Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
4941865 CV EXPL 16-13942
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Dexia. Beroep op vernietiging ex art. 1:89 BW. Echtgenote heeft geen toestemming gegeven voor het aangaanvan de overeenkomst, maar wel voor de verlening ervan. Bevestiging in de zin van artikel 3:55 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4941865 CV EXPL 16-13942

uitspraak: 31 augustus 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel te Amsterdam.

Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘Dexia’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

Het procesverloop volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 18 maart 2018;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie;

  • -

    de producties van beide partijen.

De datum van de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten in conventie en reconventie

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende zijn weersproken:

2.1

[eiser] is in 1971 gehuwd met [ echtgenote] (hierna aangeduid als [ echtgenote]).

2.2

[eiser] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten ondertekend (hierna: de overeenkomsten) waarop hij als lessee staat vermeld, met als wederpartij de rechtsvoorganger van Dexia:

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

Vooruit-betaling

59002304

24-04-1998

Feestplan

120 mnd

€ 23.118,40

-

13004867

22-12-1999

Legio I.B.* Plan

Verlenging

60 mnd

36 mnd

€ 4.999,42

-

€ 1.818,00

-

38640356

03-05-2001

Koers Extra (180m)

180 mnd

€ 32.671,80

€ 8.712,60

74887120

03-05-2001

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 18.257,58

€ 2.900,16

2.3

[eiser] heeft met betrekking tot bovengenoemde overeenkomsten in totaal een bedrag van € 26.197,16 aan Dexia betaald en € 2.258,49 van Dexia ontvangen.

2.4

Op 13 maart 2003 is door de stichting Eegalease een collectieve vordering als bedoeld in artikel 3:305a BW ingesteld. De door Stichting Eegalease ingediende vordering had onder meer betrekking op de vernietiging van effectenleaseovereenkomsten wegens het ontbreken van toestemming van de andere echtgenoot als bedoeld in artikel 1:88 BW.

2.5

De collectieve actie heeft op 23 juni 2005 geleid tot een schikking die is neergelegd in de zogenoemde hoofdovereenkomst. De bij de collectieve actie betrokken partijen hebben vervolgens een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst). Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam deze overeenkomst algemeen verbindend verklaard. Het geheel van deze afspraken wordt aangeduid als de Duisenberg-regeling.

2.6

In een brief van 19 september 2005 van [ echtgenote] aan Dexia heeft [ echtgenote] een beroep gedaan op vernietiging van bovengenoemde overeenkomsten.

2.7

Bij brief van 12 maart 2007 heeft Leaseproces namens [eiser] een opt-out verklaring uitgebracht aan Dexia.

3 Het geschil

In conventie

3.1

[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (samengevat):

  1. voor recht te verklaren dat de overeenkomsten zijn vernietigd en Dexia te veroordelen tot terugbetaling aan [eiser] van al hetgeen [eiser] krachtens de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de gedane betalingen tot aan de voldoening;

  2. Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het onderhavige vonnis te bewerkstelligen dat de registratie bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en de achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag en maximum van € 20.000,-;

  3. Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, de omvang van deze kosten primair te bepalen op basis van de offerte van Leaseproces, subsidiair door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

  4. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, waarvan het salaris voor de gemachtigde voorwaardelijk wordt gevorderd, namelijk voor het geval dat de volledige proceskostenveroordeling zoals primair gevorderd onder c) wordt afgewezen.

3.2

Ter toelichting stelt [eiser] – samengevat – dat de overeenkomsten zijn aangegaan zonder toestemming van [ echtgenote]. [ echtgenote] heeft de overeenkomsten bij brief van 19 september 2005 vernietigd zodat de door [eiser] betaalde bedragen als onverschuldigd betaald dienen te worden terugbetaald. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum van de betalingen. Mogelijk heeft [eiser] een A-notering bij het BKR.

3.3

Dexia concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Op de stellingen van Dexia zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

In reconventie

3.4

Dexia vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [eiser] een beroep kan worden gedaan, een en ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.5

Ter toelichting daarop stelt Dexia – samengevat – dat [eiser] aldus wordt gedwongen om in de onderhavige procedure al zijn stellingen die betrekking hebben op de rechtsgeldigheid van de overeenkomsten aan de orde te stellen.

