Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8180

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
6841479 / CV EXPL 18-14895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. In conventie toewijzing van de vordering tot betaling van de facturen. In reconventie vordering gebaseerd op toerekenbare tekortkoming. Geen ingebrekestelling en stellingen onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6841479 / CV EXPL 18-14895

uitspraak: 21 september 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Basis Administratie- en Belastingadvieskantoor B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. O.J. Boeder te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Wheels Online B.V.,

gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. R.M. Prins te Rotterdam.

Partijen worden hierna ‘De Basis’ en ‘WOL’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 18 april 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    het vonnis van 20 juni 2018 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de akte in het geding brengen producties benevens conclusie van antwoord in reconventie, zijdens De Basis;

  • -

    het proces-verbaal van de op 9 augustus 2018 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Tussen De Basis en WOL heeft een overeenkomst van opdracht bestaan op grond waarvan De Basis boekhoudkundige en administratieve werkzaamheden voor WOL heeft uitgevoerd. Op de samenwerkingsovereenkomst zijn de Algemene voorwaarden van het Register Belastingadviseurs (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.

2.2

In de opdrachtbevestiging van 13 mei 2014 die voor akkoord is ondertekend door WOL, is over de te verrichten werkzaamheden - voor zover van belang - het volgende overeengekomen:

“(…)Het betreft:

Controle van uw administratie op ons kantoor;

samenstellen van jaarrekening;

verzorging publicatiestukken t.b.v. kamer van koophandel;

verzorging van 1 aangifte vennootschapsbelasting. (…)”

2.3

Door De Basis is bij WOL het boekhoudprogramma ‘Twinfield’ geïmplementeerd. WOL voerde zelf haar boekhouding in.

2.4

De Basis heeft WOL facturen gestuurd, met daarbij een specificatie van de verrichte werkzaamheden, waarvan de volgende facturen onbetaald zijn gebleven:

Factuurnummer

Vervaldatum

Bedrag

20170607

14-11-2017

€ 3.356,24

201800016

14-02-2018

€ 54,45

Totaal

€ 3.410,69

3 Het geschil in conventie

3.1

De Basis heeft gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, WOL te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 4.010,15 aan hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2018 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van WOL in de proceskosten.

3.2

Aan die vordering heeft De Basis naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van WOL werkzaamheden/diensten heeft geleverd. Ondanks aanmaning daartoe is WOL in gebreke gebleven met betaling van de onder 2.4 genoemde facturen voor in totaal een bedrag van € 3.410,69. WOL is derhalve wettelijke rente verschuldigd, die berekend tot 18 april 2018 € 87,86 bedraagt. Voorts is WOL buitengerechtelijke kosten van € 511,60 verschuldigd.

3.3

WOL heeft de vordering betwist en heeft daartoe naast de vaststaande feiten - zakelijk en kort weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd dat De Basis is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst. WOL heeft aangevoerd dat De Basis:

- onvoldoende controle op de boekingen heeft uitgevoerd;

- de (definitieve) jaarcijfers van 2016 te laat heeft aangeleverd, waardoor de aankoop van een pand en de uitkoop van medeaandeelhouders niet kon doorgaan;

- voor haar onduidelijke posten heeft weg geboekt op de rekeningcourant van de heer [W.], directeur van WOL, teneinde de omzet sluitend te krijgen;

- de loonadministratie onjuist heeft uitgevoerd, door de heer [W.] ten onrechte niet als werknemer te verlonen;

- onjuiste BTW berekeningen heeft gedaan.

De Basis heeft geen rekening gehouden met vier betalingen van in totaal € 217,80, welk bedrag in mindering strekt op de vordering.

Daarnaast is op 31 januari 2018 een bedrag van € 2.031,30 door WOL aan De Basis voldaan voor de wél door De Basis verrichte werkzaamheden.

4 Het geschil in reconventie

4.1

WOL heeft gevorderd bij vonnis, voor recht te verklaren dat De Basis toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoering van de aan haar toevertrouwde werkzaamheden, waarvoor De Basis aansprakelijk is en verwijzing naar een schadestaat procedure, met veroordeling van De Basis in de proceskosten.

