde ontleende aan de inrichting en gebruiksmogelijkheden voor detailhandel – in dit geval een bakkerij – en, gezien de daarvoor benodigde investeringen, niet aan de hoedanigheid van woning, is mede aan de hand van de opname ter plaatse vastgesteld door een waarderingsdeskundige. Wat betreft de gebruikswaarde van dit object heeft de SAOZ dan ook geadviseerd het object als bakkerij aan te merken. De SAOZ heeft in dit verband aangegeven dat wanneer er sprake is van een bakkerij, met inventaris, een willekeurige derde bij de koop van het pand toch rekening houdt met hetgeen hij moet gaan investeren om het pand als woning te gaan gebruiken.

Eiseres stelt enkel dat zij het object, overeenkomstig de mogelijkheden van het bestemmingsplan, als woonruimte aanbiedt en het dus als zodanig moet worden aangemerkt, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat het object op de peildatum geschikt was voor bewoning en/of als zodanig is gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom kunnen vasthouden aan de vaststelling van de waarderingsdeskundige dat deelobject [nummer] op de peildatum zijn hoogste waarde ontleende aan de inrichting en gebruiksmogelijkheden voor detailhandel.

6.4.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Hoewel de verleende vrijstelling en het bestemmingsplan van 2009 ook voor de door eiseres aangehaalde objecten van de overige gedupeerden de schadeveroorzakende besluiten zijn en er ook overigens veel overeenkomsten bestaan, is de aanvraag van eiseres door verweerder op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval beoordeeld. Dat aan eiseres uit coulance een betere planschaderegeling aangeboden had moeten worden is wel door eiseres gesteld, maar niet aan de hand van objectieve feiten door eiseres nader onderbouwd, zodat dit betoog al om die reden eveneens niet slaagt.

7.1.

Artikel 6.1 van de Wro sluit compensatie in natura niet uit. Bij compensatie in natura kan een tegemoetkoming in geld achterwege blijven, omdat de schade anderszins is verzekerd.

7.2.

Verweerder heeft het anderszins verzekerd zijn in dit geval gebaseerd op een saldeerbaar planologisch voordeel. In haar uitspraak van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4909, heeft de Afdeling overwogen dat in een geval waarin het planologisch nadeel gedeeltelijk wordt weggenomen door een planologische wijziging nadat het verzoek om planschadevergoeding was ingediend, met deze schadebeperkende omstandigheid bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoding rekening dient te worden gehouden, omdat appellant anders een vergoeding zou ontvangen voor schade welke hij niet lijdt.

7.3.

Eiseres betoogt dat de meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:317 ook in haar situatie relevant is. In deze uitspraak wordt door de Afdeling in rechtsoverweging 10.1 overwogen:

Ingevolge het bestemmingsplan "Rhoon Dorp 2013" mogen op het bouwvlak op een afstand van ongeveer 5 m tot de zuidelijke perceelgrens van [appellant sub 2] en ongeveer 15 m tot diens woning hoofdgebouwen worden opgericht tot een maximale bouwhoogte van 4 m en bijgebouwen van maximaal 4,5 m hoog. Anders dan het college in navolging van de SAOZ heeft geconcludeerd, biedt dit plan geen grondslag voor de conclusie dat de door [appellant sub 2] geleden planschade gedeeltelijk anderszins is verzekerd. Zoals de SAOZ in haar advies van januari 2013 heeft vermeld, gold onder het oude planologische regime ingevolge de aanvullend werkende bouwverordening ter plaatse een maximale bouwhoogte van 15 m. In het nieuwe bestemmingsplan (lees: het bestemmingsplan “Rhoon Dorp” van 2009) is dezelfde maximale bouwhoogte voor hoofdgebouwen voorgeschreven. Hieruit volgt dat het nieuwe bestemmingsplan met betrekking tot de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen ter plaatse niet tot een planologisch nadeel heeft geleid dat door het latere bestemmingsplan "Rhoon Dorp 2013" is weggenomen. Gelet op het voorgaande heeft het college ten onrechte in navolging van de SAOZ geconcludeerd dat het bestemmingsplan "Rhoon Dorp 2013" ten aanzien van de bouwhoogte heeft geleid tot een planologisch voordeel voor [appellant sub 2] van € 8.000,00 dat dient te worden verrekend met het getaxeerde planschadebedrag.”