3.6

[eiser] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van Dexia of aanhouding van de procedure. Dit verweer komt – zover van belang – nader aan de orde bij de beoordeling.

4 De beoordeling

Conventie

Geen toestemming

4.1

Partijen hebben geen verschil van mening over het feit dat [eiser] de overeenkomsten met nummers 59002304, 38640356 en 74887120 heeft gesloten zonder toestemming van zijn echtgenote. Het ontbreken van toestemming levert een grond op voor vernietiging van de overeenkomsten (artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW en artikel 1:89 BW). [eiser] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomsten door de onder 2.6 genoemde brief van [ echtgenote] van 19 september 2005 buitengerechtelijk zijn vernietigd.

4.2

Dexia heeft aangevoerd dat [ echtgenote] toestemming heeft gegeven bij de verlenging van de overeenkomst met nummer 13004867 en daarmee ook toestemming heeft gegeven voor de eerste overeenkomst. [eiser] betwist niet dat zijn echtgenote toestemming heeft gegeven voor de verlenging, maar hij voert aan dat de verlenging moet worden losgezien van de aanvankelijke overeenkomst.

4.3

Naar het oordeel van de kantonrechter mocht Dexia er met het geven van toestemming voor de verlenging van de overeenkomst gerechtvaardigd op vertrouwen dat [ echtgenote] daarmee de eerste overeenkomst bevestigde als bedoeld in artikel 3:55 lid 1 BW. Op dat moment moet [ echtgenote] immers op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de eerste overeenkomst alsmede van het feit dat zij voor het sluiten van die overeenkomst geen toestemming gegeven had. Dat [ echtgenote], zoals [eiser] stelt, niet op de hoogte was van de risico’s die zij op grond van de eerste overeenkomst liep, doet daar niet aan af. Dat is immers voor de toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW ook niet vereist. Indien [ echtgenote] slechts toestemming had willen geven voor de verlenging om mogelijke schade te beperken, maar daarbij geen afstand heeft willen doen van haar recht de eerste overeenkomst te vernietigen, dan had het op haar weg gelegen om dit aan Dexia kenbaar te maken. Het beroep op vernietiging wordt ten aanzien van de overeenkomst met nummer 13004867 dan ook verworpen.

Verjaring

4.4

Dexia voert als verweer dat de bevoegdheid van [ echtgenote] om de overeenkomsten te vernietigen op 19 september 2005 reeds was verjaard. Hiertegenover beroept [eiser] zich erop dat de verjaring is gestuit.

4.5

De bevoegdheid tot vernietiging verjaart na drie jaar gerekend vanaf het moment waarop degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst (artikel 3:52 lid 1 sub d en lid 2 BW in samenhang met HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106).

4.6

[eiser] stelt dat de verjaring van de bevoegdheid tot (buitengerechtelijke) vernietiging is gestuit door de collectieve actie van 13 maart 2003. De overeenkomsten met nummers 38640356 en 74887120 zijn aangegaan na 13 maart 2000. De bevoegdheid tot vernietiging van deze overeenkomsten was daarom op het moment van de collectieve actie nog niet verjaard.

4.7

De overeenkomst met nummer 59002304 is aangegaan voor 13 maart 2000. Dexia stelt zich ten aanzien van deze overeenkomst op het standpunt dat de bevoegdheid tot vernietiging op het moment van de collectieve actie reeds was verjaard. Aangezien Dexia zich daarbij beroept op de rechtsgevolgen die de verjaring met zich meebrengt, ligt het op haar weg om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [ echtgenote] reeds voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met de overeenkomst (HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508).

