Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8058

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
10/750249-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel t.a.v. minderjarige, die er door de verdachten toe is gebracht gedurende een periode van vijf dagen prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Geen verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de leeftijd van het slachtoffer, dat zelf had gezegd bijna 19 jaar te zijn, terwijl zij in werkelijkheid 16 jaar oud was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750249-17

Datum uitspraak: 25 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en een ambulante behandeling bij de Waag zal volgen;

  • -

    oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met [naam slachtoffer] , voor de duur van 2 jaar, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de volgende feiten en omstandigheden naar voren gebracht. [naam slachtoffer] heeft een aantal dagen na haar aankomst in het huis van de medeverdachte [naam medeverdachte] er zelf voor gekozen om te gaan werken als prostituee. Dat deed zij onder haar eigen voorwaarden. Er werden geen verplichtingen opgelegd omtrent werktijden, het aantal klanten, het soort seksuele handelingen dat [naam slachtoffer] moest verrichten of het afdragen van verdiensten aan een ander. [naam slachtoffer] heeft hooguit vier dagen werkzaamheden verricht. De omstandigheid dat [naam slachtoffer] een percentage van haar verdiensten moest afdragen aan de verdachte en [naam medeverdachte] maakt niet dat er op zichzelf sprake is van een oogmerk van uitbuiting, omdat het niet vreemd is dat [naam slachtoffer] voor haar verblijf in de woning zou betalen. Verder werd zij ook niet beperkt in haar doen of laten. Verdachte en [naam medeverdachte] zouden ongeveer 40% krijgen van de opbrengsten en [naam slachtoffer] mocht 60% behouden. Dat brengt met zich dat het economisch voordeel voor de verdachte en [naam medeverdachte] na aftrek van de kosten beperkt was.

Vrijspraak: geen oogmerk van seksuele uitbuiting

De verdediging heeft onder verwijzing naar voornoemde feiten en omstandigheden vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde ‘sub 2-variant’ van mensenhandel (te weten het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van een ander met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die persoon), omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat bij de verdachte sprake was van het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] is door tussenkomst van anderen bij de verdachte en [naam medeverdachte] terecht gekomen zonder dat het op dat moment al de bedoeling was dat ze in de prostitutie zou gaan werken.

4.1.2.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam slachtoffer] , op dat moment 16 jaar oud, op 26 mei 2017 door de politie is aangetroffen terwijl ze door de achtertuin wegvluchtte uit de woning van [naam medeverdachte] aan het [adres delict] in Rotterdam. De verdachte was in de woning aanwezig en ontkende tegenover de verbalisant (bij de voordeur) dat er een vrouw/meisje in de woning aanwezig was.

[naam slachtoffer] , die op 15 mei 2017 was weggelopen uit een jeugdinstelling, is kort daarna in de woning van [naam medeverdachte] en [naam verdachte] terecht gekomen, die haar onderdak boden. Uit de verklaring van [naam slachtoffer] – zoals zij die heeft afgelegd bij de rechter-commissaris – volgt dat de verdachte haar te kennen heeft gegeven dat ze moest werken als ze wilde blijven. Met “werken” bedoelde de verdachte werken in de prostitutie vanuit het huis aan het [adres delict] .

Er zijn meerdere gesprekken gevoerd met [naam slachtoffer] , door de verdachte en een andere man genaamd [naam] , waarin aan [naam slachtoffer] werd verteld dat het niet erg was om prostitutiewerkzaamheden te verrichten en dat zij daar veel geld mee kon verdienen.

Dat [naam slachtoffer] onder druk werd gezet om prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten vindt naar het oordeel van de rechtbank onder meer bevestiging in het geluidsbestand zoals dat is aangetroffen in de telefoon van de verdachte. Hierin zegt hij tegen [naam medeverdachte] : ‘ze moet vandaag wel beginnen te neuken, anders gaat het niet lukken hoor. Dit ga ik niet accepteren dat ze daar ligt te slapen en zo geen geld leveren’. Over de bedoelingen van de verdachte achter dit bericht bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel: het meisje moest geld gaan opleveren, en wel zo snel mogelijk. Uit het verhoor van [naam slachtoffer] bij de rechter-commissaris en de chats tussen de verdachte en [naam medeverdachte] blijkt dat [naam slachtoffer] kort hierna – nadat zij eerst een aantal klanten had geweigerd – prostitutiewerkzaamheden is gaan verrichten. Ze heeft dit gedaan totdat de politie haar op 26 mei 2017 uit het huis haalde.