7.4.

Deze rechtsoverweging komt erop neer dat de bouwhoogteverlaging op basis van het bestemmingsplan “Rhoon Dorp 2013” niet een eerder door het bestemmingsplan “Rhoon Dorp”(2009) veroorzaakt planologisch nadeel heeft weggenomen. Uitgangspunt voor dit oordeel van de Afdeling is dat volgens het SAOZ-advies van januari 2013 in die zaak onder het oude planologische regime volgens het bestemmingsplan “Rhoon dorp herziening 1958” een maximale bouwhoogte van 15 meter gold op grond van de aanvullend werkende bouwverordening. Datzelfde is echter volgens het SAOZ-advies van december 2015 ook in deze zaak het geval: “Ten aanzien van de maximale bouwhoogte bevatte het bestemmingsplan (het “Plan Dorp Herziening 1958”) geen nadere bepalingen zodat ten aanzien daarvan de gemeentelijke bouwverordening aanvullende werking had.”

Verweerders standpunt dat in de zaak, waarop de uitspraak van de Afdeling betrekking had, al op basis van het bestemmingsplan “Rhoon Dorp herziening 1958” hoofdgebouwen mogelijk waren met een hoogte van 15 meter, is dus niet juist. Het daarop gebaseerde betoog van verweerder dat in de situatie van eiseres de omstandigheden heel anders waren dan in de zaak waarop de uitspraak van de Afdeling ziet, is dus ook onjuist. Immers, de Afdeling concludeert uitsluitend op grond van het feit dat de toegestane maximale bouwhoogte zowel volgens het oude planologische regime (met aanvullende werking van de bouwverordening) als volgens het bestemmingsplan “Rhoon Dorp” (2009) 15 meter was, dat dit laatste bestemmingsplan met betrekking tot de maximale bouwhoogte ter plaatse niet tot een planologisch nadeel heeft geleid dat door het bestemmingsplan “Rhoon Dorp 2013” is weggenomen. Gelet daarop heeft verweerder zijn standpunt dat er geen reden is voor analoge toepassing van de uitspraak van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd. Indien verweerder dit standpunt blijft toegedaan zal hij dit moeten motiveren op basis van een gedegen analyse van relevante overeenkomsten en verschillen tussen beide situaties dan wel moeten onderbouwen dat in deze zaak de uitspraak van de Afdeling om andere redenen niet gevolgd hoeft te worden.

8. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat het naastgelegen parkeerdek met het dichte hekwerk daarop met tezamen een hoogte van – volgens eiseres – 6,55 meter, is gerealiseerd met gebruikmaking van de vrijstelling / het bestemmingsplan “Rhoon Dorp (2009). Verweerder heeft deze omstandigheid niet, althans niet kenbaar, verdisconteerd in zijn besluitvorming over het saldeerbaar planologisch voordeel volgens het bestemmingsplan “Rhoon Dorp 2013”, volgens welk plan slechts een hoogte van 4 meter is toegestaan. Daar komt nog bij dat verweerder zijn standpunt, dat het bestemmingsplan “Rhoon Dorp 2013” een zodanig planologisch voordeel oplevert ten opzichte van de nadelen als gevolg van het plan “Rhoon Dorp” (2009) dat deze volledig worden gecompenseerd, niet aan de hand van een (taxatie)rapport heeft onderbouwd.

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

10. Aangezien verweerder, na de vaststelling dat er sprake is van het anderszins verzekerd zijn, niet is toegekomen aan andere aspecten van de planschadebeoordeling, waaronder het beoordelen van het normaal maatschappelijk risico, ziet de rechtbank onvoldoende mogelijkheden om in deze beroepszaak tot een definitief oordeel te komen. De rechtbank volstaat met de vernietiging van het bestreden besluit en geeft verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de opdracht om binnen 13 weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal verweerder dus, in lijn met wat hiervoor onder 7 is overwogen, in beginsel als uitgangspunt moeten nemen dat het bestemmingsplan "Rhoon Dorp 2013" ten aanzien van de bouwhoogte niet heeft geleid tot een planologisch voordeel.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 13 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en

mr. J.H. de Wildt en mr. A.S. Flikweert, leden, in aanwezigheid van mr. A. Vermaat, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 4 oktober 2018.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.