4.8

Voor het aannemen van daadwerkelijke bekendheid van [ echtgenote] is niet vereist dat zij wist of begreep dat zij bevoegd was de leaseovereenkomst te vernietigen. Het stellen van die eis zou niet in overeenstemming zijn met een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer. Voor het aanvangen van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW is bepalend welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan (HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508 en HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

4.9

Dexia heeft er in dit verband op gewezen dat de betalingen in het kader van de overeenkomst die is aangegaan voor 13 maart 2000, hebben plaatsgevonden vanaf een zogenaamde ‘en/of’-rekening die op naam stond van zowel [eiser] als [ echtgenote]. [eiser] heeft dit niet weersproken. Er bestaat daarom aanleiding om ten aanzien van deze overeenkomst voorlopig als vaststaand aan te nemen dat [ echtgenote] vanaf de eerste betaling daadwerkelijk met de overeenkomst bekend is geworden. [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld hiervan tegenbewijs te leveren.

4.10

In het geval – nadat de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden – als vaststaand moet worden aangenomen dat de bevoegdheid van [ echtgenote] tot vernietiging ten aanzien van de overeenkomst met nummer 59002304 is verjaard, zal de vordering van [eiser] met betrekking tot deze overeenkomst worden afgewezen. Voor het geval niet komt vast te staan dat de bevoegdheid van [ echtgenote] tot vernietiging is verjaard, alsmede ten aanzien van de overeenkomst die zijn aangegaan na 13 maart 2000, geldt het volgende.

4.11

Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) volgt dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW dit ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is daarom tijdig uitgebracht.

Aansluitende vordering

4.12

Dexia heeft onder meer aangevoerd dat de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging niet is gestuit, omdat de vernietiging van [ echtgenote] niet aansluit op de vorderingen die in de collectieve actie aan de orde waren. Dat verweer wordt verworpen.

4.13

Het enkele feit dat een onderdeel van de collectieve vordering van Stichting Eegalease alleen zag op 89 specifieke effectenlease-overeenkomsten, die bovendien gesloten dienden te zijn tussen 29 januari 2000 en 2 mei 2002, brengt niet mee dat het aanhangig maken van de collectieve vordering geen stuitende werking zou kunnen hebben ten aanzien van andere effectenlease-overeenkomsten. Maatstaf is of het gaat om individuele vorderingen (betreffende de vernietiging van effectenlease-overeenkomst(en)), die bij de in de collectieve actie gevorderde verklaring voor recht aansluiten (ECLI:NL:HR:2015:3018, r.o. 3.4.1).

4.14

Voor de vraag of er sprake is van ‘aansluiten’ is van belang dat de aanleiding voor de collectieve actie (mede) gelegen was in het toenmalige standpunt van Dexia, dat de artikelen 1:88 en 1:89 BW op geen van de door haar overeengekomen effectenleaseovereenkomsten van toepassing waren, omdat er geen sprake zou zijn van koop op afbetaling. De collectieve actie had betrekking op twee vorderingen. De eerste van die vorderingen was gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW (wel) van toepassing is op ‘de’ door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten (in de dagvaarding genoemd onder 89 verschillende benamingen). Deze vordering is essentieel voor het slagen van een vordering van een individuele afnemer als de onderhavige. Er is daarom sprake van ‘aansluiting’ als door de Hoge Raad bedoeld tussen die vordering en de hiervoor bedoelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW.

Afstand van recht

4.15

Dexia heeft voorts aangevoerd dat in de minnelijke regeling van 23 juni 2005, waarmee de collectieve vordering tot een einde was gekomen, door de belangenorganisaties, waaronder Stichting Eegalease, uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van (een beroep op) stuiting van de verjaring die het uitbrengen van de dagvaarding in de collectieve actie met zich bracht. Volgens Dexia kan ook [eiser] in het verlengde hiervan geen beroep meer doen op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin. Ook dat verweer wordt verworpen.

4.16

Uit eerder genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad volgt dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW leidt dit ertoe dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit.

4.17

Individuele belanghebbenden die niet aan de schikking gebonden wilden zijn konden gebruik maken van de mogelijkheid ex artikel 7:908 BW om een opt-out verklaring uit te brengen. Degenen die een dergelijke opt-out verklaring hebben uitgebracht, zoals [eiser], raakten niet door de verbindendverklaring gebonden aan de schikking. In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden, achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen (HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).

