Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8091

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
10/740022-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag. Verminderde toerekeningsvatbaarheid. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0803
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/740022-18

Datum uitspraak: 31 augustus 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. B.P.J. Heinrici, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 augustus 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord;

  • -

    bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Beoordeling

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte op 15 januari 2018 mevrouw [naam slachtoffer] om het leven heeft gebracht door met een mes in haar hals te snijden en te steken.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van moord, maar veroordeeld kan worden voor doodslag. De rechtbank verenigt zich met dat standpunt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 15 januari 2018 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk meermalen met kracht met een mes in de hals van die [naam slachtoffer] gestoken/gesneden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft het slachtoffer op gruwelijke wijze van het leven beroofd. De verdachte heeft het slachtoffer in een worsteling meermalen met een mes gesneden/gestoken, aan de gevolgen waarvan zij is overleden. Voor het slachtoffer moet deze worsteling angstaanjagend zijn geweest.

De verdachte heeft het lichaam van het slachtoffer achtergelaten in de slaapkamer van haar toen 11-jarige dochter. Toen later op de dag de dochter en zoon van het slachtoffer thuiskwamen, heeft hij niet voorkomen dat zij het waren die het slachtoffer aantroffen. Sterker nog, hij heeft de schijn opgehouden, door te doen alsof hij niet wist waar hun moeder was en te proberen haar telefonisch te bereiken.

Het overlijden van het slachtoffer heeft een grote, blijvende impact op haar nabestaanden, zoals blijkt uit de schriftelijke en ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen. Haar kinderen zijn plotseling geconfronteerd met het feit dat de verdachte hun moeder heeft omgebracht. Door hen niet voor de directe confrontatie met het lichaam van hun moeder te behoeden, heeft hij hen bovendien nog extra leed toegebracht. Zij, en ook andere nabestaanden, blijven achter met vragen, verdriet en woede. Zij moeten leven met het gemis van een dierbare.

De verdachte geeft aan spijt te hebben van zijn handelen, maar legt de schuld buiten zichzelf. Hij ziet zichzelf als slachtoffer van de omstandigheden waarin hij verkeerde. Hij neemt daarmee onvoldoende verantwoordelijkheid voor wat hij heeft gedaan. Dat rekent de rechtbank hem aan. De aanleiding van de doodslag is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan. De verdachte heeft verklaard dat hij een relatie had met het slachtoffer en dat sprake was van een conflict over de financiën. Dat conflict mondde volgens de verdachte uit in fysiek geweld. Het dossier bevat echter aanwijzingen dat het slachtoffer haar relatie met de verdachte al enige tijd verbroken had. De rechtbank overweegt dat de aanleiding met name ook gelegen kan zijn in het feit dat het slachtoffer de verdachte kennelijk verlaten had.

Doodslag is een van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent en is onomkeerbaar. Een levensdelict zoals doodslag leidt bovendien tot onrust en morele verontwaardiging in de maatschappij.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 juli 2018 en een uit Curaçao afkomstige strafkaart uit de justitiële documentatie van 20 juli 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.

7.3.2.

Rapportages

Psychiater D.J. Vinkers heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 juni 2018. Dit rapport houdt het volgende in. Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens, namelijk een lichte verstandelijke beperking en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en beïnvloedde het gedrag van de verdachte zodanig dat zijn handelen daaruit verklaard kan worden. Door zijn afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en verstandelijke beperking kan de verdachte niet goed zelfstandig functioneren en zal hij op zoek gaan naar een nieuwe intieme relatie, waarin zich waarschijnlijk wederom een patroon zal voordoen van subassertiviteit en tekortschietende coping.

Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte. De verdachte zou intensief behandeld en begeleid moeten worden om het verhoogde recidiverisico te verminderen. Omdat een ambulante behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden tekort zou schieten, zou deze intensieve en gestructureerde behandeling in een klinische setting moeten plaatsvinden. Gezien de te verwachten strafmaat en de ernst van de onderliggende stoornis zou dit niet goed als bijzondere voorwaarde of tbs met voorwaarden opgelegd kunnen worden. Daarom wordt geadviseerd om de verdachte tbs met dwangverpleging op te leggen.

