Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7979

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
C/10/556626 / KG ZA 18-908
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:1300, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Concurrentiebeding en onrechtmatige concurrentie. Werknemer wordt gehouden aan concurrentiebeding met looptijd van 1 jaar gehouden zonder toekenning van enige vergoeding onder meer gelet op verdubbeling van salaris bij nieuwe werkgever en stukken waaruit volgt dat werknemer het niet zo nauw lijkt te nemen met concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. Voorlopig oordeel dat nieuwe werkgever, concurrent

van oude werkgever, onrechtmatig handelt door stelselmatig werknemers van concurrent te benaderen en in dienst te nemen, waaronder werknemers op sleutelposities zodat nieuwe werkgever raamwerk voor haar (nieuwe) organisatie kan neerzetten. Tevens aannemelijk dat nieuwe werkgever toelaat dat in ieder geval 1 ex-werknemer van oude werkgever zijn relatiebeding veelvuldig overtreedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/556626 / KG ZA 18-908

Vonnis in kort geding van 25 september 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAYBOLT NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaten mr. M. Rodríguez Escudero en mr. P. van Herk te Leiden,

tegen

1 [Gedaagde 1] ,

wonende te De Kwakel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMSPEC B.V.,

gevestigd te Rozenburg,

gedaagden in conventie,

[Gedaagde 1] tevens eiser in reconventie,

advocaten mr. J.J. Margry en mr. S. Tanouyat te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Saybolt, [Gedaagde 1] en Amspec genoemd worden. [Gedaagde 1] en Amspec worden hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 27 augustus 2018, met producties 1 t/m 44;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie van [Gedaagde 1] , met producties 1 t/m 44;

  • -

    de wijziging van eis van Saybolt, met aanvullende producties 45 t/m 81;

  • -

    de aanvullende producties 45 t/m 48b van [gedaagden] ;

  • -

    de aanvullende producties 82 t/m 87 van Saybolt;

  • -

    de mondelinge behandeling op 7 september 2018;

  • -

    de pleitnota van Saybolt;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Saybolt is onderdeel van de Core Laboratories-groep (hierna: de CL-groep). De CL-groep is actief op het gebied van laboratoriumanalyses en inspecties van vloeistoffen en grondstoffen in de petroleum- en biofuel gerelateerde industrie en in de markt van vloeibare oliën en vetten. De CL-groep heeft wereldwijd vestigingen en laboratoria.

De tophoudstervennootschap van de CL-groep is Core Laboratories Inc. (hierna: Core Lab).

Saybolt is gespecialiseerd in kwaliteitsanalyses van olieproducten, (bio)brandstoffen, chemicaliën en gassen en het uitvoeren van inspecties om hoeveelheden vast te stellen en de kwaliteit gedurende transport te waarborgen. Bij Saybolt zijn ongeveer 350 personen werkzaam.

2.2.

Amspec is onderdeel van de Amspec-groep. De Amspec-groep richt zich op de inspectie, analyse, meting en testing binnen de petroleum-, chemie- en gasindustrie. De Amspec-groep heeft wereldwijd vestigingen en laboratoria.

2.3.

Saybolt en Amspec zijn concurrenten van elkaar.

2.4.

[Gedaagde 1] , geboren op 24 april 1967, is op 8 januari 2001 in dienst getreden bij Saybolt. Laatstelijk bekleedde hij de functie van Senior Accountmanager / Blending

Co-ordinator, tegen een salaris van € 4.947,48 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

2.5.

In de op 9 juni 2008 door partijen ondertekende (laatste en geactualiseerde versie van de) arbeidsovereenkomst van [Gedaagde 1] is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

art.4. Geheimhouding

art.4.1 Werknemer erkent door ondertekening van deze arbeidsovereenkomst, dat hem door werkgever geheimhouding is opgelegd van alle bijzonderheden betreffende of verband houdende met het bedrijf van werkgever en diens (potentiële) klanten en andere relaties, alsmede die van de aan werkgever gelieerde ondernemingen.

art.4.2 Het is de werknemer verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging hiervan, op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm dan ook en in welker voege ook, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheden de onderneming van werkgever of de aan hem gelieerde ondernemingen betreffende of daarmede verband houdende, dan wel over de daar werkzame personen, dan wel over de (potentiële) relaties van werkgever en/of over die van de aan werkgever gelieerde ondernemingen, een en ander op straffe van verbeurte aan werkgever van een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete ad € 2.500,-- voor iedere overtreding en € 125,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt, onverminderd de bevoegdheid van werkgever in plaats van deze boete volledige schadevergoeding te vorderen. Betaling van de boete ontslaat werknemer niet van de in de artikelen 4.1 en 4.2 genoemde verplichtingen. Partijen maken gebruik van de mogelijkheid van art. 7:650 lid 3 BW af te wijken en komen overeen dat voornoemde boete geheel ten goede zal komen aan werkgever.

(…)

Art.5. Nevenactiviteiten

Art.5.1 Werknemer verbindt zich gedurende de loop der dienstbetrekking voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam te zullen zijn, noch direct, noch indirect, en zich te zullen onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening, tenzij overeenstemming is bereikt met werkgever, een en ander op straffe van (…)

Art. 6. Concurrentiebeding/relatiebeding

Art. 6.1 Werknemer verbindt zich om zowel tijdens de overeenkomst als gedurende de periode van 1 (één) jaar na beëindiging daarvan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever binnen Nederland en de landen waarnaar of waarin werkgever en/of met werkgever gelieerde ondernemingen tijdens de arbeidsovereenkomst diensten verlenen, noch voor zichzelf noch voor anderen, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn, direct of indirect, in of bij enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk aan of anderszins concurrerend met dat van werkgever of de aan haar gelieerde ondernemingen, noch daarbij haar bemiddeling, in welke vorm dan ook, al dan niet tegen een betaling direct of indirect te verlenen.

art.6.2 Het is werknemer verboden gedurende de arbeidsovereenkomst alsmede gedurende één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever, op enigerlei wijze, direct of indirect, zakelijke contacten in de ruimste zin des woords te onderhouden met (potentiële) relaties van werkgever of die van de aan werkgever geleerde ondernemingen, ook indien het initiatief tot dit zakelijke contact uitgaat van deze klanten en relaties.

Potentiële relaties zijn in ieder geval, maar niet uitsluitend de relaties waarmee werkgever dan wel de aan werkgever gelieerde ondernemingen en/of werknemer gedurende het laatste jaar voorafgaand aan het einde van de overeenkomst op enigerlei wijze zakelijke contact heeft gehad, hetzij door middel van een prijsopgave of offerte, hetzij door middel van ander soort contact.

art. 6.3 Indien werknemer in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in lid 1 en lid 2 van dit artikel handelt, zal hij aan werkgever zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, voor iedere overtreding een boete verbeuren ten bedrage van € 5.000,-- alsmede een boete ten bedrage van € 250,-- voor elke dag of een gedeelte van een dag dat de overtreding na mededeling van de ontdekking daarvan door werkgever voortduurt, onverminderd de bevoegdheid van werkgever in plaats van deze boete volledige schadevergoeding te vorderen. Betaling van de boete ontslaat de werknemer niet van de in art. 6.1 en 6.2 genoemde verplichtingen. Partijen maken gebruik van de mogelijkheid van art. 7: 650 lid 3 BW af te wijken en komen overeen dat voornoemde boete geheel ten goede zal komen aan werkgever.

art. 6.4 Onder “gelieerde ondernemingen” in de zin van dit artikel wordt verstaan: de ondernemingen die behoren tot dezelfde groep als werkgever en de ondernemingen

waarin werkgever een financieel of ander belang heeft, de dochter- en

moederonderneming(en) van werkgever de ander uitdrukkelijk begrepen.

(…)”

2.6.

Op 12 juni 2018 heeft [Gedaagde 1] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Amspec ondertekend, op grond waarvan hij op 1 oktober 2018 in dienst treedt bij Amspec.

2.7.

Op 23 juli 2018 heeft [Gedaagde 1] met Amspec een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, op grond waarvan [Gedaagde 1] , met ingang van 1 oktober 2019 dan wel zo veel eerder als het non-concurrentiebeding van Saybolt buiten werking wordt gesteld, in dienst treedt bij Amspec in de functie van Senior Quality Accountmanager.