De buitengerechtelijke vernietiging

4.18

Een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is tijdig uitgebracht (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018). De verbindend verklaring bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 heeft als begin van de zes maanden termijn te gelden. Pas door die beschikking is het geding geëindigd in de zin dat (eerst) vanaf dat moment de definitieve uitkomst van de collectieve actie is komen vast te staan en belanghebbenden wisten waar zij aan toe waren. Bovendien zou, indien een eerder aanvangsmoment van de zes maanden termijn als uitgangspunt zou worden genomen, de met de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming in het gedrang komen (HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Belanghebbenden konden daarom uiterlijk op 25 juli 2007 buitengerechtelijk vernietigen.

4.19

In het onderhavige geval is de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring uitgebracht voor 25 juli 2007. De bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomsten met nummers 38640356 en 74887120 is daarom niet verjaard. De bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomsten met nummer 59002304 is niet verjaard, tenzij vast komt te staan dat [ echtgenote] voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met de overeenkomsten. Voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet is verjaard, en de overeenkomsten dus rechtsgeldig zijn vernietigd, zijn de betalingen van [eiser] aan Dexia onverschuldigd verricht.

4.20

Vast staat dat [eiser] de aandelen met betrekking tot de overeenkomst met nummer 74887120 aan het einde van de looptijd van die overeenkomst heeft overgenomen. Dat houdt in dat [eiser] de waarde die de aandelen op dat moment vertegenwoordigden aan Dexia heeft betaald en dat Dexia de aandelen aan [eiser] heeft overgedragen. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom deze nadere overeenkomst tevens onder het bereik van de vernietiging valt of waarom [eiser], zoals Dexia suggereert, door het sluiten van deze nadere overeenkomst ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt. Partijen dienen zich hierover dan ook uit te laten. [eiser] dient zich tevens uit te laten over het bedrag dat [eiser] voor de aandelen aan Dexia heeft betaald en in hoeverre dat bedrag deel uitmaakt van het bedrag dat hij thans van Dexia terugvordert.

Wettelijke rente

4.21

[eiser] vordert ‘wettelijke rente’ vanaf de dag van de door hem gedane betalingen. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Dexia bij het in ontvangst nemen van de betalingen te kwader trouw was en daarom direct in verzuim is geraakt (artikel 6:205 BW), dan wel dat Dexia als bezitter niet te goeder trouw moet worden aangemerkt zodat zij gehouden is over de ontvangen geldsommen de vruchten af te dragen (artikel 6:206 jo. artikel 3:121 BW). Mede gelet op hetgeen [eiser] in dit kader bij repliek heeft aangevoerd, begrijpt de kantonrechter de vordering op dit punt aldus dat primair wordt gevorderd de wettelijke rente dan wel een bedrag aan rente, dat qua hoogte gelijk is aan de wettelijke rente en subsidiair de wettelijke rente vanaf het moment dat Dexia door ingebrekestelling in verzuim is geraakt.

4.22

Op grond van artikel 6:205 jo. 6:119 BW is de ontvanger die een goed te kwader trouw heeft aangenomen zonder nadere ingebrekestelling in verzuim, zodat hij vanaf dat moment de wettelijke rente is verschuldigd. Op grond van artikel 6:206 jo. 3:121 lid 1 BW is de bezitter die niet te goeder trouw is, jegens de rechthebbende verplicht tot het afgeven van de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten. De over een geldsom verkregen rente moet overeenkomstig artikel 3:9 BW volgens verkeersopvatting als burgerlijke vrucht worden beschouwd.