Op grond van de bewijsmiddelen kan voorts worden vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] een aanzienlijk deel (40%) van de opbrengsten van de prostitutiewerkzaamheden van [naam slachtoffer] opstreken. [naam slachtoffer] moest haar werkzaamheden en verdiensten bijhouden in een schrift. Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte volgt dat hij – de verdachte – in de periode van 22 mei 2017 tot en met 26 mei 2017 samen met [naam medeverdachte] nauwlettend in de gaten hield hoeveel ‘die meisje’ verdiende. Voor de rechtbank staat vast dat met ‘die meisje’ [naam slachtoffer] wordt bedoeld. De verklaring die de verdachte en de medeverdachte ter zitting hebben gegeven voor de bedragen die over en weer werden verstuurd via Whatsapp is op geen enkele manier door hen onderbouwd.

De verdachte zorgde vervolgens voor de verdeling van het geld.

Blijkens de Whatsapp-gesprekken die [naam slachtoffer] en [naam medeverdachte] in dezelfde periode hebben gevoerd, heeft [naam medeverdachte] afspraken met klanten geregeld voor [naam slachtoffer] , heeft zij meermalen bij [naam slachtoffer] geïnformeerd hoe haar werkschema eruit zag, welke seksuele handelingen zij al dan niet voor een klant wilde verrichten en voor welk bedrag zij dit zou doen.

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [naam slachtoffer] , die op dat moment 16 jaar oud was, gedurende in ieder geval 5 dagen prostitutiewerkzaamheden heeft verricht in de woning van [naam medeverdachte] en dat zowel de verdachte als [naam medeverdachte] haar daartoe hebben gebracht. Gelet op de voornoemde verklaringen en chats tussen de verdachte en [naam medeverdachte] acht de rechtbank voorts bewezen dat het door [naam slachtoffer] verdiende geld ook strekte tot voordeel van de verdachte en [naam medeverdachte] en dat zij aldus opzettelijk voordeel hebben getrokken uit die prostitutiewerkzaamheden.

Oogmerk van seksuele uitbuiting

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het verweer van de verdediging met betrekking tot het ontbreken bij de verdachte van het oogmerk op uitbuiting het volgende.

Artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid, Sr – voor zover thans van belang - is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting’.

Het in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 5, respectievelijk 8 Sr bepaalde ziet op het strafbaar stellen van, voor zover thans van belang, het brengen van een minderjarige in de prostitutie, respectievelijk het voordeel trekken uit de prostitutie door een minderjarige.

Uit de wetsgeschiedenis vloeit voort dat de wetgever ten aanzien van de strafbaarstelling van het op de prostitutie van minderjarigen gerichte handelen, van een verdergaande eis van specifieke, een uitbuitingsituatie kenmerkende omstandigheden niet heeft willen weten. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie of het profiteren van de opbrengst van prostitutiewerkzaamheden door een minderjarige is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Het voorgaande brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepalingen moet worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, doch dat handelen als neergelegd in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 5, respectievelijk 8 Sr uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel.

Vastgesteld is dat de verdachte [naam slachtoffer] , kort nadat [naam slachtoffer] was opgenomen in de woning van [naam medeverdachte] , samen met een ander op een dwingende wijze heeft bewogen zich te gaan prostitueren. [naam slachtoffer] heeft tijdens het verhoor bij de Rechter-commissaris verklaard dat zij geen andere keuze had, omdat ze anders op straat zou komen te staan. Verder hebben de verdachte en [naam medeverdachte] een (substantieel) deel van haar verdiensten gekregen en dus financieel voordeel gehad van haar prostitutiewerkzaamheden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte, samen met [naam medeverdachte] , [naam slachtoffer] heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk haar zich te laten prostitueren en met het oogmerk daarvan te profiteren. Hieruit vloeit voort dat het handelen van de verdachte en [naam medeverdachte] , naar zij moeten hebben beseft, als noodzakelijk en dus het door hen gewild gevolg meebracht dat [naam slachtoffer] werd uitgebuit. Het oogmerk van de verdachte is daarmee gericht geweest op de uitbuiting van [naam slachtoffer] in de zin van artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2 Sr.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op tijdstippen in de periode van 15 mei 2017 tot

en met 26 mei 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

A) een ander, te weten [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2000, (telkens)