Het overeengekomen salaris bedraagt € 110.000,- bruto per jaar inclusief vakantiebijslag en exclusief overige emolumenten, waaronder een mogelijke bonus van maximaal 15% van het bruto jaarsalaris. Deze arbeidsovereenkomst bevat in artikel 13 een non-concurrentiebeding waarvan het eerste gedeelte als volgt luidt:

“Het is de Werknemer verboden om, zowel gedurende het bestaan van de Overeenkomst alsook gedurende een periode van een jaar nadat de Overeenkomst om welke reden dan ook zal zijn geëindigd, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Werkgever, direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, op enigerlei wijze werkzaam of betrokken te zijn in of bij of enig aandeel te hebben in enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk aan of anderszins concurrerend met dat van de Werkgever of met dat van een aan de Werkgever gelieerde onderneming, of daarbij haar bemiddeling, direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, op enigerlei wijze te verlenen. …”.

2.8.

Bij brief van 23 juli 2018 heeft [Gedaagde 1] aan Saybolt meegedeeld dat hij de arbeidsovereenkomst met Saybolt wenst te beëindigen per 1 oktober 2018, omdat hij een nieuwe baan heeft gevonden.

2.9.

Saybolt heeft [Gedaagde 1] zowel mondeling als, onder meer, bij brief van 26 juli 2018 laten weten hem te zullen houden aan het non-concurrentiebeding en overige bedingen in zijn arbeidsovereenkomst.

2.10.

Bij brief van 26 juli 2018 heeft Saybolt Amspec meegedeeld dat [Gedaagde 1] is gebonden aan een concurrentiebeding. Zij heeft Amspec gesommeerd om [Gedaagde 1] niet in dienst te nemen en op geen enkele wijze te werk te stellen gedurende de duur van het concurrentiebeding.

2.11.

Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft [Gedaagde 1] zijn collega’s van Saybolt op de hoogte gesteld van zijn vertrek. Daarbij heeft hij hen medegededeeld dat hij officieel tot

30 september 2018 nog in dienst is bij Saybolt en dat hij per 1 oktober 2018 zal beginnen bij zijn nieuwe werkgever.

2.12.

Bij brief van 30 juli 2018 aan Saybolt heeft [Gedaagde 1] meegedeeld dat hij in dienst wenst te treden bij Amspec en is Saybolt verzocht het non-concurrentiebeding per de beëindigingsdatum (van de arbeidsovereenkomst bij Sabyolt, toevoeging voorzieningenrechter) buiten werking te stellen. Saybolt heeft dat geweigerd.

2.13.

Bij brief van 1 augustus 2018 heeft Amspec aan Saybolt geschreven dat Amspec werknemers van Saybolt, onder wie dus ook [Gedaagde 1] , niet in dienst neemt zolang zij gebonden zijn aan een concurrentiebeding.

2.14.

Bij brief van 9 augustus 2018 aan Saybolt heeft [Gedaagde 1] meegedeeld dat hij genoodzaakt is om een advocaat in te schakelen om in rechte te vorderen dat het concurrentiebeding buiten werking wordt gesteld.

2.15.

Bij e-mail van 24 augustus 2018 heeft [Gedaagde 1] verschillende klanten van Saybolt op de hoogte gesteld van zijn vertrek. In die mail is het volgende vermeld:

“With this writing I want to announce, that today is my last working day at Saybolt.

I have found a new challenge for my career, as where I will start at the first of October (if all going well).

I felt proud and honoured working for (…) at Saybolt. Hopefully will speak each other soon again.

As soon as I have my new telephone number and e-mail address, I will pass this on to you.”

2.16.

[persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) is van 1 maart 2012 tot 1 december 2017 in dienst van Saybolt geweest. In zijn arbeidsovereenkomst met Saybolt waren dezelfde bedingen opgenomen als in die tussen [Gedaagde 1] en Saybolt.

2.17.

[persoon 1] heeft een arbeidsovereenkomst gesloten met Amspec die ingaat met ingang van 1 december 2018. Omdat hij eerder in dienst wil(de) treden heeft hij op

27 november 2017 een kort geding aanhangig gemaakt tegen Saybolt. In die procedure vorderde hij volledige schorsing van het concurrentiebeding totdat in een bodemprocedure over vernietiging van dat beding is beslist. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter in deze rechtbank van 13 december 2017 is het concurrentiebeding van [persoon 1] geschorst per 1 mei 2018.

2.18.

[persoon 1] heeft in april 2018 op social media een link naar vacatures bij Amspec geplaatst. Naar aanleiding daarvan heeft hij, met een onbekend gebleven persoon, eveneens op social media de volgende conversatie gevoerd:

“onbekende persoon: wist niet dat jij voor 1 mei al aan de slag was joh

[persoon 1] : Ik dacht dat dit een raadsel was

onbekende persoon: [persoon 2] kwam vandaag ook al recruiten, met hoeveel man willen jullie een boot gaan doen joh

[persoon 1] : het liefst 100 en allemaal van “een bekend bedrijf in de Botlek”

…”

De voorzieningenrechter begrijpt dat de hier genoemde [persoon 2] , [persoon 2] is, voormalig werknemer van Saybolt, thans werkzaam bij Amspec.

2.19.

[persoon 1] heeft op 19 en 20 augustus 2018 vanuit zijn functie bij Amspec per e-mail contact gehad met [persoon 3] van Lukoil. Toen [persoon 1] nog bij Sabolt werkte had hij, zo blijkt uit een e-mail van 23 oktober 2017, (ook) contact met [persoon 3] van Lukoil.

2.20.

Op 13 juni 2018, 9 juli 2018, 10 juli 2018, 24 juli 2018, 26 juli 2018 en 31 juli 2018 heeft [persoon 1] per e-mail contact gehad met Totsa, welk bedrijf (ook) klant is van Saybolt.

2.21.

Bij dagvaarding van 24 juli 2018 heeft Saybolt een kort geding aanhangig gemaakt jegens [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ) en Amspec. In die zaak met zaaknummer C/10/555181 / KG ZA 18-822 heeft Saybolt in conventie kort gezegd gevorderd [persoon 4] te veroordelen tot nakoming van zijn concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding en Amspec te verbieden [persoon 4] en andere (ex-)werknemers van Saybolt ertoe te bewegen in strijd te handelen met hun concurrentie-, relatie- en/of geheimhoudingsbeding.

In reconventie heeft [persoon 4] kort gezegd gevorderd zijn concurrentie- en/of relatiebeding te schorsen of te matigen. Ook in die zaak zal op 25 september 2018 vonnis worden gewezen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Na wijziging van eis vordert Saybolt bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

jegens [Gedaagde 1]

I. [Gedaagde 1] te veroordelen om zich gedurende 1 jaar na 1 oktober 2018, aldus tot 1 oktober 2019, te onthouden van het aangaan van en/of uitvoering geven aan een arbeidsovereenkomst met Amspec en/of aan haar gelieerde ondernemingen, althans zich te onthouden van het direct of indirect verrichten van werkzaamheden in welke zin dan ook voor of in opdracht van Amspec en/of de aan haar gelieerde ondernemingen, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde 1] na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

II. [Gedaagde 1] te veroordelen tot onverkorte nakoming van het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde 1] na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

III. [Gedaagde 1] te veroordelen tot onverkorte nakoming van het relatiebeding zoals opgenomen in artikel 6.2 van de arbeidsovereenkomst, voor zover dit betrekking heeft op klanten en overige relaties van eiseres, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde 1] na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

IV. [Gedaagde 1] te veroordelen tot onverkorte nakoming van het geheimhoudingsbeding zoals opgenomen in artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde 1] na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

V. [Gedaagde 1] te veroordelen binnen 48 uur na de dag van betekening van het vonnis over te gaan tot afgifte aan Saybolt van alle klantgegevens en financiële klantgegevens van Saybolt, evenals alle overige bedrijfsinformatie van Saybolt, die hij nog in zijn bezit heeft, zowel in schriftelijke als in digitale vorm, en deze te verwijderen van zijn privé computer/laptop en overige digitale gegevensdragers, alsmede hem te verbieden deze bestanden en informatie op welke wijze dan ook met derden te delen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde 1] na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

