Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:8029

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
10/710157-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor bedreiging met een vuurwapen of voorwerp dat op een vuurwapen lijkt. De afgelegde verklaringen komen niet overeen met de videobeelden. Op de beelden is niet te zien dat de verdachte een voorwerp richt op of toont aan de aangeefster.

De verdachte wordt veroordeeld voor twee bedreigingen die hij tegen familieleden via WhatsApp heeft geuit. Er wordt een gevangenisstraf opgelegd vanwege de ernst en de achtergrond van de bedreiging. Tevens oplegging van een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaar, te weten een gebieds- en contactverbod met de aangeefsters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710157-18

Datum uitspraak: 27 september 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

gemachtigd raadsvrouw mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 september 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest en oplegging van een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van de verdachte.

4 Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de dagvaarding nietig is voor zover het betreft het onder 2 ten laste gelegde. De tekst van de tenlastelegging is zo opgesteld dat het feit betrekking heeft op bedreigingen tegen [naam slachtoffer 1] ‘en/of’ [naam slachtoffer 3] . Als de bedreiging tegen beide personen is gericht, dan is het vreemd dat er vervolgens staat: “Ik schiet jullie allemaal”. ‘Allemaal’, dat moeten er meer zijn dan twee.

Het kan natuurlijk zo zijn dat de bedreiging tegen één van de genoemde personen is gericht, maar dan klopt het woord “jullie” in die uiting niet. Beide varianten zijn innerlijk tegenstrijdig.

4.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de tekst van de tenlastelegging en de zich in het dossier bevindende stukken voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt verdacht en waartegen hij zich dient te verweren.

4.3.

Conclusie

De dagvaarding is geldig.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak feit 1

5.1.1.

Standpunt officier van justitie

Op basis van de aangifte en de verklaring van [naam zoon] , de zoon van de aangeefster, in combinatie met de verklaring van de buurvrouw en de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse kwamen acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

5.1.2.

Beoordeling

De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte met zijn auto voor haar woning is gestopt, iets naar haar riep, en vervolgens met piepende banden is weggereden. Nadat hij om het huizenblok heen was gereden, is hij op de hoek van de straat opnieuw gestopt. Daar zag zij de verdachte iets pakken tussen de benen van de passagier in de auto. Vervolgens is de verdachte uitgestapt, om de auto heen gelopen, en zou hij vanaf een afstand van twee meter een zwart vuurwapen op haar hebben gericht. Zij verklaart dat de verdachte het pistool in zijn rechterhand hield en met zijn linkerhand de bovenzijde van het pistool naar achteren trok waarbij een klak klak-geluid te horen was.

Een getuige heeft het incident gefilmd en heeft de beelden later aan de politie overhandigd. Op de beelden is te zien dat er een auto stopt op de hoek van de straat en dat de bestuurder van die auto vervolgens uitstapt. Als de bestuurder, die herkend wordt als de verdachte, om de auto heen loopt in de richting van de aangeefster en haar zoon, rennen zij weg. De verdachte houdt zijn rechterhand steeds in zijn schoudertasje. Als de verdachte bij de achterzijde van de auto is, stapt zijn vriendin uit. Zij houdt de verdachte tegen. Vervolgens is te zien dat de aangeefster en haar zoon weer richting de auto lopen. De verdachte en zijn vriendin staan op dat moment in de deuropening naast de auto en stappen weer in de auto, waarna deze auto wegrijdt.

Op de beelden, die ter terechtzitting zijn getoond, is geen confrontatie te zien waarbij de verdachte en de aangeefster op korte afstand tegenover elkaar staan. Evenmin is op de beelden te zien dat hij op enig moment een voorwerp richt op de aangeefster danwel een voorwerp aan haar toont. De afgelegde verklaringen komen dan ook niet overeen met de camerabeelden. Ook de onafhankelijke getuige [naam getuige 1] , die het gebeurde vanuit haar woonkamer heeft waargenomen, verklaart niet te hebben gezien dat de verdachte iets in zijn hand had. Ook de onafhankelijk getuige [naam getuige 2] beschrijft hetgeen ze heeft gezien, maar ook zij verklaart niets over de aanwezigheid van een (vuur)wapen bij de verdachte.

5.1.3.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.2.

