Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7957

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
ROT 18/3140
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2020:367, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetes opgelegd door de NVWA aan een pluimveeslachterij omdat een toezichthouder heeft geconstateerd dat sprake was van beknellingen en rugliggingen bij kuikens in geloste containers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 18/3140

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluijter,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij besluiten van 7 april 2017 en 14 april 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder eiseres boetes opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren.

Eiseres heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Op 5 februari 2018 heeft eiseres beroep ingesteld (kenmerk ROT 18/838) tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op deze en andere bezwaren van eiseres. Dit beroep is op 4 mei 2018 behandeld ter zitting.

Bij besluit van 18 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten en deze deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft de rechtbank het beroep niet tijdig met kenmerk ROT 18/838 gesplitst in tien afzonderlijke beroepen gericht tegen tien, alsnog door verweerder genomen, afzonderlijke beslissingen op bezwaar, waarbij het beroep inzake het onderhavige bestreden besluit het zaaknummer ROT 18/3140 heeft gekregen. Omdat de tien afzonderlijke beroepen betrekking hebben op zowel de inhoudelijke beslissingen op bezwaar als op het niet tijdig beslissen door verweerder, is het beroep met kenmerk ROT 18/838 als ten onrechte ingeschreven beschouwd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Dit beroep (ROT 18/3140) is tegelijk behandeld met andere beroepen van eiseres, namelijk ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145, ROT 18/3146 en ROT 18/3059. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. N. Aamimi.

Overwegingen

1. Het gaat in dit beroep om het niet tijdig beslissen door verweerder op bezwaren van eiseres en om boetes die verweerder aan eiseres heeft opgelegd omdat een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de pluimveeslachterij heeft geconstateerd (kort gezegd) dat sprake was van beknellingen en rugliggingen bij kuikens in geloste containers. De rechtbank zal hierna eerst het niet tijdig beslissen door verweerder bespreken. Daarna zal de rechtbank inhoudelijk ingaan op de boetezaken, waarbij eerst wordt ingegaan op de gronden van eiseres die betrekking hebben op alle boetezaken. Vervolgens zal de rechtbank de boetezaken afzonderlijk bespreken, waarbij wordt ingegaan op de gronden die specifiek op de betreffende boetezaak zien.

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen

2.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tijdig op de bezwaren tegen de primaire besluiten heeft beslist. Weliswaar heeft verweerder alsnog een beslissing op de bezwaren genomen, maar eiseres heeft nog wel belang bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit, omdat eiseres het niet eens is met de hoogte van de dwangsom die door verweerder is toegekend vanwege het niet tijdig beslissen. Nu eiseres nog belang heeft bij haar beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen en verweerder niet tijdig heeft beslist, zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, gegrond verklaren.

2.2.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de door verweerder te betalen dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres een dwangsom van in totaal € 1.260,- toegekend, omdat volgens verweerder sprake is van een dusdanige samenhang tussen de boetebesluiten dat met één maal de maximale dwangsom dient te worden volstaan. Eiseres vindt echter dat verweerder tien maal deze maximale dwangsom moet betalen omdat het in dit beroep gaat om tien afzonderlijke boetezaken waartegen tien afzonderlijke bezwaarschriften zijn ingediend.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat het doel van een dwangsom bij niet tijdig beslissen is het voorkomen (door een effectief rechtsmiddel) van te trage besluitvorming door een bestuursorgaan. Daarmee valt niet te rijmen dat verweerder zelf, door clustering van boetezaken en afdoening van zo’n cluster in één beslissing op bezwaar, invloed zou kunnen uitoefenen op de hoogte van de te betalen dwangsom. Bovendien is de door verweerder aangebrachte clustering van boetezaken in de beslissingen op bezwaar die voortvloeien uit het beroep niet tijdig, zodanig dat van een logische indeling onvoldoende sprake is (meerdere soorten overtredingen per beslissing op bezwaar en soorten overtredingen die in meerdere beslissingen op bezwaar voorkomen). Los van de clustering door verweerder moet worden beoordeeld of de zaken dusdanige samenhang vertonen dat slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd.

2.4.