VI. [Gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan Saybolt van een bedrag van € 35.000,-, binnen 5 dagen na de dag van betekening van het vonnis, ter zake van een voorschot op reeds door hem verbeurde boetes wegens schending van zijn contractuele concurrentiebeding, relatiebeding en/of nevenwerkzaamheden beding;

jegens Amspec

VII. Amspec te veroordelen om zich gedurende 1 jaar na 1 oktober 2018, aldus tot 1 oktober 2019, te onthouden van het aangaan van en/of uitvoering geven aan een arbeidsovereenkomst met [Gedaagde 1] , althans zich te onthouden van het door [Gedaagde 1] direct of indirect laten verrichten van werkzaamheden in welke zin dan ook voor of in opdracht van Amspec en/of aan haar gelieerde ondernemingen, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

VIII. Amspec te verbieden gedurende 1 jaar na 1 oktober 2018, aldus tot 1 oktober 2019, [Gedaagde 1] namens en/of voor haar, direct of indirect, voor zichzelf of voor derden, zaken te laten doen of zakelijke contacten te laten onderhouden met klanten van Saybolt, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

IX. Amspec te verbieden gedurende enig moment [Gedaagde 1] , direct of indirect, voor zichzelf of voor derden, op enigerlei wijze aan Amspec en/of aan haar gelieerde ondernemingen, en/of aan derden, in welke vorm dan ook, enige mededeling te laten doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot, of verband houdende met Saybolt en/of met de aan haar gelieerde ondernemingen, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

X. Amspec te verbieden om:

primair:

werknemers van Saybolt binnen 1 jaar na hun uitdiensttreding bij Saybolt bij haar en/of een aan haar gelieerde onderneming in dienst te laten treden en/of direct dan wel indirect voor hen werkzaamheden in welke zin dan ook te laten verrichten, noch binnen 1 jaar na de dag van betekening van het vonnis werknemers van Saybolt daartoe direct of indirect te benaderen;

subsidiair:

werknemers van Saybolt die gebonden zijn aan een concurrentiebeding, en werknemers van Saybolt werkzaam in de functie van Inspector, Shift Leader en/of (Chemisch) Analyst, binnen 1 jaar na hun uitdiensttreding bij Saybolt, bij haar en/of een aan haar gelieerde onderneming in dienst te laten treden en/of direct dan wel indirect voor hen werkzaamheden in welke zin dan ook te laten verrichten, noch binnen één (1) jaar na de dag van betekening van het vonnis voornoemde werknemers van Saybolt daartoe direct of indirect te benaderen;

meer subsidiair:

werknemers van Saybolt die gebonden zijn aan een concurrentiebeding, binnen 1 jaar na hun uitdiensttreding bij Saybolt, bij haar en/of een aan haar gelieerde onderneming in dienst te laten treden en/of direct dan wel indirect voor hen werkzaamheden in welke zin dan ook te laten verrichten, noch binnen 1 jaar na de dag van betekening van het vonnis voornoemde werknemers van Saybolt daartoe direct of indirect te benaderen;

primair, subsidiair en meer subsidiar:

op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

XI. Amspec te verbieden [persoon 1] en/of andere ex-werknemers van Saybolt die gebonden zijn aan een relatiebeding – direct of indirect – zakelijke contacten te laten onderhouden met klanten en/of relaties van Saybolt voor de duur van 12 maanden na hun uitdiensttreding bij Saybolt, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het te dezen te wijzen vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

XII. Amspec te verbieden werknemers en ex-werknemers van Saybolt mededelingen te laten doen aan Amspec en/of aan haar gelieerde ondernemingen aangaande bijzonderheden verband houdend met Saybolt en/of aan haar gelieerde ondernemingen, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

XIII. Amspec te veroordelen tot afgifte aan Saybolt, binnen 4 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, van een lijst van klanten en relaties van Saybolt waarmee [persoon 1] namens Amspec en/of de aan haar gelieerde ondernemingen zakelijke contacten, in welke zin dan ook, heeft onderhouden, ongeacht van wie dit contact is uitgegaan, onder vermelding per klant/relatie van contactpersonen en data waarop dat zakelijke contact heeft plaats gevonden, op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

XIV. Amspec te gebieden te voorkomen dat werknemers van Amspec en/of aan haar gelieerde ondernemingen werkzaam in Nederland binnen 24 maanden na de dag van betekening van het te wijzen vonnis op enigerlei wijze schade toebrengen aan de goede naam en reputatie van Saybolt en/of aan haar gelieerde ondernemingen en/of zich negatief uitlaten jegens of over Saybolt en/of aan haar gelieerde ondernemingen, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding en een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Amspec na de dag van betekening van het vonnis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in redelijkheid juist acht;

jegens [Gedaagde 1] en Amspec

XV. [Gedaagde 1] en Amspec hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, een bedrag aan salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, te vermeerderen met de nakosten ter hoogte van € 131,-, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[Gedaagde 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

met onmiddellijke ingang het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 6.1 en 6.2 van de arbeidsovereenkomst te schorsen dan wel te matigen tot nihil, of tot zoveel maanden als de voorzieningenrechter geraden acht, totdat in de bodemprocedure op grond van artikel 7:653 lid 3 sub b BW is beslist dat het non-concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk dient te worden vernietigd, waarbij een vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW wordt toegekend voor de duur dat deze artikelen van toepassing blijven indien het non-concurrentiebeding in artikel 6.1 en artikel 6.2 van de arbeidsovereenkomst wordt gematigd;

subsidiair

een (de voorzieningenrechter begrijpt dat bedoeld is: “aan hem te betalen”) vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW (de voorzieningenrechter begrijpt dat bedoeld is: “te bepalen”) voor de duur van het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 6.1 en artikel 6.2 van de arbeidsovereenkomst of tot het moment dat daartoe een beslissing door de bodemrechter is gegeven;

primair en subsidiair

Saybolt te veroordelen tot betaling aan [gedaagden] Amspec:

( a) de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd;

( b) een zodanig bedrag ter zake van buitengerechtelijke kosten als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd; en

( c) aan nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv een bedrag van € 246,- zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 82,- in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.

4.2.

Saybolt voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in reconventie

5.1.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding eerst de vorderingen in reconventie te beoordelen.

5.2.

Het spoedeisend belang van [Gedaagde 1] vloeit voort uit de aard van de zaak en is niet betwist door Saybolt.

5.3.

Primair vordert [Gedaagde 1] het concurrentie- en relatiebeding in artikel 6.1 respectievelijk 6.2 van zijn arbeidsovereenkomst met Saybolt te schorsen of te matigen tot nihil.

Naar Saybolt terecht aanvoert, verdraagt de gevorderde matiging van de bedingen zich

– vanwege het constitutieve karakter daarvan – niet met het voorlopige karakter van een kort geding, zodat dit deel van de vordering voor afwijzing gereed ligt.

Saybolt voert eveneens terecht aan dat [Gedaagde 1] zijn vordering tot schorsing van het relatiebeding niet heeft onderbouwd. Die vordering staat in het petitum, maar in het daaraan voorafgaande deel van de conclusie van eis in reconventie wordt geen woord gewijd aan het relatiebeding. Ook dit deel van de vordering ligt daarom voor afwijzing gereed.

5.4.

Ten aanzien van de gevorderde schorsing van het concurrentiebeding geldt het volgende. Vooropgesteld wordt dat de arbeidsovereenkomst tussen Saybolt en [Gedaagde 1] vóór 1 januari 2015 tot stand is gekomen. Op grond van de overgangsbepaling XXIIc van de Wet Werk en Zekerheid is artikel 7:653 (oud) BW van toepassing zoals dat vóór 1 januari 2015 luidde. Beoordeeld moet worden of de bodemrechter het concurrentiebeding conform artikel 7:653 lid 2 BW (oud) geheel of gedeeltelijk zal vernietigen op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Daarom dient op basis van alle relevante omstandigheden van het geval een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van [Gedaagde 1] bij schorsing van het beding en de belangen van Saybolt bij onverkorte handhaving daarvan.

5.5.