4.2

Aan die vordering heeft WOL - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat De Basis in haar opdracht toerekenbaar is tekortgeschoten (zie hiervoor onder 3.3) waardoor WOL schade heeft geleden, welke schade nog moet worden vastgesteld.

4.3

De Basis heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

4.3.1

De Basis heeft primair een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, waartoe zij heeft aangevoerd dat de kantonrechter absoluut onbevoegd is gelet op de vorderingen in reconventie.

4.3.2

Subsidiair heeft De Basis betwist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, heeft zij de aard van de gestelde schade betwist en dat proceskosten zijn gemaakt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat van een deugdelijke ingebrekestelling geen sprake is. De klachtbrief dateert van ná het betalingsverzuim van WOL, namelijk van 15 februari 2018 in plaats van 2017. WOL was al in verzuim.

De Basis heeft de door WOL in het boekhoudprogramma ingevoerde administratie gecontroleerd en naar aanleiding van die controle vragen gesteld en om informatie bij WOL verzocht, die zij niet (volledig) heeft ontvangen. De BTW berekening is na controle voor WOL verwerkt/rechtgetrokken.

Ten aanzien van de jaarcijfers over 2016 heeft De Basis aangevoerd dat WOL deze niet op 17 mei maar op 9 juni 2017 heeft gevraagd. De Basis heeft Wol gewaarschuwd dat haar ervaring is dat op basis van deze cijfers de bank geen financiering verstrekt. De jaarcijfers 2016 zijn steeds in concept aan WOL verzonden, met het verzoek om informatie en ter goedkeuring.

De Basis trekt de QuickScan die WOL heeft laten uitvoeren in twijfel ten aanzien van de inhoud, diepte en volledigheid alsmede de deskundigheid van de derde die deze heeft uitgevoerd.

WOL heeft De Basis niet in de gelegenheid gesteld een correctie op de loonverwerking te maken.

5 De beoordeling

In conventie

5.1

In conventie is aan de orde de vraag of De Basis aanspraak kan maken op de door haar aan WOL gefactureerde bedragen.

5.2

WOL heeft niet betwist dat de werkzaamheden die aan de facturen ten grondslag liggen door De Basis zijn uitgevoerd; partijen zijn verdeeld over de vraag of - zakelijk weergegeven - De Basis op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat de beantwoording van die vraag niet aan de orde behoort te komen bij de beoordeling van de vordering in conventie, maar bij de beoordeling van de vordering in reconventie. Het enkele feit dat niet of niet behoorlijk is nagekomen staat immers op zichzelf niet in de weg aan de verschuldigdheid van de facturen. Dat geldt temeer nu De Basis onweersproken heeft gesteld dat de klachten van WOL geen betrekking

hebben op de werkzaamheden waarvan in conventie betaling wordt gevorderd, maar op eerder gefactureerde werkzaamheden die WOL al heeft betaald.

5.3

Voor zover WOL een beroep heeft willen doen op verrekening van de vordering van De Basis met de vermeende schade, wordt dit beroep onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:136 BW reeds verworpen. De Basis heeft immers gemotiveerd betwist enig bedrag in dat verband aan WOL verschuldigd te zijn zodat de gegrondheid van de vordering van WOL derhalve niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

5.4

De vordering van De Basis kan in beginsel worden toegewezen. WOL heeft echter gesteld nog een vordering op De Basis te hebben, waartoe zij een onvoorwaardelijke eis in reconventie heeft ingesteld. Ten aanzien daarvan wordt als volgt overwogen.

In reconventie

5.5

Tijdens de comparitie van partijen is het primaire verweer van De Basis ter zake de absolute onbevoegdheid van de kantonrechter aan de orde gekomen. De kantonrechter heeft - partijen gehoord - toen geoordeeld dat de exceptie van onbevoegdheid niet op gaat, aangezien er sprake is van samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie die zich tegen afzonderlijke behandeling verzet (artikel 97 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Derhalve is het verweer van De Basis verworpen en wordt ook de eis in reconventie, hoewel het een onbepaalde vordering betreft, door de kantonrechter behandeld en beslist.