4.23

Dexia heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 6:205 BW moet worden beschouwd als een specialis ten opzichte van artikel 6:206 juncto artikel 3:121 BW, zodat [eiser] op laatstgenoemde grond geen rente kan vorderen. Dat standpunt wordt niet gevolgd. Artikel 6:119 BW bepaalt dat de schadevergoeding die verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Artikel 6:205 BW bepaalt dat de bezitter te kwader trouw zonder ingebrekestelling in verzuim is en regelt daarmee het moment vanaf wanneer de schuldenaar de wettelijke rente verschuldigd wordt. Daarvoor is, anders dan bij de verplichting tot het afstaan van ‘verkregen vruchten’, niet relevant of de schuldenaar (Dexia) zelf rente heeft ontvangen en evenmin is relevant of de schuldeiser ([eiser]) zelf over het bedrag (een hogere) rente had kunnen ontvangen. De hiervoor beschreven regels omtrent de wettelijke rente en het tijdstip van verzuim sluiten niet uit dat, in een geval als het onderhavige, de bezitter van een geldsom ‘niet te goeder trouw’ op basis van artikel 6:206 juncto 3:121 BW gehouden is tot afgifte van door hem ontvangen rentebedragen over een periode dat deze ‘bezitter niet te goeder trouw’ nog niet in verzuim verkeerde. Gelet hierop kan het standpunt van Dexia dat artikel 6:205 BW als een specialis van artikel 6:206 BW moet worden aangemerkt, geen stand houden. Ook overigens bieden de systematiek van de wet en de parlementaire geschiedenis voor dit standpunt geen steun. Wellicht ten overvloede wordt nog overwogen dat de wettelijke rente en de bij wijze van opeisbaar geworden vrucht verkregen rente niet cumulatief kunnen worden gevorderd, maar daarvan is in het onderhavige geval ook geen sprake.

4.24

Dexia heeft voorts aangevoerd dat zij in het geheel niet kan worden aangemerkt als bezitter van een goed, omdat de girale betalingen die door [eiser] zijn gedaan niet meebrengen dat enig goed van bezitter is gewisseld. Ook dit standpunt wordt niet gevolgd. Met de girale betaling heeft [eiser] bewerkstelligd dat zijn vordering op de bank met het bedrag van de betaling is verminderd en dat Dexia ter zake van een gelijk bedrag een vordering op haar bank heeft verkregen. De daarover verkregen rente kan als burgerlijke vrucht van die vordering worden aangemerkt.

4.25

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of Dexia al dan niet als te goeder trouw moet worden aangemerkt. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Goede trouw wordt voorts vermoed aanwezig te zijn (artikel 3:118 leden 1 en 3 BW). Goede trouw ten aanzien van het ontvangen geldbedrag ontbreekt indien de bezitter van een goed de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien de bezitter ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen (artikel 3:11 BW).

4.26

Volgens [eiser] is Dexia niet te goeder trouw, aangezien zij ervan op de hoogte was dat voor het sluiten van de onderhavige overeenkomsten op grond van artikel 1:88 BW toestemming van de echtgenote was vereist, zij niet heeft gevraagd of [eiser] gehuwd was en aldus bewust het risico van mogelijke vernietiging heeft genomen. Dexia brengt hiertegen in dat zij niet wist dat [eiser] gehuwd was en ook niet dat de echtgenote van [eiser] niet schriftelijk had ingestemd. Voorts voert Dexia aan dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet te voorspellen was dat een beroep op vernietigbaarheid zou worden gedaan, dit gezien de profijtelijke afloop van eerdere overeenkomsten.

4.27

Naar het oordeel van de kantonrechter had Dexia als professionele effecteninstelling behoren te weten dat voor het sluiten van overeenkomsten als de onderhavige de toestemming van de echtgenote was vereist. Nu Dexia niet heeft weersproken, dat zij bij het sluiten van de overeenkomst niet heeft gevraagd of [eiser] gehuwd was, diende zij er rekening mee te houden dat de overeenkomsten vernietigbaar waren. Vanwege de vernietiging door [ echtgenote] moet Dexia daarom met terugwerkende kracht als bezitter niet te goeder trouw worden aangemerkt, zodat zij op grond van artikel 6:206 juncto 3:121 BW gehouden is de door haar ontvangen rente af te dragen (vergelijk in dit verband voorts: HR 6 januari 1961, NJ 1962/19 (Seneca/Forumbank)).

4.28

Dexia heeft onvoldoende weersproken dat zij over de van [eiser] ontvangen betalingen bedragen aan rente heeft ontvangen die ten minste gelijk zijn aan de wettelijke rente. De vordering tot afdracht van deze rente vanaf de dag van de betalingen zal daarom – voor zover komt vast te staan dat de overeenkomsten zijn vernietigd – worden toegewezen.

