Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8086

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
18.982-983
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing WSNP-verzoek. Geldlening aangemerkt als fraudeschuld. Valt buiten vijfjaarstermijn. Vanwege detentie van verzoeker en gebrek aan inkomen bij verzoekster konden verzoekers hun betalingsverplichtingen niet nakomen. Niet is gebleken van enige inspanning om inkomen te verwerven en/of tot afbetaling van de lening te komen. Schulden niet te goeder trouw onbetaald gelaten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummers]

uitspraakdatum: 10 augustus 2018

[naam 1] en [naam 2]

[adres]

[woonplaats] ,

verzoekers.

1 De procedure

Verzoekers hebben op 14 juni 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekers zijn gehoord ter terechtzitting van 2 augustus 2018.

2 De feiten

Verzoekers ontvangen inkomsten uit Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 70.681,12.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Verzoekers hebben een schuld van € 66.959,27 aan Hoist Portfolio Holding, de opvolgend schuldeiser van InterBank. Verzoekers hebben verklaard dat zij geld hebben geleend bij InterBank om de verbouwing van hun huis te bekostigen. Bij de beoordeling van deze schuld acht de rechtbank onder meer de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Verzoekers hebben desgevraagd verklaard dat zij dit bedrag destijds niet hebben geleend bij hun hypotheekverstrekker (Rabobank) omdat anders hun lening te hoog zou worden.

Hoist heeft aangegeven dat er sprake is van een fraudeschuld. Zij heeft ook aangifte gedaan van dit feit. Ter terechtzitting hebben verzoekers verklaard dat Hoist zich op het standpunt stelt dat verzoekster ten tijde van het aanvragen van het krediet geen inkomen had, terwijl verzoekers dit op de aanvraag van het krediet wel hadden vermeld. Verzoekers hebben ter zitting verklaard dat er wel sprake was van een inkomen, maar nadere stukken ter onderbouwing daarvan ontbreken. In het ter zitting overgelegde C.V. van verzoekster is te lezen dat zij voor het laatst heeft gewerkt in 2008, terwijl de lening bij de InterBank in 2009 is afgesloten.

Verzoeker heeft vanwege een drugsdelict van 2010 tot 2012 in Turkije gedetineerd gezeten. Verzoeker heeft verklaard dat hij in 2013 is vrijgesproken voor dit feit, maar stukken ter onderbouwing daarvan ontbreken. Vanwege de detentie van verzoeker en gebrek aan inkomen bij verzoekster konden verzoekers hun betalingsverplichtingen niet nakomen. Vanaf 2012 hebben verzoekers niet gewerkt. Er is niet gebleken van enige inspanning om inkomen te verwerven en/of tot afbetaling van de lening te komen.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan Hoist niet te goeder trouw is ontstaan en evenmin te goeder trouw is blijven voortbestaan.

Op de schuldenlijst van verzoekers staan voorts drie schulden aan de gemeente Rotterdam van € 1.200,40, € 807,76 en € 356,35. Volgens verzoekers zijn deze schulden ontstaan vanwege teveel betaalde uitkeringen. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekers om er voor zorg te dragen dat de uitkeringsinstantie juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekers hebben dit kennelijk niet gedaan. Dit valt verzoekers te verwijten. Voorts valt het verzoekers te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.

Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekers de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoekers hebben immers, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van hun verzoek, geen duidelijke sollicitaties overgelegd. Verzoekster heeft enkele sollicitaties verricht, maar solliciteert - gelet op de overgelegde afwijzingsbrieven - op functies waarvan duidelijk is dat zij daarvoor - vanwege haar woonplaats en haar gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal - niet in aanmerking komt.

Van verzoeker zijn ook enkele sollicitaties ontvangen, alle voor de functie van steigerbouwer. Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen ervaring heeft in dat werk. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij een paar keer is gebeld naar aanleiding van zijn sollicitaties. Hij vertelt dan dat hij medicatie moet innemen tegen duizeligheid. Vervolgens wordt hij afgewezen. De door verzoeker overgelegde sollicitaties zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan te merken als serieuze pogingen om een betaalde baan te vinden.

Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2018. 1

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.