Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8178

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
18.1089 ea
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing wsnp: veronderstellende wijs ervan uitgaande dat verzoeker te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, is het verzoek toch afgewezen omdat (nog) geen sprake is van beheersbare psychosociale problematiek. Daarbij rekening houdend met het feit dat verzoeker bij een eventuele tussentijdse beëindiging van een wsnp gedurende 10 jaar niet opnieuw een beroep op de schuldsaneringsregeling kan worden gedaan.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 28 augustus 2018

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats]

verzoeker,

advocaat: mr. E.P.J. Verweij.

1 De verdere procedure

Bij tussenvonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2018 is bepaald dat verzoeker de navolgende aanvullende stukken aan de rechtbank moet verstrekken:

- een overzicht van de exacte ontstaansdata van de schulden (een jaartal is onvoldoende specifiek);

- een nadere toelichting op het ontstaan van de schulden, zulks mede in het licht van hetgeen door verschillende schuldeisers naar voren is gebracht blijkens de uitspraak van 21 juni 2018;

- een nadere toelichting op de vordering van de Belastingdienst, onderbouwd door stukken, en vergezeld van de exacte ontstaansdata.

Op 14 en 20 augustus 2018 heeft mr. B.R. Kleij, kantoorgenoot van mr. Verweij, stukken aan de rechtbank toegezonden.

Ter zitting van 21 augustus 2018 heeft mr. Verweij een specificatie van de openstaande vordering van de Belastingdienst overgelegd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verzoeker nadere stukken aan de rechtbank heeft doen toekomen ten behoeve van de beoordeling van de vraag of voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Ter zitting is de inhoud van deze stukken door verzoeker nader toegelicht.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt, naast de beoordeling ten aanzien van de goede trouw, slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit laatste in het voorliggende geval niet aannemelijk is nu verzoeker kampt met psychosociale problematiek die nog geen jaar onder controle is.

Gedurende de schuldsaneringsregeling rusten op een schuldenaar voortdurend zware verplichtingen en van hem worden in deze periode forse inspanningen gevergd. Met deze verplichtingen en beperkingen verdraagt zich niet dat een schuldenaar psychosociale problemen heeft, of deze zeer onlangs heeft overwonnen terwijl een reële kans bestaat op een terugval. In de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling, zoals opgenomen in Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, is hierover het volgende bepaald:

“Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van psychosociale problematiek

Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weten te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”

In het dossier is een verklaring gevoegd van [naam 2] , GZ psycholoog, van

5 juni 2018 waarin onder meer wordt verklaard dat verzoeker naar zijn/haar mening voldoende stabiel is om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen na te komen. Verzoeker heeft toegelicht dat hij eind augustus 2017 in de crisisopvang terecht is gekomen en dat hij sindsdien nog tweemaal opgenomen is geweest. Thans volgt verzoeker sinds januari 2018, in beginsel gedurende twaalf maanden, twee dagen per week therapie en is hij drie dagen per week in loondienst werkzaam. Hoewel verzoeker ter zitting heeft aangevoerd dat hij zich sterk voelt en een goed vangnet om zich heen heeft, bestaande uit zijn echtgenote en zijn ouders, bestaat bij de rechtbank gegronde vrees dat verzoeker zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen.

Veronderstellende wijs ervan uitgaande dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest, zal de rechtbank het verzoek thans toch afwijzen. Dat verzoeker sinds januari 2018 twee dagen per week therapie volgt acht de rechtbank, gelet op de diverse opnames van verzoeker korter dan een jaar geleden en de (verwachte) totale duur van de therapie, nog te kort om te spreken van beheersbare psychosociale problematiek. Daarbij merkt de rechtbank op dat bij een eventuele tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling gedurende tien jaar door verzoeker niet opnieuw een beroep op de schuldsaneringsregeling kan worden gedaan.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van

A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.