Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8090

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
18.1001 ea
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 285 Fw, art.288 derde lid Fw, toewijzing WSNP-verzoek, onterecht ontvangen toeslagen, wending ten goede.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

toepassing schuldsaneringsregeling

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 24 augustus 2018

[naam] ,

[adres]

[woonplaats]

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 24 augustus 2018.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. In beginsel is voldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.

In het bijzonder heeft de rechtbank gekeken naar de schuld aan de Belastingdienst. Er is een preferente schuld van € 19.183,68 van vóór de vijfjaarstermijn. Deze houdt volgens verzoeker verband met verschuldigde inkomstenbelasting uit de tijd dat hij als zzp-er werkte. Daarnaast staat een concurrente schuld van € 1.618 op de lijst. Volgens verzoeker is deze in werkelijkheid iets hoger en heeft deze schuld betrekking op tot begin 2018 ten onrechte ontvangen toeslagen. Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet wist dat de toeslagen waren ontvangen, omdat deze op een bankrekening werden gestort die verzoeker niet meer in gebruik had. Deze bankrekening had een debetsaldo, waarmee de stortingen zijn verrekend. Toen verzoeker in het kader van het traject bij schuldhulpverlening bij de bank informeerde naar de schuld aan die bank, kreeg hij te horen dat een deel van de schuld verrekend was met ontvangen toeslagen. Verzoeker heeft daarop onmiddellijk de toeslagen stopgezet, Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Juist mag zijn dat hij er niet van op de hoogte was dat nog maandelijks toeslagen werden betaald, maar verzoeker heeft in ieder geval meerdere keren een beschikking Toeslagen van de Belastingdienst ontvangen en had er dus van op de hoogte moeten zijn dat hij ten onrechte toeslagen ontving. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan en staat deze in beginsel aan toelating in de weg.

Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Hoewel, zoals hiervoor aan de orde kwam, verzoeker ervan op de hoogte had moeten zijn dat hij toeslagen ontving, acht de rechtbank gezien de door verzoeker gestelde omstandigheden aannemelijk dat hij er niet van op de hoogte was. Weliswaar zijn de ontvangen toeslagen gebruikt om een andere schuld af te lossen (en dus niet gereserveerd om terug te betalen aan de Belastingdienst) maar omdat die aflossing via een verrekening van rechtswege ging acht de rechtbank eveneens aannemelijk dat verzoeker daar niet van op de hoogte was. Verzoeker heeft de toeslagen onmiddellijk stopgezet toen hem (uiteindelijk) bekend werd dat deze onterecht waren ontvangen. Afgezien van deze schuld aan de Belastingdienst heeft verzoeker de afgelopen vier jaar geen nieuwe verwijtbare schulden gemaakt en heeft hij alles in het werk gesteld om zijn schulden af te lossen nadat hij (in 2014 en 2015) gedurende negen maanden ziek is geweest. Verzoeker heeft sinds 1 januari 2016 een fulltime baan en lost zoveel mogelijk van zijn schulden af. Derhalve oordeelt de rechtbank dat de toepassing van de hardheidsclausule op zijn plek is.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

3 De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[naam] ,

[geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] , [woonplaats] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. F. Damsteegt-Molier

en tot bewindvoerder E.A. de Snoo,

gevestigd te Postbus 187,

3330 AD Zwijndrecht;

- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van
E.J.C. Korbee, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2018.