De rechtbank overweegt dat in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen regel is neergelegd over samenhangende besluiten, alleen over de situatie waarin er meerdere aanvragers zijn. Wel kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat in bijzondere gevallen redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich kan brengen dat bij meerdere aanvragen of besluiten die dusdanige samenhang vertonen, slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat slechts één maal een dwangsom is verschuldigd onder meer verwezen naar uitspraken van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:82), van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:1783) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ((de Afdeling) ECLI:NL:RVS:2014:1870). Naar het oordeel van de rechtbank gaat een vergelijking met die zaken hier evenwel niet op, omdat de door verweerder genoemde zaken verschillen van de zaak van eiseres. In de uitspraken van de Hoge Raad en het Gerechtshof ging het om beschikkingen waarin sprake was van hetzelfde feitencomplex en waartegen bij één geschrift bezwaar was gemaakt. In de uitspraak van de Afdeling ging het om verzoeken van één aanvrager om openbaarmaking van gegevens van 752 voertuigen waarbij die verzoeken inhoudelijk nagenoeg identiek waren (zie ook ter vergelijking ECLI:NL:RVS:2018:2211). Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de boetezaken die in dit beroep aan de orde zijn, niet worden gezegd dat deze eenzelfde feitencomplex hebben of nagenoeg identiek zijn. Weliswaar is een aantal maal voor eenzelfde soort overtreding een boete opgelegd, maar dat neemt niet weg dat afzonderlijke boetebesluiten zijn genomen waaraan afzonderlijke rapporten van bevindingen ten grondslag liggen met een daarin beschreven eigen feitencomplex. Voorts heeft eiseres afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de primaire besluiten. Dat een aantal bezwaargronden daarin overeenkomen, neemt niet weg dat eiseres tegen elk primair besluit afzonderlijk opkomt en argumenten naar voren brengt die in iedere boetezaak afzonderlijk, aan de hand van de beschreven constateringen in het rapport van bevindingen, moeten worden beoordeeld. Bovendien is eiseres in bezwaar ook specifiek op de afzonderlijke rapporten van bevindingen ingegaan. Dit alles maakt dat een beslissing op het bezwaar tegen één van de boetes eiseres nog geen duidelijkheid verschaft over de uitkomst van haar bezwaar tegen de andere boetes, zodat eiseres er belang bij heeft in alle boetezaken afzonderlijk tijdig een beslissing op haar bezwaar te krijgen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zodanige samenhang tussen de verschillende boetezaken in dit beroep dat verweerder slechts gehouden zou zijn om één maal een dwangsom toe te kennen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan verweerder (in de afzonderlijke boetezaken) in het geheel geen dwangsom is verschuldigd. Gesteld noch gebleken is dat bij verweerder sprake was van overmacht en evenmin is gebleken dat het niet tijdig beslissen te wijten is aan eiseres.

2.5.

De rechtbank stelt dan ook ten aanzien van ieder primair besluit afzonderlijk de door verweerder verbeurde dwangsom vast. Niet in geschil is dat gezien het tijdsverloop tussen de ingebrekestelling en het bestreden besluit (meer dan 42 dagen) verweerder de maximale dwangsom verbeurt. De rechtbank stelt de dwangsom vast op € 1.260,- per primair besluit. Dit beroep heeft betrekking op tien primaire besluiten en de totaal door verweerder te betalen dwangsom komt daarmee op € 12.600,-.

Alle boetezaken (inhoudelijk)

3. Eiseres voert ten aanzien van alle boetezaken aan dat pijn, spanning of lijden bij het slachten onvermijdelijk is. In artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (Verordening 1099/2009) gaat het dan ook om het beperken van vermijdbare vormen van pijn, spanning of lijden. Uit de considerans van deze verordening (onder 2) blijkt dat pijn, spanning of lijden vermijdbaar is als de voorschriften van deze verordening worden overtreden of als weliswaar geoorloofde methoden worden gebruikt maar deze niet optimaal worden toegepast. Verweerder dient in iedere boetezaak te bewijzen dat hiervan sprake is. De enkele constatering van een toezichthouder dat een kuiken pijn, spanning of lijden ondervindt is onvoldoende om een overtreding vast te stellen, aldus eiseres.

3.1.