- heeft gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [naam slachtoffer] (sub 2°) en

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

seksuele handelingen met een derde tegen betaling dan wel ten

aanzien van die [naam slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan

verdachte en/of verdachtes mededader wisten dat die [naam slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°) en

B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van

die voornoemde [naam slachtoffer] , met en/of voor een derde tegen betaling (sub 8°), terwijl die [naam slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers is en/of heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- voornoemde [naam slachtoffer] , die zich had onttrokken aan een gesloten plaatsing, laten verblijven in de woning [adres delict] te Rotterdam, en

- contacten gelegd en onderhouden en afspraken gemaakt met een of meer klanten voor voornoemde [naam slachtoffer] , ten behoeve van het hebben van seks door voornoemde klanten met voornoemde [naam slachtoffer] en

- contacten onderhouden met voornoemde [naam slachtoffer] over wanneer en/of hoe laat er klanten (voor het afnemen van seksuele diensten) voor voornoemde [naam slachtoffer] zouden komen en

- contacten onderhouden met voornoemde [naam slachtoffer] over welke seksuele diensten voornoemde [naam slachtoffer] kon of wilde verlenen en

- contacten onderhouden met voornoemde [naam slachtoffer] over prijzen voor seksuele diensten en

- voornoemde [naam slachtoffer] voorzien van condooms en

- voornoemde [naam slachtoffer] opdracht gegeven, de tijden en verdiensten van haar prostitutiewerkzaamheden in een schrift op te schrijven en

- tegen voornoemde [naam slachtoffer] gezegd ”Als je hier wilt blijven dan moet je gewoon werken” en “Je kunt veel geld verdienen, het is niet zo erg om te doen”, en

- een deel van de verdiensten van voornoemde [naam slachtoffer] uit prostitutiewerkzaamheden ontvangen en/of zich toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

mensenhandel,

terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt,

door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging: Afwezigheid van alle schuld vanwege verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de leeftijd

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van alle tenlastegelegde varianten van de mensenhandel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. [naam slachtoffer] heeft tegen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] bewust gelogen over haar leeftijd en gezegd dat zij bijna 19 jaar was. Zij had geen identiteitsbewijs bij zich. [naam slachtoffer] gedroeg zich ook als iemand van minimaal 18 jaar en zag er ook zo uit. De verdachte had dan ook niet meer kunnen doen om haar leeftijd te onderzoeken en heeft daarom aan zijn onderzoeksplicht voldaan. De verdachte heeft verontschuldigbaar gedwaald ten aanzien van de leeftijd van [naam slachtoffer] en aan hem komt een beroep op afwezigheid van alle schuld toe.

6.2.

Beoordeling
De strekking van artikel 273f, eerste lid, sub 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht ziet op de bescherming van kinderen, waarbij de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel vormt (vgl Kamerstukken II 1996/97, 25 437, nr. 3, p. 9). Op grond daarvan had de verdachte de verplichting om gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd van [naam slachtoffer] . Dat [naam slachtoffer] zelf heeft gezegd dat ze 18 jaar oud was en dat ze er ook zo uit zag, ontslaat de verdachte niet van die onderzoeksplicht. De verdachte heeft op geen enkele manier geprobeerd te onderzoeken of te controleren of [naam slachtoffer] , die hij naar eigen zeggen nooit eerder had gezien voordat ze door een ander naar het huis van [naam medeverdachte] werd gebracht, daadwerkelijk meerderjarig was.