A-codering

4.29

Ten aanzien van de vordering om de BKR-registratie en de daaraan gekoppelde achterstandscodering ongedaan te maken, heeft Dexia als verweer naar voren gebracht dat het niet in haar macht ligt de gegevens in de registers van het BKR door te laten halen. [eiser] heeft hier in het geheel niet op gereageerd, terwijl dat, na de betwisting van Dexia, wel op zijn weg lag. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.30

[eiser] vordert voorts vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van hetgeen hij met Leaseproces is overeengekomen. Volgens die offerte is [eiser], zo stelt hij, aan Leaseproces verschuldigd een vast bedrag van € 895,- en daarnaast een bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van het resultaat.

4.31

Redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Dit geldt ook als, zoals in het onderhavige geval, de eiser de gedaagde heeft aangesproken tot nakoming van een verbintenis uit onverschuldigde betaling (vergelijk Parl. Gesch. Boek 6 BW, 1981, p. 338 en de conclusie van de AG mr. Hartkamp bij HR 5 december 1997, NJ 1998/400). Vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Dit geldt ook in geval van een ‘no cure no pay’ afspraak. De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797).

4.32

[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren. Hij heeft een uitgebreide opsomming gegeven van werkzaamheden sinds 2005, waaronder (onbetwist) sommatie, opt-out, vernietiging, stuiting en op basis van gegevens van [eiser] advisering omtrent de Duisenberg-regeling. Het gaat hier om werkzaamheden die niet onder de proceskostenvergoeding vallen en om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daar weegt als omstandigheid bij mee dat de zaak, als onderdeel van de effectenlease massaschade, een bijzonder voortraject heeft. Dexia voert aan dat [eiser] met Leaseproces uitsluitend het voeren van een procedure is overeengekomen. Zij leidt dat af uit de offerte. Dat kan echter niet uit de offerte worden afgeleid. De offerte bepaalt immers dat de vergoeding aan Leaseproces ook verschuldigd is als een schikking wordt bereikt. Los daarvan geldt dat, zoals al is overwogen, daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

4.33

Voor de vraag of de gemaakte kosten qua omvang redelijk zijn, kan de offerte niet als maatstaf dienen. Uit die offerte blijkt immers dat het geoffreerde mede ziet op proceskosten en bovendien is de geoffreerde vergoeding deels afhankelijk van het resultaat. Resultaatsafhankelijke kosten zijn niet per definitie redelijk en [eiser] heeft geen, althans onvoldoende, feiten gesteld die tot de conclusie leiden dat de overeengekomen resultaatsafhankelijke kosten in dit geval wel redelijk zijn. In dit verband is – in drukkende zin – van belang dat in verband met het bijzondere voortraject sprake is van een gestandaardiseerde aanpak van zaken en dat de correspondentie tussen [eiser] (door Leaseproces) en Dexia ook grotendeels op gestandaardiseerde wijze is gevoerd. De buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden begroot aan de hand van Rapport Voorwerk II.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie:

stelt [eiser] in de gelegenheid om tegenbewijs te leveren van het voorshands als bewezen beschouwde feit dat [ echtgenote] reeds voor 13 maart 2000 met de overeenkomst met contractnummer 59002304 bekend was;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 oktober 2018 om 14:30 uur om [eiser] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten:

over hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.20, waarop Dexia bij akte zal mogen reageren;

en of hij het bewijs wenst te leveren en,

  • -

    indien zij dit schriftelijk wenst te leveren, dit dadelijk bij deze akte te doen, en

  • -

    indien zij dit wenst te leveren door het doen horen van getuigen, dadelijk bij deze akte op te geven de namen van de voor te brengen getuigen met de verhinderdata voor de komende twee maanden van alle betrokkenen, zodat onmiddellijk ter rolzitting een of meer data voor de getuigenverhoren kunnen worden bepaald;

bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100-125 te Rotterdam voor de hierna te noemen kantonrechter;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en ter openbare terechtzitting uitgesproken.

371