De rechtbank overweegt dat eiseres terecht stelt dat voor een overtreding van artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 moet worden vastgesteld dat pijn, spanning of lijden bij de kuikens vermijdbaar was voor eiseres. Duidelijk is dat pijn, spanning of lijden vermeden kan worden door de regels voor de slacht in deze verordening na te leven. Ook de naleving en handhaving van de eigen werkinstructies door eiseres spelen daarbij een rol. Daarnaast zal vaak in het specifieke geval moeten worden bezien of het vermijdbaar was, bijvoorbeeld door tijdig en voldoende controles te verrichten op het welzijn van de kuikens en door tijdig in te grijpen bij welzijnsproblemen. De vermijdbaarheid zal uit het rapport van bevindingen, en een eventuele nadere toelichting daarop, moeten blijken. De rechtbank zal hierna per boetezaak (voor zover artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 is tegengeworpen) beoordelen of sprake was van vermijdbare pijn, spanning of lijden.

4. Eiseres voert verder ten aanzien van alle boetezaken aan dat zij voldoet aan punt 1.1 van Bijlage III van Verordening 1099/2009. Uit de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2017 (ROT 16/7462) volgt dat een welzijnscontrole moet worden uitgevoerd na het lossen maar vóór het uitladen van de kuikens uit de containers. Eiseres stelt dat in geen van de boetezaken feitelijk is vastgesteld dat containers zijn uitgeladen zonder dat een welzijnscontrole heeft plaatsgehad. Niet is bewezen dat het uit welzijnsoogpunt nodig is voortdurend (anders dan ter voorbereiding van een correcte kanteling) corrigerend op te treden. Daarnaast is in de rapporten niet feitelijk geconstateerd dat rugliggers of kuikens met vleugelbeknelling tekenen van vermijdbare pijn, angst of abnormaal gedrag vertonen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van Verordening 1099/2009, aldus eiseres.

4.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder eiseres niet verwijt dat sprake is van beknellingen en rugliggingen in de geloste containers, maar dat eiseres de containers onvoldoende heeft beoordeeld op welzijnsproblemen bij de kuikens en onvoldoende daarop heeft ingegrepen. Dit zal voldoende uit het rapport van bevindingen moeten blijken. De enkele constatering door een toezichthouder dat sprake was van beknellingen en rugliggingen is dus onvoldoende. Ook moet blijken dat eiseres de welzijnscontrole die volgens Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 moet plaatsvinden, niet of onvoldoende heeft verricht of dat zij geen noodzakelijke maatregelen heeft genomen bij geconstateerde welzijnsproblemen. Van belang is dat uit het rapport van bevindingen voldoende blijkt dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om de betreffende controle te verrichten. Immers, als de toezichthouder beknellingen constateert bij containers die net in de aanvoerhal zijn geplaatst terwijl een welzijnsfunctionaris van eiseres nog doende was een welzijnscontrole op korte termijn uit te voeren, kan uit de enkele aanwezigheid van beknellingen in de containers niet worden geconcludeerd dat de welzijnscontrole niet is verricht. Daarbij is ook relevant dat het exacte moment waarop deze controle doorgaans wordt verricht onduidelijk is gebleven en ook in de Verordening hiervoor geen duidelijk termijn is vastgesteld. Bovendien is voor de toezichthouder eenvoudig vast te stellen, middels de administratie van eiseres, sinds wanneer de geladen containers zich op het terrein van eiseres bevinden, aan de hand waarvan (mede) kan worden beoordeeld of eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om de welzijnscontrole uit te voren. Voorts kan een overtreding ook worden vastgesteld indien gebleken is dat eiseres de welzijnscontrole wél heeft verricht maar daarbij beknelde dieren of rugliggingen niet heeft opgemerkt, dan wel daarop niet heeft ingegrepen. In dat geval dient uit het rapport te blijken dat de welzijnscontrole is verricht (bijvoorbeeld door overlegging van een formulier waarop die controle is afgetekend) en dat de toezichthouder wel of meer beknellingen en rugliggingen in de gecontroleerde containers waarneemt dan bij de welzijnscontrole door eiseres is opgemerkt. Of uit de rapporten voldoende blijkt dat de gestelde overtredingen zijn begaan zal hierna per boetezaak worden besproken.

Boetezaak 201700845

5.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

5.2.