Gezien de omstandigheden dat [naam slachtoffer] door een ander bij [naam medeverdachte] is gebracht, geen identiteitsbewijs bij zich had, zij klaarblijkelijk dakloos was en niet naar familie toe kon had het op de weg gelegen van de verdachte om gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd van [naam slachtoffer] , alvorens haar in de prostitutie te brengen. Nu de verdachte dit heeft nagelaten, heeft hij niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan en heeft hij niet verontschuldigbaar gedwaald ten aanzien van de leeftijd van [naam slachtoffer] .

6.2.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte en zijn medeverdachte hebben gedurende een periode van ruim een week een kwetsbaar meisje van - toen - 16 jaar, over wie zij hebben verklaard dat ‘ze nergens heen kon’ gehuisvest met het oogmerk van seksuele uitbuiting en hebben haar ertoe gebracht om in ieder geval gedurende vijf dagen prostitutiewerkzaamheden te verrichten vanuit de woning waar zij in verbleef. De verdachte en zijn medeverdachte hebben financieel voordeel getrokken uit die prostitutiewerkzaamheden door zich een aanzienlijk deel van de verdiensten toe te eigenen.

Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit waarbij zij, met miskenning van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer het eigen financieel gewin op de voorgrond hebben gesteld. De rechtbank neemt het verdachte en zijn medeverdachte bijzonder kwalijk dat zij een reeds kwetsbaar meisje verder hebben beschadigd om er zelf financieel beter van te worden. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog gedurende langere tijd de psychische en emotionele schade hiervan ondervinden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie en een strafkaart van 16 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
28 februari 2018. Dit rapport houdt – onder meer - het volgende in.

Bij de verdachte zijn in algemene zin en in relatie tot de delictgeschiedenis ernstige zorgen over zijn financiële situatie en het feit dat hij al geruime tijd geen dagbesteding heeft. De verdachte heeft in de zes jaar voorafgaande aan de rapportage geen betaald werk kunnen vinden, hoewel hij zegt graag te willen werken. Ook zijn er hoge schulden waarvoor geen betalingsregelingen zijn getroffen. Verder zijn er weinig stabiele factoren in het leven van de verdachte.
Met name op basis van de aard en de ernst van het onderhavige delict, het delictverleden en de praktische problemen met betrekking tot werk en inkomen worden aanknopingspunten gezien voor het inzetten van interventies en begeleiding door de reclassering waarbij diagnostiek bij een forensische polikliniek en daaruit voortvloeiende ambulante behandeling wordt geadviseerd, alsmede aandacht voor schuldenproblematiek en inzet op het hebben van een structurele dagbesteding.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

De reclassering heeft voorts op 7 september 2018 een voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever gemaakt, om de rechtbank te informeren over de voortgang van het toezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Uit dit verslag blijkt dat de verdachte 11 maal de voorwaarden van het hem opgelegde locatiegebod heeft overtreden. Dit baart de rechtbank zorgen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de seksuele uitbuiting in een relatief beperkte periode van enkele dagen heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal bij de strafoplegging geen rekening houden met de gestelde omstandigheid dat de verdachte niet op de hoogte was van de minderjarigheid van het slachtoffer en verwijst daartoe naar hetgeen daarover is overwogen in het kader van de strafbaarheid van de verdachte. De rechtbank zal evenmin bepalen dat de dagen die de verdachte gedurende zijn schorsing onder elektronische controle heeft gestaan, in mindering komen op de aan hem op te leggen gevangenisstraf. Daarvoor ziet de rechtbank geen enkele aanleiding.

Nu de reclassering begeleiding en oplegging van bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [naam slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer] 2000) in de zin van artikel 38v Sr. Voor het geval dat de verdachte zich niet aan het contactverbod houdt, zal de rechtbank vervangende hechtenis bepalen voor de duur van 2 (twee) weken per overtreding, met een maximum van 6 (zes) maanden.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [naam slachtoffer] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De schorsing van de voorlopige hechtenis zal gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf worden opgeheven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verdachte zich gedurende de schorsing een aantal malen niet heeft weten te houden aan het opgelegde locatiegebod.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 800,- aan materiële schade en een vergoeding van € 7.500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, hoofdelijk toe te wijzen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair – gelet op het gevoerde vrijspraakverweer en het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging – op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering. Subsidiair heeft de verdediging betwist dat de benadeelde partij materiële of immateriële schade heeft geleden. Zij heeft bewust gelogen over haar naam en leeftijd en weloverwogen en in alle vrijheid een aantal dagen gewerkt als prostituee. De benadeelde partij heeft nooit aangifte willen doen en heeft zich nooit gepresenteerd als slachtoffer. Het is mede aan de schuld van de benadeelde partij te wijten dat de verdachte haar heeft behandeld als meerderjarige, aldus de verdediging.