De voorzieningenrechter begrijpt dat bij Saybolt en Amspec sprake is van twee soorten accountmanagers, de Accountmanager (for) Quantity en de Accountmanager (for) Quality. De Accountmanagers Quantity, zoals [persoon 1] , houden zich bezig met de kwantitatieve controles bij de klant en vervullen een meer commerciële rol. De Accountmanagers Quality, zoals [Gedaagde 1] , houden zich bezig met de kwalitatieve controles bij de klant en vervullen een meer technisch-inhoudelijke rol. In de functieomschrijving van [Gedaagde 1] is vermeld dat de technische werkzaamheden van een Senior Account Manager / Blending Co-ordinator onder meer bestaan uit het onderhouden van contacten met cliënten, het accepteren van opdrachten van cliënten, de verzorging van de communicatie met de cliënten gedurende en na afloop van de opdracht en het geven van facturatie-adviezen aan de facturist. De werkzaamheden van [Gedaagde 1] bestaan voornamelijk uit het onderzoeken, inspecteren en testen van de kwaliteit van stookolieproducten en het informeren en adviseren van klanten over de kwaliteit en technische specificaties van stookolieproducten, waaronder het blenden van stookolieproducten. Ook geeft hij cursussen aan klanten van Saybolt. Hoewel zijn functie bij Saybolt geen zuiver commerciële functie is, neemt dat niet weg dat [Gedaagde 1] door zijn adviserende rol intensief klantencontact heeft. Saybolt heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat, hoewel deze klanten bij die advisering hun correspondentie richten aan alle accountmanagers van Saybolt, [Gedaagde 1] degene is die voornamelijk de contacten onderhoudt, zodat wel degelijk sprake is van een persoonlijke band tussen [Gedaagde 1] en de klanten die hij bedient. Dit blijkt ook uit de e-mails van klanten in reactie op het afscheidsbericht van [Gedaagde 1] van 24 augustus 2018 (productie 62 van Saybolt). Zo zegt [persoon 5] van BP: “It was a real pleasure getting to know you and working with you. Your help and advice will be missed. Please send us your contact details, perhaps we will meet again/speak sometime soon!” [persoon 6] van Trafigura reageert met: “I have personally enjoyed working with you. I wish you the very best and hope you keep shining in your career as always. Please keep in touch.” En [persoon 7] van VTTI/Vitol meldt: “Hi [persoon 8] , wat gebeurt er nou!!! Voor zover ik me kan herinneren al eeuwenlang het kwaliteitscontact waarbij ik altijd wel terecht kon voor advies.” Veel van de relaties geven aan dat zij graag in contact willen blijven met [Gedaagde 1] . Doordat [Gedaagde 1] bovendien op langere termijn dezelfde klanten heeft bediend (in het bijzonder BP, Irving en Trafigura), is aannemelijk te achten dat hij beschikt over zeer specifieke details over de wensen en de bijzonderheden van die klanten aangaande het blendproces. De kans is daarmee reëel dat deze klanten [Gedaagde 1] zullen volgen, wanneer hij direct zal overstappen naar Amspec.

Dat de werkzaamheden van [Gedaagde 1] van belang zijn voor het behoud van klantenbinding, wordt tevens ondersteund door het feit dat Amspec bereid is om bijna twee keer zoveel salaris te betalen aan [Gedaagde 1] én dat zij bereid is om, als dat moet, een jaar te wachten om hem in dienst te nemen. De stelling van Amspec dat [Gedaagde 1] alleen maar uitvoerende werkzaamheden heeft verricht, is daarmee ongeloofwaardig althans in het licht van de klantcontacten en wensen van de klanten irrelevant.

Aan de stelling van Amspec dat werknemers – Amspec stelt overigens niet dat dit werknemers op sleutelposities betreft – voortdurend switchen tussen de 4 grote laboratorium- en inspectiebedrijven gaat de voorzieningenrechter voorbij. Amspec heeft ter onderbouwing van haar stelling dikke pakken papier overgelegd zonder enige verwijzing en het behoort niet tot de taak van de rechter om daarin te gaan zoeken naar een onderbouwing van de stelling. Daar komt bij dat ten aanzien van [Gedaagde 1] en anderen waarvan in dit geding stukken zijn overgelegd, geldt dat (ten aanzien van enkelen van hen) nou juist sprake is van een (zeer) langdurig dienstverband. En voor zover Amspec ter zitting bedoeld heeft te stellen – de voorzieningenrechter heeft dat zo opgevat – dat de salarissen bij Saybolt niet (helemaal) marktconform zijn, wordt dat door die langdurige dienstverbanden ontkracht.

5.6.

Saybolt heeft stukken overgelegd, waaruit kan worden geconcludeerd dat [Gedaagde 1] het niet zo nauw neemt met zijn concurrentie-, relatie en geheimhoudingsbeding. Na zijn afscheidsbericht van 24 augustus 2018 heeft hij, in reactie op de berichten van verschillende klanten, aan meerdere contactpersonen meegedeeld dat hij zijn nieuwe contactgegevens zal doorsturen. Zo heeft hij aan [persoon 9] van VTTI/Vitol meegedeeld: “Zodra ik mijn nieuwe contact gegevens heb, stuur ik jullie deze door en jullie kunnen me dan blijven aanspreken voor advies ;-)”. Daarnaast is gebleken dat [Gedaagde 1] op 30 juli 2018 in zijn persoonlijke user-folder in het digitale computersysteem van Saybolt een folder genaamd “client contacts” heeft verwijderd. De verwijderde folder bevatte 2 bestanden, een Word-bestand genaamd “Client Contacts” en een Excel-bestand genaamd “Clients in Amsterdam”. [Gedaagde 1] heeft deze bestanden aangemaakt op 10 juni 2018 respectievelijk 28 juni 2018 en deze op 28 juni 2018 voor het laatst bewerkt en verwijderd. Vanwege de vertrouwelijkheid van de informatie is de inhoud van de bestanden niet overgelegd. Wel heeft Saybolt de inhoud ervan ter zitting getoond aan de voorzieningenrechter en de wederpartijen. De voorzieningenrechter stelt aan de hand daarvan vast dat het Word-bestand een overzicht bevat van bedrijfsgegevens, waaronder de bedrijfsnamen, contactgegevens (met soms een functienaam), telefoonnummers, e-mailadressen en bij sommige bedrijven gegevens over invoice en demurrage claims. Het Excel-bestand bevat een overzicht met omzet- en factuurgegevens. Er zijn kolommen met invoice number, location, job type, customer, total amount in euros, object en data. Anders dan [Gedaagde 1] meent, zijn deze gegevens niet openbaar te vinden op internet en zijn de gegevens wel degelijk aan te merken als bedrijfsgevoelige informatie. [Gedaagde 1] heeft geen verklaring gegeven waarom hij die bestanden heeft aangemaakt en de toedracht waaronder die bestanden zijn verwijderd, blijft onduidelijk. Dat hij die gegevens nodig had voor zijn werkzaamheden voor Saybolt, is niet gesteld. Weliswaar kan niet worden vastgesteld dat [Gedaagde 1] deze bestanden heeft meegenomen of in privé nog in zijn bezit heeft, wel roept deze handelwijze op zijn minst vragen op. Dat, in combinatie met de voormelde afscheidsberichten van [Gedaagde 1] aan verschillende klanten van Saybolt en zijn reactie daarop, leidt tot de conclusie dat de vrees van Saybolt dat [Gedaagde 1] in strijd zal gaan handelen met zijn concurrentie, relatie- en/of geheimhoudingsbeding niet geheel ten onrechte is.

5.7.

Duidelijk is derhalve dat Saybolt een wezenlijk belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding.

5.8.

Het standpunt van [Gedaagde 1] dat het concurrentiebeding, voor wat betreft de geografische- en marktreikwijdte, te ruim is geformuleerd, wordt niet gevolgd. Daarbij wordt als eerste opgemerkt dat Amspec, blijkens de arbeidsovereenkomst tussen Amspec en [Gedaagde 1] , een in grote lijnen gelijkluidend concurrentiebeding hanteert. Voorts is niet in geschil dat de laboratorium- en inspectiebedrijven binnen de petroleum-, chemie- en gasindustrie over het algemeen grote spelers zijn die wereldwijd opereren. Het aantal spelers op de markt, waaronder Saybolt en Amspec, is zeer klein. Een wereldwijd verbod is, ook in aanmerking nemende dat [Gedaagde 1] graag in het buitenland wil(de) weren, daarmee te rechtvaardigen, voor zover het de naleving van het concurrentiebeding betreft. Ook de vrees van [Gedaagde 1] dat het concurrentiebeding zich tevens uitstrekt tot de aandeelhouders van Core Laboratories Inc. wordt niet gevolgd. Uit artikel 6.4 van de arbeidsovereenkomst kan niet worden afgeleid dat die aandeelhouders vallen onder de werking van het concurrentiebeding en dat is overigens ook bevestigd door Saybolt.