Bewijswaardering feiten 2 en 3

5.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat niet duidelijk is of de aangeefsters zich daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld. Er is een tijd verstreken tussen de uitingen en de aangiftes, en aangeefster [naam slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij zich niet bedreigd voelde. Met verwijzing naar de arresten met ECLI NL:HR:2005:AT3659 en ECLI NL:HR:2006:AV4191 is bepleit dat de aangeefsters geen redelijke vrees hebben gehad dat de verdachte de bedreigingen daadwerkelijk zou kunnen uitvoeren. Het betreft een familielid waarvan zij weten dat hij grof in de mond is en kan schelden. De uitlatingen zijn bovendien gedaan als emotionele ontlading.

Ten aanzien van [naam slachtoffer 3] is aangevoerd dat er geen aangifte beschikbaar is, zodat niet worden vastgesteld dat hij op de hoogte is van de uitlatingen.

Volgens de verdediging is bovendien niet duidelijk wie de appjes heeft verstuurd omdat het niet de telefoon van de verdachte is geweest waar de berichten mee zijn verzonden. Voorts is aangevoerd dat niet duidelijk is hoe de uitingen zijn overgekomen nu ze niet in de Nederlandse taal zijn gedaan. De verdachte dient van beide feiten te worden vrijgesproken.

5.2.2.

Beoordeling

[naam slachtoffer 3]

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat [naam slachtoffer 3] op de hoogte is geraakt van de tot hem gerichte bedreigingen. Reeds om die reden zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde voorzover het de bedreiging van [naam slachtoffer 3] betreft.

Redelijke vrees

Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat bij een aangever werkelijk vrees is opgewekt dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd ook daadwerkelijk gepleegd wordt. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder die omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Gelet op de gekozen bewoordingen en de achtergronden van het conflict zoals die uit het dossier blijken, is de rechtbank van oordeel dat die bedreigingen in het algemeen een dergelijke vrees konden opwekken.

Wat de achtergronden van het conflict betreft weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder verdacht is geweest van een dodelijke schietpartij en dus op dat vlak (wellicht onterecht) een reputatie heeft. Een bedreiging uit de mond van de verdachte zal om die reden een grotere impact hebben op de bedreigde dan wanneer dezelfde woorden worden geuit door een persoon die van onbesproken gedrag is.

Voor het bewijs van de bedreiging met de woorden ‘Ik schiet jullie, ik schiet jullie allemaal, ik moet je man hebben.’ is slechts de aangifte voorhanden. Omdat steunbewijs ontbreekt zal de verdachte ten aanzien van die uitlating worden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor het onder 3 ten laste gelegde voor zover het betreft de bedreiging die via de vader van aangeefsters zou zijn gedaan. Ook daarvoor ontbreekt steunbewijs naast de aangifte.

Vertaling

De spraak- en tekstberichten zijn door een tolk Papiaments in het Nederlands vertaald. Uit de aangiftes blijkt dat aangeefsters de berichten in het Papiaments goed hebben begrepen. In de aangiftes wordt ook de achtergrond van de bedreigingen en de gesprekken geschetst. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte de gebruiker van de telefoon en de afzonder van de berichten is geweest. Zo blijkt uit de door [naam slachtoffer 1] overgelegde schermafdrukken dat zij contact had met de verdachte die gebruik maakte van de telefoon van zijn vriendin [naam vriendin] . Aangeefster [naam slachtoffer 2] heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar beschuldigde van diefstal in de periode dat hij gedetineerd heeft gezeten en zij zijn financiële zaken heeft waargenomen. Uit de schermafdrukken van de WhatsApp gespreksgeschiedenis blijkt dat de tekstberichten betrekking hebben op de door de verdachte aan [naam slachtoffer 2] geuite beschuldiging, hetgeen de rechtbank sterkt in de overtuiging dat het de verdachte is geweest die deze berichten heeft verstuurd.

5.2.3.

Nadere bewijsoverweging

In het proces-verbaal van bevindingen dat als bewijsmiddel 3 is opgenomen in bijlage II, relateert verbalisant [naam verbalisant] dat hij een onderzoek heeft ingesteld naar de WhatsApp gesprekken die hij van aangeefster [naam slachtoffer 1] heeft ontvangen. De rechtbank stelt op basis van beide aangiftes vast dat ook de door [naam slachtoffer 2] verzonden berichten in het onderzoek zijn meegenomen. De bij het proces-verbaal genoemde bijlagen 1 tot en met 5 zijn afkomstig van [naam slachtoffer 1] . Uit de inhoud van de berichten die in de aangifte worden beschreven blijkt dat de bijlagen 6 tot en met 16 afkomstig zijn van [naam slachtoffer 2] . Ter zitting is gebleken dat ook de verdediging en de officier van justitie dit zo hebben begrepen.