Psycholoog R.A.R. Bullens heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 juni 2018. Dit rapport houdt het volgende in. Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte lijkt de verantwoordelijkheid van de situatie voornamelijk bij het slachtoffer te willen leggen en dicht zichzelf met name de ‘slachtofferrol’ toe. Vanuit zijn beperkte cognitieve capaciteiten heeft hij weinig zicht op zijn eigen handelen en cognities. Hij is subassertief en kan zich afhankelijk van zijn naasten opstellen. Er zijn bij hem inadequate copingvaardigheden te zien. De verdachte stelt dat het slachtoffer hem herhaaldelijk fysiek heeft mishandeld en seksueel heeft misbruikt, terwijl er aan zijn kant geen enkele sprake van agressieregulatie-problematiek zou zijn. Mede vanuit zijn cognitieve beperking en persoonlijkheidsproblematiek heeft de verdachte deze situatie nooit een halt toegeroepen, maar heeft hij zijn emoties en frustraties naar zijn zeggen twee jaar lang opgekropt.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De verdachte heeft een geschiedenis van (dreigen met) geweld en overig antisociaal gedrag. Er is sprake van problemen binnen zijn intieme relaties. Bij de verdachte is sprake van problemen met inzicht in de stoornis, in het risico van gewelddadig gedrag en in de noodzaak van behandeling. Er zijn problemen met de responsiviteit op behandeling of toezicht.

Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Behandeling en begeleiding van de verdachte is nadrukkelijk geïndiceerd. Op basis van onder andere het feit dat eerdere ambulante hulpverlening onvoldoende resultaat heeft gehad, is een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden (bij een voorwaardelijk strafdeel) naar de mening van onderzoeker geen haalbare optie meer. Ook bij een tbs met voorwaarden zullen de nodige problemen blijven bestaan. Bij de verdachte is sprake van zeer inadequate emotieregulatie en inadequate copingvaardigheden, alsmede langdurige persoonlijkheidsproblematiek. Om daadwerkelijk tot gedragsverandering te komen en de verdachte zich te laten committeren aan behandeling is een tbs met dwangverpleging de enige reële optie. Binnen dit kader kan de verdachte de intensieve behandeling worden geboden die hij nodig heeft.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het milieuonderzoek van [naam onderzoeker] .

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 18 juni 2018. Dit rapport houdt het volgende in. Gelet op de ernst van het tenlastegelegde, de gediagnosticeerde problematiek en het advies van het NIFP aan de verdachte een ter beschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen conformeert de reclassering zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een persoonlijkheidsstoornis in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straf

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, met name het excessieve karakter van de handelwijze van de verdachte en de omstandigheid dat ook andere aanwezigen in de woning met de gewelddadige handelingen van de verdachte zijn geconfronteerd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

TBS

Voorts onderschrijft de rechtbank de conclusie dat oplegging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is. Door de verdediging is verzocht om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen dan wel een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Dit wordt echter gelet op het strafblad en de inhoud van de rapporten niet meer haalbaar geacht. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit en het grote gevaar voor herhaling.

Vastgesteld wordt dat het bewezen verklaarde feit, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr.

Vastgesteld wordt dat het strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd een misdrijf betreft dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Aan de verdachte zal gelet op het voorgaande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

Advies omtrent het tijdstip waarop de tbs met dwangverpleging dient aan te vangen

De rechtbank adviseert in de zin van artikel 37b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht om de behandeling substantieel eerder te laten ingaan dan de wettelijk voorgeschreven termijn. De leeftijd van de verdachte, gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, legt daarbij vooral gewicht in de schaal. Daarbij weegt ook mee dat eerdere interventies, waaronder ambulante behandeling, dit feit niet hebben kunnen voorkomen en de samenleving erbij is gebaat dat jegens de verdachte, als hij eenmaal weer op vrije voeten komt, al het mogelijke is gedaan om recidive te voorkomen.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 15.000,00 aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.107,30 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] vordert de officier van justitie het bedrag te matigen tot € 5.000,00 omdat de vordering thans onvoldoende is onderbouwd. De officier van justitie vordert de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] vordert de officier van justitie de vordering volledig toe te wijzen.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van beide vorderingen benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Uitgaande van de civielrechtelijke benadering van de vordering en de referte van de verdediging, zal de rechtbank de vordering toewijzen, nu de vordering de rechtbank op zichzelf niet ongegrond of onredelijk voorkomt.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Beide benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 januari 2018.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 15.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 4.107,30 vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt ten aanzien van beide benadeelde partijen oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 37b, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

adviseert ex artikel 37b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te doen aanvangen op een substantieel eerder tijdstip dan de theoretische datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), bestaande uit een vergoeding voor de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 110 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 4.107,30 (zegge: vierduizend honderdenzeven euro en dertig eurocent), bestaande uit een vergoeding voor de materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 4.107,30 (zegge: vierduizend honderdenzeven euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 4.107,30 (zegge: vierduizend honderdenzeven euro en dertig eurocent), vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 51 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. L. Feraaune en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. E.L. Vedder en D.D.B. Reuter, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 augustus 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 januari 2018 te Rotterdam opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/keel, althans het lichaam van die [naam slachtoffer] gestoken/gesneden.