5.9.

Van belang is verder dat [Gedaagde 1] zelf zijn dienstverband met Saybolt wenst te beëindigen met het specifieke doel om aansluitend in dienst te treden bij Amspec, terwijl hij wist dat reeds meerdere werknemers van Saybolt de overstap naar Amspec hadden gemaakt en dat Saybolt die werknemers steevast hield aan hun concurrentie, relatie- en geheimhoudingsbeding. Voordat [Gedaagde 1] zijn dienstverband opzegde, had Saybolt hem al meerdere keren gewezen op de werking van die bedingen en wist hij dus wat de consequenties zouden zijn.

5.10.

Het evidente belang van [Gedaagde 1] is niet te worden beperkt in zijn recht op vrije arbeidskeuze.

5.11.

[Gedaagde 1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wezenlijke positieverbetering bij Amspec.

Ten eerste wordt gewezen op het substantieel hogere loon dat hij bij Amspec zal verdienen.

Aan het standpunt van Saybolt dat het in de arbeidsovereenkomst vermelde loon kunstmatig is opgeklopt ten behoeve van de(ze) procedure, wordt voorbijgegaan. De arbeids-overeenkomst van 23 juli 2018 is ondertekend door [Gedaagde 1] en Amspec, zodat wordt uitgegaan van hun gebondenheid daaraan.

Daarnaast heeft [Gedaagde 1] gemotiveerd aangevoerd dat hij bij Amspec meer doorgroeimogelijkheden heeft. Hij heeft de gelegenheid om een nieuwe vestiging van de grond af aan op te bouwen. Duidelijk is dat Amspec haar positie binnen Europa wenst uit te breiden en dat de rol die zij daarbij aan [Gedaagde 1] toedicht in lijn is met de ambities van [Gedaagde 1] . Dat terwijl hij bij Saybolt weinig doorgroeimogelijkheden heeft gehad. In 2015 heeft [Gedaagde 1] binnen Saybolt aangegeven dat hij wenste door te groeien als technisch expert op het gebied van blending en dat hij daarvoor bereid was om zich te vestigen in het buitenland. In lijn daarmee heeft hij gesolliciteerd naar een positie binnen Saybolt in Amerika. Voor die functie is hij om onduidelijke redenen afgewezen. Ten aanzien van de titel van Blending Co-ordinator die in 2016 aan zijn functiebenaming is toegevoegd, heeft [Gedaagde 1] gemotiveerd aangevoerd dat de titel feitelijk geen wezenlijke functieverandering met zich bracht. Terecht stelt hij dat uit producties 66 en 67 van Saybolt juist blijkt dat de functiewijziging een papieren promotie betrof om [Gedaagde 1] te behouden door middel van een loonsverhoging. Afgezien van die loonsverhoging van € 300,- per maand in januari 2016 – die deels een sigaar uit eigen doos blijkt, omdat [Gedaagde 1] vervolgens niet heeft geprofiteerd van de jaarlijkse loonsverhoging in april – waren de overige verhogingen kennelijk gerelateerd aan de indexatie. Dat Saybolt substantiële kosten heeft moeten maken voor de ontwikkeling van [Gedaagde 1] , is niet onderbouwd. Veeleer was sprake van ‘training on the job’.

5.12.

Ten slotte wordt in aanmerking genomen dat Saybolt wel stelt dat BP, Irving en Trafigura belangrijke klanten zijn, maar dat verder niet onderbouwt. Zo is onduidelijk hoeveel deze klanten bijdragen aan haar omzet en of het gaat om exclusieve klanten. Ook wordt niets gesteld over de wijze waarop kwaliteits- en kwantiteitsopdrachten in de branche van Saybolt en Amspec in de markt worden gezet.

5.13.

De voormelde belangen van Saybolt enerzijds en [Gedaagde 1] anderzijds afwegend, acht de voorzieningenrechter het waarschijnlijk dat de bodemrechter het concurrentiebeding niet zal vernietigen, ook niet gedeeltelijk. Van doorslaggevende betekenis wordt daarbij gehecht aan de gedragingen van [Gedaagde 1] zoals omschreven in 5.6. De primaire vordering wordt dan ook integraal afgewezen.

5.14.

Ook de subsidiaire vordering ligt voor afwijzing gereed. Er is geen reden om aan [Gedaagde 1] een vergoeding in de zin van artikel 7:653 lid 4 BW (oud) toe te kennen. [Gedaagde 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beding hem in belangrijke mate belemmert om (al dan niet tijdelijk) anders dan in dienst van Saybolt werkzaam te zijn. Hij stelt ook niet dat hij getracht heeft elders aan het werk te komen.

5.15.

[Gedaagde 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Saybolt worden begroot op € 490,- (factor 0,5 x tarief € 980,-) aan salaris advocaat.

6 De beoordeling in conventie

6.1.

[gedaagden] betwist dat Saybolt een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. [gedaagden] heeft steeds aangegeven dat [Gedaagde 1] zich zal houden aan het concurrentie- en relatiebeding. Dit blijkt ook uit de gesloten arbeidsovereenkomst die ingaat per 1 oktober 2019. Dit verweer wordt niet gevolgd. Blijkens de eerste arbeidsovereenkomst tussen [Gedaagde 1] en Amspec van 12 juni 2018 en de afscheidsmail van [Gedaagde 1] gericht aan zijn collega’s en klanten van Saybolt (zie 2.11. en 2.15.) – ondanks dat er toen al een nieuwe arbeidsovereenkomst lag met een aangepast aanvangstermijn – was het van aanvang af de bedoeling dat [Gedaagde 1] met ingang van 1 oktober 2018 aan het werk zou gaan bij Amspec. Ondanks zijn mededeling dat hij de bedingen zal respecteren, is die wens er nog steeds, getuige de eis in reconventie. Dat is voldoende om een spoedeisend belang van Saybolt bij haar vorderingen aan te nemen.

Vorderingen I. t/m VI. ten aanzien van [Gedaagde 1]

6.2.

Niet in geschil is dat [Gedaagde 1] gebonden is aan het met Saybolt overeengekomen concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. Zoals reeds overwogen in reconventie, is er ook geen aanleiding om het concurrentie- en relatiebeding te schorsen. [Gedaagde 1] wordt daarom veroordeeld tot onverkorte nakoming van het concurrentie, relatie- en geheimhoudingsbeding, derhalve tot 1 oktober 2019. Vorderingen II., III. en IV. liggen daarmee voor toewijzing gereed. In de nakoming van het concurrentiebeding ligt besloten dat [Gedaagde 1] geen arbeidsovereenkomst mag aangaan of anderszins werkzaamheden mag verrichten voor Amspec en/of aan haar gelieerde ondernemingen. Een aparte veroordeling daartoe is dan ook overbodig, zodat vordering I. wordt afgewezen.

6.3.

In de arbeidsovereenkomst tussen [Gedaagde 1] en Saybolt zijn in artikel 4.2 en 6.3 boetes gesteld op overtreding van de bedingen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden die hoger is dan de overeengekomen boete. Tevens zullen de dwangsommen worden gemaximeerd.

6.4.

Vordering V. houdt in dat [Gedaagde 1] alle klantgegevens en bedrijfsinformatie van Saybolt die hij nog in zijn bezit heeft, afgeeft aan Saybolt en dat hij die gegevens, zowel in schriftelijke als in digitale vorm verwijdert. [Gedaagde 1] heeft betwist bedrijfsvertrouwelijke gegevens mee te hebben genomen of in zijn bezit te hebben. Zoals onder 5.6. reeds overwogen kan met de voorliggende stukken niet worden vastgesteld dat [Gedaagde 1] het Word- en Excel-bestand heeft meegenomen of in privé nog in zijn bezit heeft en Saybolt heeft voor het overige niet concreet gesteld welke andere bedrijfsgevoelige informatie in handen zou zijn van [Gedaagde 1] . Deze vordering wordt afgewezen.

6.5.