Eiseres voert aan dat haar wordt verweten dat geen welzijnscontrole is uitgevoerd maar dat die overtreding niet is bewezen met het rapport van bevindingen.

5.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131353/98861) dat hij onder het afdak bij de aanvoerhal meer dan 20 containers zag met levende kuikens en dat hem bij een rondgang langs de containers (in het kader van de verplichte ante mortem (AM) keuring) opviel dat er meerdere beknellingen en rugliggers te zien waren. Deze kuikens waren volgens de toezichthouder makkelijk zichtbaar van buitenaf. Tevens zag de toezichthouder dat er tussen twee rijen containers zeven kuikens op de grond lagen. Deze kuikens kwamen uit een lade waar de klep van open stond en deze open lade bevond zich op ruim drie meter hoogte. De toezichthouder heeft chef Aanvoer [naam] op de hoogte gesteld van zijn bevindingen en hem foto’s laten zien van de kuikens die de toezichthouder had gezien. De heer [naam] gaf aan dat het personeel net was gearriveerd en dat er daarom nog geen controle was uitgevoerd. Na ruim 40 minuten zag de toezichthouder dat de beknellingen en rugliggers die hij geconstateerd had bij de eerste controle, nog geen van alle verholpen waren. Wel waren de loslopende kuikens van de grond gehaald en was de klep gesloten. De heer [naam] gaf tegenover de toezichthouder aan dat er wel iemand rond was geweest en dat er ook andere beknellingen losgehaald waren, maar dat de beknellingen en rugliggers die de toezichthouder had geconstateerd blijkbaar gemist waren, aldus het rapport.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder rugliggingen en vleugelbeknellingen constateert bij kuikens die makkelijk zichtbaar waren van buitenaf, zodat mag worden aangenomen dat deze ook bij een controle door eiseres zichtbaar hadden kunnen zijn. Voorts kan uit de verklaringen van de chef Aanvoer worden afgeleid dat na de eerste controle door de toezichthouder wel een welzijnscontrole door eiseres is verricht. Echter, uit het rapport volgt dat de door de toezichthouder waargenomen rugliggingen en beknellingen daarbij niet zijn opgemerkt en/of verholpen. Voor zover eiseres stelt dat op het moment van de tweede controle door de toezichthouder de welzijnscontrole nog niet volledig was uitgevoerd, merkt de rechtbank op dat de toezichthouder reeds direct na de eerste controle de chef Aanvoer op de hoogte heeft gebracht van zijn constateringen en dat het op de weg van eiseres had gelegen om daarop direct actie te ondernemen door de reeds geconstateerde beknellingen en rugliggingen te verhelpen zodat verdere pijn, spanning of lijden die de rugliggingen en vleugelbeknellingen veroorzaken, kon worden vermeden.

Boetezaak 201701735

6.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

6.2.

Eiseres voert aan dat niet is bewezen dat geen welzijnscontrole is uitgevoerd; dat de chauffeur al vertrokken was bewijst dit niet. De chauffeur is ook niet door de toezichthouder gehoord. Uit de feitelijke vaststelling van de toezichthouder kan niet worden afgeleid hoe krap de kuikens in de container met naar boven gedrukte bodem zaten en of de kuikens daardoor tekenen van pijn, angst of lijden vertoonden die noopten tot het treffen van maatregelen, aldus eiseres.