5.6

WOL vordert voor recht te verklaren dat De Basis toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen (artikel 6:74 BW). Als De Basis tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst, moet zij de schade die WOL daardoor leidt vergoeden. Deze verplichting ontstaat pas als De Basis in verzuim is en dat daarvan sprake is, is door De Basis betwist. Volgens De Basis ontbreekt een deugdelijke ingebrekestelling.

5.7

Ingevolge artikel 6:82 BW treedt verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. WOL heeft niet gesteld dat sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 6:83 BW waarbij verzuim direct intreedt, zodat een ingebrekestelling vereist is. De brief van 15 februari 2018 kan niet als zodanig worden aangemerkt. Op basis van die brief kon van De Basis niet worden verwacht dat zij tot herstel zou overgaan van de punten die WOL in deze procedure aan de orde heeft gesteld. Overigens is aan De Basis ook geen redelijke termijn tot nakoming gegund voor herstel. Nu van verzuim van De Basis derhalve geen sprake is, moet reeds om die reden de vordering van WOL ten aanzien van de genoemde verwijten worden afgewezen.

5.8

Zelfs als aan het formele vereiste van de ingebrekestelling zou zijn voldaan, geldt dat De Basis gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. In het licht van die betwisting rust op WOL de bewijslast van haar stelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, nu zij zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept. Hoewel WOL ter zitting haar bewijsaanbod heeft herhaald, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Daarvoor is redengevend dat WOL haar stellingen, in het licht van de betwisting door De Basis onvoldoende heeft onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen.

In conventie en in reconventie

5.9

Gezien het voorgaande heeft WOL geen verrekenbare tegenvordering op De Basis en is voor een verwijzing naar een schadestaat procedure geen plaats. WOL heeft nog aangevoerd dat De Basis geen rekening heeft gehouden met vier betalingen van in totaal € 217,80, De Basis heeft op haar beurt aangevoerd dat deze betalingen betrekking hadden op werkzaamheden die zijn uitgevoerd door een derde (namelijk De Basis Salaris B.V.) en dat bedoelde betalingen zijn doorgestort. Nu WOL dat vervolgens niet meer heeft betwist, wordt er in het kader van dit geding vanuit gegaan dat de betalingen niet in mindering strekken op de toewijsbare hoofdsom. Voor zover WOL heeft bedoeld dat de betaling van 31 januari 2018 in mindering dient te strekken op de vordering, heeft De Basis aangevoerd dat deze betaling is gedaan in het kader van factuur 20170510 en dat de betaling op die factuur is afgeboekt. WOL heeft dat vervolgens niet meer weersproken. Dat betekent dat de vordering tot betaling van de factuurbedragen van in totaal € 3.140,69 zal worden toegewezen.

5.10

De buitengerechtelijke kosten zijn als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar.

5.11

Ook de gevorderde rente wordt, nu deze niet is betwist, toegewezen, met dien verstande dat, nu niet duidelijk is welk gedeelte van het bedrag aan rente langer dan één jaar verschuldigd is, de gevorderde rente over rente zal worden afgewezen en de gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten evenmin toewijsbaar is, nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten vóór dagvaarding dan wel vóór de ingebrekestelling door De Basis zijn betaald aan de gemachtigde.

5.12

WOL wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de zijde van De Basis tot op heden worden begroot op € 561,79 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde (3 punten a € 200,00 per punt).

6 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt WOL om aan De Basis tegen kwijting te betalen het bedrag van € 4.010,15, vermeerderd met de overeengekomen handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 3.410,69 vanaf 18 april 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

in reconventie

wijst af de vorderingen van WOL;

in conventie en in reconventie

veroordeelt WOL in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Basis vastgesteld op € 561,79 aan verschotten en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

28356