Saybolt heeft gesteld dat [Gedaagde 1] , met het versturen van zijn afscheidsbericht van 24 augustus 2018 aan verschillende grote klanten van Saybolt zowel het concurrentie-, als het relatie- en nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden, doordat hij in dat bericht en ook in latere berichten aan die klanten aangeeft dat hij zijn nieuwe contactgegevens zal doorsturen en dat die klanten hem kunnen blijven aanspreken voor advies. Die redenering wordt niet gevolgd. In zijn afscheidsbericht heeft [Gedaagde 1] niet vermeld dat Amspec zijn nieuwe werkgever is. Uit zijn mededeling dat hij zijn nieuwe contactgegevens nog zal opsturen, kan hooguit de conclusie worden getrokken dat hij die intentie heeft, maar zolang hij dat nog niet heeft gedaan, is dat geen schending van enig postcontractueel beding. Het vorderen van een voorschot op boete (vordering VI.) is daarmee prematuur en wordt afgewezen.

Vorderingen VII. t/m XIII. ten aanzien van Amspec

6.6.

Ten aanzien van de vraag of Amspec onrechtmatig jegens Saybolt handelt, geldt het volgende juridische kader. Volgens de Hoge Raad (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740 en HR 17 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5024) is de enkele betrokkenheid van een derde bij wanprestatie in beginsel niet onrechtmatig. Voor onrechtmatigheid is, naast wetenschap van de wanprestatie, ook vereist dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

6.7.

Saybolt stelt dat de bijzondere omstandigheden zijn gelegen in het door Amspec stelselmatig en op grote schaal in dienst nemen van (ex-)werknemers van Saybolt die daar sleutelposities hadden en het op grote schaal profiteren van de wanprestatie gepleegd door oud-medewerkers van Saybolt die nu bij Amspec in dienst zijn, dit met het ultieme doel het duurzame bedrijfsdebiet van Saybolt aan te tasten.

6.8.

Amspec hanteert volgens Saybolt de strategie om eerst sleutelfiguren – zoals leidinggevenden, managers en directeuren – van haar concurrenten over te nemen en, zodra die zijn binnengehaald, de ondergeschikten van die sleutelfiguren over te laten stappen, vaak door de sleutelfiguren in te zetten. Die stelling vindt ten eerste steun in de door Saybolt overgelegde organogrammen van haar vestigingen in Rotterdam en Amsterdam, waaruit blijkt dat op de vestiging in Rotterdam een groot aantal werknemers over de hele breedte is overgestapt en dat op de vestiging in Amsterdam de algemeen directeur, de operations manager en de operations co-ordinator inmiddels zijn overgenomen.

Daarnaast heeft Saybolt een grote hoeveelheid producties overgelegd waaruit genoegzaam blijkt van het stelselmatig en op grote schaal benaderen van bedoelde werknemers (waarop in 6.9. en 6.10. nader wordt ingegaan).

Daarbij komt dat [gedaagden] niet betwist dat de strategie van Amspec eruit bestaat zo snel mogelijk te groeien door werknemers van concurrenten over te nemen. Verwezen wordt naar randnummer 72 van de conclusie van antwoord waarin zij verklaart: “(…) per 1 augustus 2018 zijn er 59 werknemers werkzaam bij Amspec en daarnaast heeft Amspec 2 ingeleende werknemers. Van deze 59 werknemers zijn slechts 17 werknemers afkomstig van Saybolt (…). Het overgrote deel van de werknemers van Amspec zijn dus afkomstig van andere inspectiebedrijven.” Na 1 augustus 2018 hebben zeker nog 5 werknemers (nog afgezien van de Belgische tak) aangekondigd over te zullen stappen naar Amspec. Het feit dat ongeveer 1/3 van het werknemersbestand van Amspec afkomstig is van Saybolt, is fors te noemen. Saybolt heeft ook nog gesteld dat bijna alle belangrijke contactpersonen voor Totsa (een andere grote klant van Saybolt) zijn overgestapt naar Amspec. [gedaagden] betwist dat niet (gemotiveerd).

Het standpunt van [gedaagden] dat werknemers continu switchen tussen de grote laboratorium- en inspectiebedrijven, wordt niet gevolgd. Op dit punt wordt verwezen naar wat daarover in reconventie (hiervóór in 5.5.) is overwogen.

6.9.

In lijn met de groeistrategie van Amspec blijkt uit de stukken voldoende dat de werknemers van Saybolt structureel worden benaderd door Amspec. Er zijn voldoende aanwijzingen dat o.a. [persoon 10] (hierna: [persoon 10] ) – maar ook anderen als [persoon 2] – daarbij een grote rol heeft gespeeld. Als Sr. HR Generalist bij Saybolt had [persoon 10] toegang tot de gegevens van alle Saybolt medewerkers en hield hij zich bezig met selectieprocedures, trainingen en succession planning, waarbij hij kandidaten voor de belangrijke posities moest selecteren. Thans is hij HR manager bij Amspec. Hoewel [gedaagden] heeft gesteld dat [persoon 10] bij Saybolt verantwoordelijk was voor 2700 werknemers over 55 landen wereldwijd en dat hij niet van al die werknemers hun kwaliteiten kan kennen, doet dat er niet aan af dat [persoon 10] in het kader van de succession planning verondersteld mag worden bekend te zijn met de identiteit van de sleutelfiguren in de organisatie. Gelet op de wijze waarop werknemers van Saybolt zijn weggegaan naar Amspec, namelijk te beginnen met de managementlaag, is het waarschijnlijk dat dit mede is bereikt met behulp van de kennis en de contacten van [persoon 10] . Er zijn ook genoeg aanwijzingen om aan te nemen dat [persoon 10] zelf medewerkers van Saybolt heeft benaderd.

6.10.

Saybolt heeft door haar opgestelde, en door de betreffende werknemers veelal niet ondertekende of goedgekeurde, gespreksverslagen overgelegd van eindgesprekken met werknemers die naar Amspec zijn overgestapt. Daaruit blijkt volgens haar dat die werknemers hebben aangegeven door Amspec (veelal in de persoon van [persoon 10] ) te zijn benaderd. De juistheid van die verslagen kan niet worden vastgesteld, nu [gedaagden] in reactie daarop schriftelijke verklaringen heeft overgelegd van de desbetreffende werknemers die thans bij haar in dienst zijn waarin deze betwisten dat zij door Amspec zijn benaderd. Dat laat onverlet dat er één schriftelijke verklaring resteert die niet door [gedaagden] is bestreden, namelijk de ondertekende verklaring van [persoon 11] (hierna: [persoon 11] ). In die verklaring geeft [persoon 11] aan dat hij zowel door [persoon 1] als [persoon 2] is benaderd om voor Amspec te komen werken. Daarnaast heeft Saybolt schriftelijke verklaringen van 9 werknemers overgelegd, waarin zij verklaren door Amspec (onder meer door [persoon 10] of [persoon 1] ) te zijn benaderd. Verder staat vast dat [persoon 10] middels een Whatsapp bericht van 19 april 2018 een chemisch analist van Saybolt heeft gevraagd of die dan wel een collega geïnteresseerd is om bij Amspec te komen werken.

De stelling van [gedaagden] dat de werknemers van Saybolt hebben gereageerd op vacatures van Amspec, is onvoldoende onderbouwd. Uit niets blijkt van openstaande vacatures in Nederland of vacatures die (op een specifiek moment, in de periode vanaf het vierde kwartaal van 2017) hebben open gestaan. Een printscreen van de website van Amspec, waarin een drietal functies voor diverse locaties wereldwijd staat vermeld, zonder verdere specificatie of datum, overtuigt niet. Sterker nog, het Whatsappbericht van [persoon 10] kan niet anders worden begrepen dan dat sprake is van een rechtstreekse benadering. Het in de conclusie van antwoord opnemen van citaten die afkomstig zouden zijn uit

2 sollicitatiebrieven – één spontaan en één naar aanleiding van een vacature – en het overleggen van een aantal e-mails is, gelet op alle andere informatie die in dit kort geding is overgelegd, onvoldoende om aan te nemen dat in alle gevallen sprake is geweest van sollicitaties op daadwerkelijk bestaand hebbende en opengestelde vacatures, zonder dat daar enig (al dan niet schriftelijk en/of anderszins traceerbaar) contact vanuit Amspec aan vooraf gegaan is. Meer in het bijzonder wordt overwogen dat uit de e-mail van [persoon 12] van 3 november 2017, waarin hij zijn CV aan Amspec zendt, niet kan worden afgeleid dat hij reageert op een vacature. Ten slotte is van belang dat de wijze waarop sollicitatieprocedures verlopen, vragen oproept. Zo volgt uit de stukken dat [persoon 13] (voorheen Operations Manager bij Saybolt, thans Operations Manager bij Amspec) op

30 mei 2018 om 18.43 uur een open sollicitatie heeft verzonden aan Amspec. Deze is op

31 mei 2018 om 13.45 uur door Amspec doorgeleid naar [persoon 10] , terwijl [persoon 13] op 31 mei 2018 om 17.24 uur zijn arbeidsovereenkomst met Saybolt heeft opgezegd. Dat wekt, zoals Saybolt terecht stelt (en gelet op de producties in dit kort geding), de indruk van een kunstgreep.