6.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 129680/100176) dat hij omstreeks 6.00 uur in de ontvangsthal diverse containers met kuikens zag staan die die ochtend aangevoerd waren. Bij de AM-keuring in deze containers zag hij drie vleugelbeknellingen en één rugligger. Bij containers die onder de overkapping neergezet waren zag de toezichthouder één vleugelbeknelling. Bij één container zag de toezichthouder dat de bodem naar boven was gedrukt en dat de kuikens in die containers erg krap zaten. Volgens de toezichthouder komt de medewerker die de welzijnscheck uitvoert net na 6.00 uur in de ontvangsthal om het welzijn te beoordelen maar de toezichthouder heeft die medewerker niet gezien tijdens de keuring. Volgens de standaardwerkwijze van eiseres moet de chauffeur van de vrachtauto de welzijnscheck uitvoeren als de medewerker van het bedrijf nog niet aanwezig is, maar de chauffeur heeft hij ook niet gezien, aldus de toezichthouder.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat eiseres de overtreding heeft begaan. Weliswaar beschrijft de toezichthouder dat hij beknellingen en een rugligging heeft geconstateerd maar uit het rapport kan niet worden afgeleid of eiseres op het moment van de constateringen door de toezichthouder al de gelegenheid heeft gehad om de containers te controleren en zo nodig in te grijpen. De toezichthouder beschrijft dat hij de medewerker die de controle uitvoert niet heeft gezien, maar uit het rapport van bevindingen blijkt niet of die medewerker, of iemand anders, op dat moment voldoende gelegenheid heeft gehad om de welzijnscontrole uit te voeren. Het rapport beschrijft niet hoe lang de betreffende containers al op het bedrijf stonden en of er na de constateringen door de toezichthouder nog tijd is geweest voor eiseres om de welzijnscontrole uit te voeren. De gevolgtrekking van verweerder in het bestreden besluit dat de containers er ten minste een half uur moeten hebben gestaan omdat de containers in de aanvoerhal stonden en er geen laad- en of losactiviteiten meer waren, acht de rechtbank op dit punt onvoldoende. Daarmee kan nog niet worden gezegd dat de containers in dit geval daadwerkelijk al tenminste zo lang daar stonden, terwijl in een boetezaak in voldoende mate moet vaststaan dat eiseres de overtreding heeft begaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat aan de hand van de administratie van eiseres door de toezichthouder op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld op welk moment de containers zijn aangevoerd en/of gelost.

Boetezaak 201607644

7.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

7.2

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat niet is bewezen dat geen welzijnscontrole is uitgevoerd. Dat een medewerker heeft meegedeeld dat hij nog niet aan de welzijnscontrole was toegekomen bewijst niet dat die medewerker daarvoor verantwoordelijk was en ook niet dat in het geheel geen welzijnscontrole heeft plaatsgevonden. Ook de vleugelbeklemmingen bewijzen niet dat geen welzijnscontrole is verricht, aldus eiseres.

7.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 129919/98166) dat hij omstreeks 6.15 uur onder de overkapping op het terrein containers zag staan die gelost waren voordat de toezichthouder aanwezig was. Bij de AM-keuring stelde de toezichthouder bij deze containers zes vleugelbeknellingen vast. Een medewerker gaf tegenover de toezichthouder aan dat hij nog niet was toegekomen aan het uitvoeren van de welzijnscontrole wegens andere bezigheden. Gedurende de dag heeft de toezichthouder omstreeks 11.00 uur, 12.15 uur en 14.30 uur nogmaals respectievelijk twee, twee en één vleugelbeknelling(en) aangetroffen bij levende kuikens. De beknellingen werden eveneens vastgesteld in containers die reeds geruime tijd van de vrachtwagen waren gelost en in de aanvoerhal tonden, aldus de toezichthouder.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat eiseres de overtreding heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder beknellingen constateert omstreeks 6.15 uur maar uit het rapport kan niet worden afgeleid dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om bij die kuikens een welzijnscontrole uit te voeren. Uit het rapport blijkt niet hoe lang de containers al op het terrein stonden. In lijn met wat onder 6.4 is overwogen, acht de rechtbank de gevolgtrekking van verweerder in het bestreden besluit dat een deel van de containers er ten minste een uur moeten hebben gestaan omdat er geen (half)lege vrachtwagen meer in de buurt stond, onvoldoende om te kunnen concluderen dat voldoende vast staat dat eiseres in dit geval genoeg tijd heeft gehad om de controle te verrichten. Voorts is ook ten aanzien van de latere constateringen onduidelijk hoe lang die containers zich al op het terrein van eiseres bevonden en of eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om bij die containers een welzijnscontrole uit te voeren. Niet blijkt uit het rapport dat het om dezelfde containers zou gaan als bij de eerste controle en de mededeling van de toezichthouder dat de containers reeds geruime tijd van de vrachtwagen waren gelost, verschaft onvoldoende duidelijkheid om te kunnen beoordelen of eiseres voor de controle voldoende gelegenheid heeft gehad.

Boetezaak 201607646

8.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

8.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat ook niet is bewezen dat geen welzijnscontrole is uitgevoerd. De geconstateerde vijf vleugelbeklemmingen bewijzen niet dat geen welzijnscontrole is uitgevoerd, aldus eiseres.