5.2.4.

Conclusie

De verdachte zal worden veroordeeld voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 23 mei 2018 te Hellevoetsluis, althans in Nederland, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [naam slachtoffer 1] (via WhatsApp) dreigend de woorden toe te voegen "Houd je bek vieze hoer. Laat mij niet naar je huis toe komen en daar kogels loslaten, maak niet uit wie er is. Althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij, in de periode van 24 januari 2018 tot en met 13 juni 2018 te Hellevoetsluis en/of (elders) in Nederland, [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [naam slachtoffer 2] ( via WhatsApp) dreigend de woorden toe te voegen "waar ik jou tegenkom, ik ga je slaan, je had een grote mond, dus ik ga je slaan" en "Als ik jou tegenkom dan ga je heel veel klappen krijgen en trek ik je aan je haar en sleur ik je mee naar de politie" , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3.

bedreiging met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf en maatregel

8.1.

Algemene overweging

De straf en de maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zijn nicht [naam slachtoffer 1] bedreigd omdat hij boos was op haar vriend. Hij heeft gedreigd naar haar huis te komen en daar kogels af te schieten. Daarnaast heeft de verdachte zijn andere nicht [naam slachtoffer 2] bedreigd met zware mishandeling omdat hij dacht dat zij zijn geld had gestolen. Toen later bleek dat zij alleen zijn rekeningen had betaald tijdens zijn detentie, vond de verdachte dat zij een te grote mond had gehad. Dat was voor de verdachte voldoende reden om te dreigen haar in elkaar te slaan en klappen te geven.

8.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt in beginsel een geldboete opgelegd bij een veroordeling voor een bedreiging. Gelet echter op de ernst en achtergrond van de bedreigingen en de omstandigheid dat deze in de familiesfeer zijn geuit, zal de rechtbank in plaats van een geldboete een gevangenisstraf opleggen.

Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaar opgelegd, inhoudende een gebieds- en contactverbod met aangeefsters.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangeefsters zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel worden bevolen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38v, 38w, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

1a. zich niet op te houden in de straat [straatnaam 1] te Hellevoetsluis;

1b. zich niet op te houden in [straatnaam 2] te Hellevoetsluis;

2a. zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] te [geboorteplaats slachtoffer 1] );

2b. zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] te [geboorteplaats slachtoffer 2] );

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en W.J. Loorbach, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 mei 2018 te Hellevoetsluis [naam slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer 4] te tonen/voor te houden en/of dat pistool/voorwerp op die [naam slachtoffer 4] te richten/gericht te houden en/of dat pistool/voorwerp door te laden;

2.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 20 mei 2018 tot en met 23 mei 2018 te Hellevoetsluis, althans in Nederland, [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 3] (via Whatsapp) dreigend de woorden toe te voegen "Ik schiet jullie, ik schiet jullie allemaal. Ik moet je man hebben" en/of "Houd je bek vieze hoer. Laat mij niet naar je huis toe komen en daar kogels loslaten, maak niet uit wie er is. Ik maak jou vriend dood, dat is het enige wat ik zeg. Die flikker. Waar is hij? Zeg hem om snel te komen en niet te blijven praten" en/of "Ik heb meer gedaan dan jou man in zijn leven. Jou

man heb ik nodig. Alleen maar via Internet doet hij stoer. Waar ik hem ook tegen kom, ik maak hem dood. Als jullie willen ga maar naar de politie, doe wat jullie willen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij, in of omstreeks de periode van 25 december 2017 tot en met 13 juni 2018 te Hellevoetsluis en/of (elders) in Nederland, [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam slachtoffer 2] en/of haar vader (al dan niet via Whatsapp) dreigend de woorden toe te voegen "waar ik jou tegenkom, ik ga je slaan, je had een grote mond, dus ik ga je slaan" en/of "Als ik jou tegenkom dan ga ik heel veel klappen krijgen en trek ik je aan je haar en sleur ik je mee naar de politie"

en/of (via haar vader) "Als je nog een keer hier komt schiet ik je, je had met [naam slachtoffer 2] moeten komen, had je kunnen zien hoe haar gezicht verbouwd wordt, je gaat zelf zien hoe ik je dochters gezicht ga laten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.