6.11.

Uit de stukken blijkt verder genoegzaam dat Amspec heeft kunnen profiteren van de wanprestaties, gepleegd door [persoon 1] jegens Saybolt. In het bij de feiten vermelde kort geding vonnis van 13 december 2017 heeft de kantonrechter in deze rechtbank geoordeeld dat [persoon 1] in strijd met het concurrentiebeding had gehandeld, doordat hij tijdens zijn dienstverband bij Saybolt werkzaamheden had verricht ten behoeve van Amspec. Hiervóór onder 2.18. tot en met 2.20. is weergegeven welke uitlatingen [persoon 1] na 1 december 2017 heeft gedaan en welke contacten hij sindsdien heeft gehad. Of één van die e-mailcontacten slechts een administratieve handeling betrof (zoals Amspec stelt, maar Saybolt betwist) kan in het midden blijven. Het is aan te merken als een zakelijk contact, wat in strijd is met zijn relatiebeding, waar [persoon 1] tot 1 december 2018 aan gebonden is. Dat relatiebeding strekt zich immers uit tot ieder contact in de ruimste zin des woords, zelfs als het initiatief daartoe uitgaat van de relatie en niet van de (ex-)werknemer. Duidelijk is dat [persoon 1] ten minste

8 contacten heeft gehad die in strijd zijn met zijn nog tot 1 december 2018 lopende relatiebeding en, eveneens in strijd met dat beding, betrokken is geweest bij kwantitatieve controles voor klanten die hij bij Saybolt ook bediende. Ten slotte komt uit de, door Amspec niet betwiste, schriftelijke verklaring van [persoon 11] , naar voren dat hij regelmatig door onder andere [persoon 1] – ongeveer een maand na zijn vertrek bij Saybolt – is benaderd om voor Amspec te gaan werken.

Nu [persoon 1] deze handelingen heeft verricht tijdens en in het kader van zijn dienstverband bij Amspec, kunnen zijn gedragingen worden toegerekend aan Amspec. Aldus heeft Amspec, terwijl zij op de hoogte was (althans moet zijn geweest) van de uitkomst van het kort geding tussen Saybolt en [persoon 1] en de inhoud van de bedingen waar [persoon 1] aan gebonden was, op zijn minst toegelaten dat [persoon 1] in strijd met die bedingen heeft gehandeld en heeft Amspec daarvan geprofiteerd. Dat Amspec [persoon 1] daarop heeft aangesproken of daarin heeft afgeremd, blijkt nergens uit.

6.12.

Gezien al het voorgaande, kan de voorzieningenrechter zich niet aan de indruk onttrekken en is zij van oordeel dat hier sprake is van een patroon in de werkwijze van Amspec, dat betekenisvol verder gaat dan de door [gedaagden] gestelde marktwerking. Met het systematisch aantrekken van sleutelfiguren en vervolgens ondergeschikten heeft Amspec als het ware een raamwerk kunnen neerzetten voor haar eigen organisatie. Naar voorlopig oordeel heeft Amspec, door de wijze waarop zij – ondanks haar wetenschap van het bestaan van concurrentie- en relatiebedingen – op grote schaal werknemers van Saybolt op sleutelposities heeft overgenomen en heeft geprofiteerd van de wanprestatie gepleegd door oud-werknemers van Saybolt die inmiddels bij Amspec in dienst zijn, onrechtmatig jegens Saybolt gehandeld.

6.13.

Bij de beoordeling van de verschillende vorderingen jegens Amspec moet het volgende vooropgesteld worden.

Voor zover het Amspec zelf aangaat, zijn de vorderingen (veelal) gericht tegen Amspec en/of aan haar gelieerde ondernemingen. Wat de noodzaak en/of het belang is om aan Amspec gelieerde ondernemingen in een veroordeling te betrekken, licht Saybolt niet toe. Zij benoemt ook niet welke gelieerde ondernemingen zij op het oog heeft. Niet duidelijk is dat en waarom Saybolt iets te vrezen heeft van aan Amspec gelieerde ondernemingen. In dit verband is ook nog relevant dat geen van die gelieerde ondernemingen – welke dat ook mogen zijn – partij is in dit kort geding. Dit betekent dat voor zover vorderingen worden toegewezen, de veroordeling zich alleen zal uitstrekken tot Amspec. Dit is overigens geen vrijbrief voor [Gedaagde 1] – die, zo volgt uit de stukken, graag in het buitenland wil werken – om, bij voorbeeld, (tijdelijk) voor een aan Amspec gelieerde onderneming in het buitenland te gaan werken, voor zover die onderneming dezelfde bedrijfsactiviteiten heeft. Voor iedere indiensttreding waar dan ook heeft hij zijn concurrentiebeding, relatiebeding en geheimhoudingsbeding – met inachtneming van dit vonnis – na te leven.

Een deel van de vorderingen bevat de passage “eiseres en aan haar gelieerde ondernemingen”. Hoewel in het concurrentiebeding van [Gedaagde 1] iets is opgenomen over aan de werkgever (Saybolt) gelieerde ondernemingen, en daar een definitie van wordt gegeven, besteedt Saybolt aan dat onderdeel van haar (overige) vorderingen nauwelijks (onderbouwd) aandacht. Ondanks de inhoud van het concurrentiebeding is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van Saybolt lag om haar/het belang van de vorderingen voor zover het aan Saybolt gelieerde ondernemingen betreft te bespreken en onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de veroordelingen niet zo ver kunnen strekken. Dit leidt tot de volgende beslissingen.

6.14.

De vorderingen VII. t/m IX. zien concreet op de verhouding tussen Amspec en [Gedaagde 1] . Gelet op de ervaringen met [persoon 1] , is duidelijk dat het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding van [Gedaagde 1] Saybolt onvoldoende bescherming biedt tegen de handelwijze van Amspec. Saybolt heeft er daarom een gerechtvaardigd belang bij dat niet alleen [Gedaagde 1] maar ook Amspec het concurrentie, relatie- en geheimhoudingsbeding waar [Gedaagde 1] aan is gebonden, respecteert.

6.15.

Vordering VII. wordt toegewezen, in die zin dat Amspec zal worden veroordeeld om zich tot 1 oktober 2019 te onthouden van het aangaan van en/of uitvoering geven aan een arbeidsovereenkomst met [Gedaagde 1] , dan wel zich te onthouden van het door [Gedaagde 1] direct of indirect laten verrichten van werkzaamheden, in welke zin dan ook, voor of in opdracht van Amspec.

6.16.

Vordering VIII. wordt toegewezen, in die zin dat Amspec tot 1 oktober 2019 zal worden verboden om [Gedaagde 1] namens en/of voor haar, direct of indirect, zaken te laten doen of zakelijke contacten te laten onderhouden met klanten en/of relaties van Saybolt, zoals bedoeld in het relatiebeding van [Gedaagde 1] . Waarom in een veroordeling ook, niet nader aangeduide, derden zouden moeten worden opgenomen, heeft Saybolt niet toegelicht. In zoverre is de vordering onvoldoende bepaalbaar en moet dat gedeelte worden afgewezen. Hier wordt nog aan toegevoegd dat in artikel 6.2. van de arbeidsovereenkomst van [Gedaagde 1] met Saybolt ook niets staat over derden.

6.17.

Vordering IX. wordt toegewezen, in die zin dat het Amspec zal worden verboden [Gedaagde 1] , direct of indirect, op enigerlei wijze aan Amspec, in welke vorm dan ook, enige mededeling te laten doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot of verband houdende met Saybolt. Waarom in een veroordeling ook, niet nader aangeduide, derden zouden moeten worden opgenomen, heeft Saybolt niet toegelicht. In zoverre is de vordering onvoldoende bepaalbaar en moet dat gedeelte worden afgewezen.