8.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130000/98167) dat hij omstreeks 6.30 uur in de aanvoerhal twee rijen containers zag staan die gelost waren voordat de toezichthouder aanwezig was. Tijdens de AM-keuring stelde de toezichthouder vijf vleugelbeknellingen vast, waarvan drie in één container. Ook zag de toezichthouder in een container een levend kuiken op de rug liggen, aldus het rapport.

8.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat eiseres de overtreding heeft begaan. De toezichthouder beschrijft in het rapport de geconstateerde vleugelbeknellingen en rugligging maar uit het rapport kan niet worden afgeleid hoe lang die containers zich al in de aanvoerhal bevonden en of eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om de welzijnscontrole uit te voeren. In lijn met wat hiervoor onder 6.4 is overwogen biedt de gevolgtrekking van verweerder in het bestreden besluit dat de containers er al tenminste een half uur moeten hebben gestaan omdat er geen laad- en losactiviteiten meer waren, onvoldoende grond om te kunnen vaststellen dat eiseres op het moment van de constateringen door de toezichthouder reeds voldoende gelegenheid heeft gehad om de welzijnscontrole te verrichten.

Boetezaak 201700216

9.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 4.000 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit deels gegrond verklaard, omdat de boete ten onrechte was verhoogd, en de boete vastgesteld op € 2.500.

9.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat ook niet is bewezen dat geen welzijnscontrole is uitgevoerd. Dat een medewerker heeft meegedeeld dat hij nog niet aan de welzijnscontrole was toegekomen, bewijst niet dat die medewerker daarvoor verantwoordelijk was en ook niet dat in het geheel geen welzijnscontrole heeft plaatsgevonden. Ook de vleugelbeklemmingen bewijzen niet dat geen welzijnscontrole is verricht, aldus eiseres.

9.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130508/98168) dat hij omstreeks 6.15 uur op het terrein onder de overkapping containers zag die gelost waren voordat de toezichthouder aanwezig was en dat hij bij de AM-keuring van deze containers twee vleugelbeknellingen vaststelde. Omstreeks 9.00 uur heeft de toezichthouder opnieuw een AM-keuring gedaan onder de overkapping en één vleugelbeknelling en twee levende kuikens op de rug aangetroffen. Omstreeks 11.15 uur zag de toezichthouder bij de AM-keuring van containers in de aanvoerhal drie kuikens met een beknelde vleugel in drie afzonderlijke containers. Medewerker [naam] gaf tegenover de toezichthouder aan dat hij zelf nog niet was toegekomen aan het uitvoeren van de welzijnscontrole. Voorts heeft organisatie-adviseur [naam] tegenover de toezichthouder onder meer verklaard dat volgens de werkinstructie de welzijnscontrole voor 6.00 uur wordt gedaan door de chauffeur en na 6.00 uur door medewerkers van de aanvoerhal. Ook heeft hij verklaard dat als deze medewerkers er geen tijd voor hebben, het wordt overgedragen aan de verantwoordelijke chef en dat de welzijnscontrole in ieder geval binnen een half uur nadat de vrachtwagen is gelost wordt gedaan, aldus het rapport.

9.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat eiseres de overtreding heeft begaan. Ook uit dit rapport blijkt niet of eiseres op het moment van de constateringen door de toezichthouder al voldoende gelegenheid heeft gehad om de welzijnscontrole te verrichten. De toezichthouder constateert op verschillende tijdstippen beknellingen of rugligging in containers maar uit het rapport blijkt niet hoe lang die containers al op het terrein van eiseres stonden. Ook uit de verklaring van de medewerker kan niet worden afgeleid dat de welzijnscontrole op dat moment al had moeten zijn verricht. Evenmin kan uit de in het rapport opgenomen verklaring van [naam] over de inhoud van de eigen werkinstructie worden afgeleid dat eiseres in dit geval geen controle heeft uitgevoerd maar daarvoor wel voldoende gelegenheid heeft gehad. In lijn met wat hiervoor onder 6.4 is overwogen acht de rechtbank de gevolgtrekking van verweerder in het bestreden besluit dat de containers er al tenminste een half uur moeten hebben gestaan omdat een medewerker bezig was met het opladen van schone containers, onvoldoende om te kunnen concluderen dat voldoende vast staat dat eiseres in dit geval genoeg tijd heeft gehad om de controle te verrichten.