8.3.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de gevorderde materiële schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt zodat zij voor dat gedeelte in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De rechtbank is voorts van oordeel dat vast is komen te staan dat aan verzoekster door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Echter niet tot het bedrag zoals gevorderd, aangezien de omstandigheden in de uitspraak waarnaar de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering heeft verwezen weinig overeenkomsten heeft met de onderhavige zaak.

De rechtbank zal de schade op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid begroten op € 1.500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 26 mei 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland/Bouman GGZ, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  • -

    de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaars verantwoord vindt onder ambulante behandeling stellen van de forensische polikliniek De Waag;

  • -

    de veroordeelde zal zich inspannen voor het hebben van een structurele dagbesteding, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    de veroordeelde zal zijn medewerking verlenen aan schuldhulpverlening, indien en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

- zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer] , geboortedatum
[geboortedatum slachtoffer] 2000, gedurende een proeftijd van twee jaar ;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte, hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 1.500,- (hoofdsom, zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1.500,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

mr. A.M. van der Leeden en mr W.J. Loorbach, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2017 tot

en met 26 mei 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2000, (telkens)

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van seksuele uitbuiting van die [naam slachtoffer] (sub 2°) en/of

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten

aanzien van die [naam slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan

verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat die [naam slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het

verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°) en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van

die/een ander of anderen, te weten voornoemde [naam slachtoffer] , met en/of voor een derde

tegen betaling (sub 8°), terwijl die [naam slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog

niet had(den) bereikt,

immers is en/of heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- voornoemde [naam slachtoffer] , die zich had onttrokken aan een gesloten plaatsing, laten verblijven in de woning [adres delict] te Rotterdam, althans in een woning en/of

- contacten gelegd en/of onderhouden en/of afspraken gemaakt met een of meer klanten voor voornoemde [naam slachtoffer] , ten behoeve van het hebben van seks door voornoemde klanten met voornoemde [naam slachtoffer] en/of

- contacten onderhouden met voornoemde [naam slachtoffer] over wanneer en/of hoe laat er klanten (voor het afnemen van seksuele diensten) voor voornoemde [naam slachtoffer] zouden komen en/of

- contacten onderhouden met voornoemde [naam slachtoffer] over welke seksuele diensten voornoemde [naam slachtoffer] kon of wilde verlenen en/of

- contacten onderhouden met voornoemde [naam slachtoffer] over prijzen voor seksuele diensten en/of

- voornoemde [naam slachtoffer] voorzien van condooms en/of

- voornoemde [naam slachtoffer] opdracht gegeven, althans verzocht, de tijden en verdiensten van haar prostitutiewerkzaamheden in een schrift op te schrijven en/of

- tegen voornoemde [naam slachtoffer] gezegd ”Als je hier wilt blijven dan moet je gewoon werken” en/of “Je kunt veel geld verdienen, het is niet zo erg om te doen” en/of woorden van gelijke aard/strekking, en/of

- foto’s gemaakt van voornoemde [naam slachtoffer] ten behoeve van het aanmaken en/of beheren van profielen op de website www.sexjobs.nl en/of

- op de website www.sexjobs.nl een of meer profielen aangemaakt voor voornoemde [naam slachtoffer] voor het maken en/of hebben van seksafspraken tegen betaling en/of

- op de website www.sexjobs.nl een of meer profielen van voornoemde [naam slachtoffer] beheerd en/of

- ( een deel van) de verdiensten van voornoemde [naam slachtoffer] uit prostitutiewerkzaamheden ontvangen en/of zich toegeëigend.