6.18.

De gevorderde dwangsommen worden beperkt en gemaximeerd.

6.19.

De vorderingen X. t/m XII. zien op bescherming tegen gedragingen van werknemers en ex-werknemers van Saybolt en van [persoon 1] in het bijzonder. Daarbij is van belang dat in de kort geding zaak die Saybolt heeft aangespannen jegens [persoon 4] en Amspec (zie 2.21.), waarin soortgelijke vorderingen zijn ingesteld, eveneens op

25 september 2018 vonnis is gewezen. In dat vonnis is op Amspec (kort gezegd) een verbod gelegd op het benaderen van werknemers en ex-werknemers van Saybolt, die gebonden zijn aan een concurrentiebeding, om bij Amspec in dienst te treden en/of hen aldaar werkzaamheden te laten verrichten. Verder is het Amspec verboden om [persoon 1] en/of andere ex-werknemers van Saybolt, voor zover zij gebonden zijn aan een relatiebeding, direct of indirect zakelijke contacten te laten onderhouden met klanten en/of relaties van Saybolt gedurende de werking van het betreffende relatiebeding.

Dat betekent dat Saybolt bij het onder X. gevorderde – althans voor wat betreft het verbod op Amspec tot het benaderen van werknemers van Saybolt – en het onder XI. gevorderde geen belang meer heeft. Verder geldt dat het in kort geding te ver voert om het gevorderde verbod op Amspec tot het (direct) aangaan van een arbeidsovereenkomst met

(ex-)werknemers van Saybolt of hen anderszins werkzaamheden te laten verrichten, toe te wijzen. Dat leidt tot afwijzing van vorderingen X. en XI.

6.20.

Over vordering XII. stelt Saybolt dat deze is ingegeven doordat Amspec op grote schaal werknemers, waaronder [persoon 1] , hun met Saybolt overeengekomen relatiebeding en geheimhoudingsbeding laat schenden. Voor zover de vordering ziet op het relatiebeding wordt deze afgewezen omdat daarvoor al voorzieningen worden getroffen, deels in dit vonnis door toewijzing van vordering VIII. en deels in het vonnis met betrekking tot [persoon 4] en Amspec. Voor zover de vordering ziet op het geheimhoudingsbeding wordt deze eveneens afgewezen. In alle processtukken gaat het (vrijwel) uitsluitend over concurrentiebedingen en relatiebedingen. Dat, door wie en in welke mate ook geheimhoudingsbedingen worden overtreden, en welk belang zij bij deze vordering heeft, stelt en onderbouwt Saybolt niet.

6.21.

Als vordering XIII. heeft Saybolt afgifte gevorderd van een lijst van relaties van Saybolt en aan haar gelieerde ondernemingen waarmee [persoon 1] namens Amspec contact heeft onderhouden, onder vermelding van contactpersonen en data. Hoewel vaststaat dat [persoon 1] ten minste 8 keer zijn relatiebeding heeft overtreden (zie 6.11.) zodat Saybolt al over bewijs beschikt en duidelijk is dat Saybolt een belang heeft bij het vaststellen van de omvang van de overtredingen door [persoon 1] , weegt dit belang vooralsnog niet op tegen het belang van Amspec om geen bedrijfsgevoelige informatie af te geven. Het voert te ver om deze vordering in kort geding toe te wijzen. Bij dat oordeel is in aanmerking genomen dat uit alle stukken en het verhandelde in deze procedure blijkt dat Saybolt weet welke klanten [persoon 1] tijdens zijn dienstverband met haar bediende. Ook lijkt uit de stukken te moeten worden afgeleid dat het aantal grote klanten beperkt is. Ten slotte wordt overwogen dat deze vordering, ook om redenen van het toepassen van hoor en wederhoor, thuishoort in een procedure waarin ook [persoon 1] is betrokken.

6.22.

Ook vordering XIV. wordt afgewezen. Saybolt benoemt alleen een incident waarbij haar ex-werknemer [persoon 14] (hierna: [persoon 14] ) die thans werkzaam is voor Amspec, zich op social media negatief heeft uitgelaten over Saybolt. Niet alleen staat dit incident op zichzelf, ook heeft Amspec [persoon 14] aangesproken op zijn handelwijze, zijn de uitlatingen verwijderd en heeft Amspec een algemene waarschuwing doen uitgaan naar haar werknemers om dergelijk gedrag te voorkomen. Van enig structureel handelen door werknemers van Amspec om schade toe te brengen aan de naam en reputatie van Saybolt, is niet gebleken. Gelet daarop heeft Saybolt onvoldoende belang bij toewijzing van deze vordering.

6.23.

Voor een proceskostenveroordeling van Saybolt wegens rauwelijks dagvaarden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Het was gelet op de stellingname door partijen in de periode voorafgaand aan dit kort geding duidelijk dat het hoe dan ook op een door één van hen aan te spannen procedure zou uitdraaien.

[gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Saybolt worden begroot op

€ 162,- aan dagvaarding, € 1.950,- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat.

Geoordeeld wordt dat een deel van het bij Saybolt in rekening gebrachte griffierecht voor eigen rekening blijft. Aangezien de vorderingen in de dagvaarding van onbepaalde waarde waren, werd aanvankelijk het griffierecht van € 626,- bij Saybolt in rekening gebracht. Haar eisvermeerdering heeft geleid tot een verhoging van het griffierecht tot een bedrag van

€ 1.950,- vanwege het gevorderde voorschot op schadevergoeding. Nu dit gedeelte van de vordering is afgewezen, zal wat betreft het griffierecht het meerdere boven € 626,- voor rekening van Saybolt worden gelaten. Dat betekent dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld in de proceskosten van Saybolt tot een bedrag van € 1.768,-.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1.

veroordeelt [Gedaagde 1] tot onverkorte nakoming van het concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst;

7.2.

veroordeelt [Gedaagde 1] tot onverkorte nakoming van het relatiebeding zoals opgenomen in artikel 6.2 van de arbeidsovereenkomst;

7.3.

veroordeelt [Gedaagde 1] om aan Saybolt een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere overtreding van de in 7.1. en/of 7.2. uitgesproken veroordeling en een dwangsom van

€ 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde 1] in gebreke blijft aan iedere veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 50.000,- (per veroordeling) is bereikt;

7.4.

veroordeelt [Gedaagde 1] tot onverkorte nakoming van het geheimhoudingsbeding zoals opgenomen in artikel 4.1 en 4.2 van de arbeidsovereenkomst;

7.5.

veroordeelt [Gedaagde 1] om aan Saybolt een dwangsom te betalen van € 2.500,- voor iedere overtreding van de in 7.4. uitgesproken veroordeling en een dwangsom van

€ 125,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt;

7.6.

veroordeelt Amspec om zich tot 1 oktober 2019 te onthouden van het aangaan van en/of uitvoering geven aan een arbeidsovereenkomst met [Gedaagde 1] , althans zich te onthouden van het door [Gedaagde 1] direct of indirect laten verrichten van werkzaamheden, in welke zin dan ook, voor of in opdracht van Amspec;

7.7.

verbiedt Amspec, tot 1 oktober 2019, om [Gedaagde 1] namens en/of voor Amspec, direct of indirect, zaken te laten doen of zakelijke contacten te laten onderhouden met klanten en/of relaties van Saybolt, zoals bedoeld in het relatiebeding van [Gedaagde 1] ;

7.8.

verbiedt Amspec om [Gedaagde 1] , direct of indirect, op enigerlei wijze aan Amspec, in welke vorm dan ook, enige mededeling te laten doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot of verband houdende met Saybolt;

7.9.

veroordeelt Amspec om aan Saybolt een dwangsom te betalen van € 50.000,- voor iedere overtreding van één van de in 7.6. t/m 7.8. uitgesproken veroordelingen en/of verboden en een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde 1] in gebreke blijft aan iedere veroordeling/verbod te voldoen, tot een maximum van € 1.000.000,- (per veroordeling/verbod) is bereikt;

7.10.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Saybolt tot op heden begroot op € 1.768,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

7.11.

veroordeelt [gedaagden] , eveneens hoofdelijk, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

7.12.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.13.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.14.

wijst de vordering af;

7.15.

veroordeelt [Gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van Saybolt tot op heden begroot op € 490,-;

7.16.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.

2091 / 2009