Boetezaak 201701742

10.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

10.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat ook niet is bewezen dat de welzijnscontrole niet goed is uitgevoerd; de vleugelbeklemmingen bewijzen dit niet. Bovendien is door de toezichthouder niet vastgesteld dat deze vleugelbeklemmingen ten tijde van de welzijnscontrole bestonden en bij die controle ook waargenomen hadden moeten worden, aldus eiseres.

10.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130746/100191) dat hij omstreeks 11.30 uur in de aanvoerhal tijdens een AM-keuring in containers drie vleugelbeklemmingen zag. De toezichthouder heeft gevraagd aan de medewerker of de welzijnscheck al door het bedrijf was uitgevoerd en de medewerker antwoordde hem bevestigend.

10.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. De toezichthouder constateert vleugelbeknellingen en niet valt in te zien dat deze beknellingen niet ook bij een welzijnscontrole door eiseres hadden kunnen worden waargenomen. Eiseres heeft ter zitting ook erkend dat vrijwel is uitgesloten dat vleugelbeknellingen naderhand, na aankomst, nog optreden. Aldus staat in voldoende mate vast staat dat eiseres bij een welzijnscontrole de door de toezichthouder geconstateerde vleugelbeknellingen had kunnen opmerken. Voorts blijkt uit het rapport afdoende dat de welzijnscontrole heeft plaatsgevonden, nu een medewerker dit tegenover de toezichthouder heeft bevestigd.

Boetezaak 201701773

11.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 4.000 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit deels gegrond verklaard, omdat de boete ten onrechte was verhoogd en de boete vastgesteld op € 2.500.

11.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat ook niet is bewezen dat de welzijnscontrole niet of niet goed is uitgevoerd. Niet kan onomstotelijk worden geconcludeerd dat de toezichthouder het eerdere koppel aan een herhaalde keuring heeft onderworpen. Er ontbreekt een controleerbaar relaas dat het om hetzelfde koppel zou gaan, aldus eiseres.

11.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 133099/100223) dat hij omstreeks 10.00 uur in de aanvoerhal zag dat de oplegger bij de truck met kenteken [kenteken] zojuist gelost was. Bij een AM-keuring op de kuikens van deze vrachtauto zag de toezichthouder negen vleugelbeknellingen voordat eiseres de welzijnscontrole uitvoerde. Na ongeveer een uur inspecteerde de toezichthouder de containers van deze vrachtauto nogmaals om te controleren of eiseres de welzijnscontrole had uitgevoerd. Daarop kwam [naam] aanlopen en vroeg deze of de toezichthouder de containers nogmaals wilde nakijken op beknellingen. Volgens de toezichthouder daagde [naam] hem uit om aan te tonen dat hij negen beknellingen geconstateerd had. [naam] zei dat hij twijfelde aan de waarnemingen van de toezichthouder. Bij deze herhaalde AM-keuring, nadat de welzijnscontrole was uitgevoerd, heeft de toezichthouder bij deze containers zes vleugelbeknellingen geconstateerd en bij twee containers die net op de aanvoerband waren gezet ook nog twee vleugelbeknellingen, aldus het rapport.

11.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. De toezichthouder constateert beknellingen omstreeks 10.00 uur en beschrijft dat hij bij een herhaalde controle na ongeveer een uur, nadat het bedrijf de welzijnscontrole had uitgevoerd, (nog steeds) vleugelbeknellingen constateerde. Gelet op de beschrijvingen van de toezichthouder staat voor de rechtbank voldoende vast dat bij de eerste en tweede controle dezelfde containers door de toezichthouder zijn beoordeeld. Zo geeft de toezichthouder aan dat hij de containers van die betreffende vrachtauto nogmaals inspecteert, vraagt [naam] of de toezichthouder de containers van de truck met hetzelfde kenteken nogmaals wil controleren en geeft de toezichthouder aan dat hij een herhaalde AM-keuring uitvoert bij deze containers. Voorts blijkt uit het rapport voldoende dat de welzijnscontrole door eiseres reeds was verricht.

Boetezaak 201700889

12.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 7 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 4.000 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit deels gegrond verklaard, omdat de boete ten onrechte was verhoogd en de boete vastgesteld op € 2.500.

12.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat ook niet is bewezen dat de welzijnscontrole niet is uitgevoerd; de vleugelbeklemmingen en rugligging bewijzen dit niet. Bovendien bestrijdt eiseres dat de toezichthouder heeft kunnen vaststellen dat het kapotte binnenwerk aan de container zeer scherp was. Overigens zou dan de enig denkbare maatregel zijn dat de container met voorrang wordt gelost en de toezichthouder heeft niet vastgesteld dat dit niet is gebeurd, aldus eiseres.

12.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131823/99318) dat hij omstreeks 7.00 uur op het terrein containers zag staan die al enige tijd gelost waren, wat hij heeft kunnen vaststellen omdat er op dat moment geen vrachtwagen meer in of bij de aanvoerhal aanwezig was welke leeg en/of gereinigd werd. In één van de containers zag de toezichthouder een kuiken op de rug liggen dat nog zwak ademhaalde en verderop in een andere container trof de toezichthouder een levend kuiken aan met een beklemde vleugel. Ook zag de toezichthouder dat het traliewerk aan de binnenzijde van de container kapot was en dat er daardoor scherpe uitsteeksels waren ontstaan waaraan de dieren zich mogelijk konden verwonden. Daarna is de toezichthouder de aanvoerhal in gelopen om de AM-keuring te doen bij de kuikens die in de containers stonden te wachten tussen de aanvoerband en de voorwasser en in die rij containers trof hij bij drie containers een levend kuiken met een beknelde vleugel aan, aldus het rapport.

12.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat eiseres de overtreding heeft begaan. Weliswaar is duidelijk dat sprake was van beknellingen in containers op het terrein van eiseres, maar in het rapport wordt onvoldoende duidelijk hoe lang de containers er al stonden en of eiseres aldus voldoende gelegenheid heeft gehad om een welzijnscontrole te verrichten. De toezichthouder leidt uit de omstandigheid dat er geen vrachtwagen meer aanwezig was af dat de containers al enige tijd gelost waren. Dit verschaft echter onvoldoende duidelijkheid over hoe lang de containers daadwerkelijk in dat geval op het terrein stonden, terwijl voor het opleggen van de boete in voldoende mate moet vaststaan dat de overtreding is begaan.

Boetezaak 201701738

13.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 7 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 4.000 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit deels gegrond verklaard, omdat de boete ten onrechte was verhoogd en de boete vastgesteld op € 2.500.

13.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat ook niet is bewezen dat de welzijnscontrole niet is uitgevoerd; de vleugelbeklemmingen en rugliggingen bewijzen dit niet. Bovendien blijkt uit de ingevulde welzijnslijst, waarvan een foto bij het rapport van bevindingen is gevoegd, dat wel een welzijnscontrole heeft plaatsgevonden, aldus eiseres.

13.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 133084/100183) dat hij omstreeks 6.15 uur bij de aanvoerhal bij een AM-keuring van containers afkomstig uit één vrachtwagen zag dat twee kuikens op de rug lagen en twee bekneld waren met de vleugel. Al deze kuikens bevonden zich volgens de toezichthouder in het volle zicht. Vijf minuten later zag de toezichthouder dat de heftruckchauffeur de containers van deze locatie op de aanvoerband begon te plaatsen en de toezichthouder zag dat op dat moment in een van de containers op de aanvoerband een kuiken nog steeds bekneld was met de vleugel. Op de Welzijnslijst zag de toezichthouder dat niets stond vermeld over het welzijn van de kuikens en op de laadbonnen zag de toezichthouder dat de containers zich sinds 3.15 uur op het slachthuis bevonden, aldus het rapport.

13.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. De toezichthouder constateert rugliggingen en beknellingen. Nu deze zich volgens het rapport in het volle zicht bevonden, valt niet in te zien dat eiseres deze rugliggingen en beknellingen bij een welzijnscontrole niet had kunnen opmerken. Voorts heeft eiseres ter zitting ook erkend dat vrijwel is uitgesloten dat vleugelbeknellingen naderhand, na aankomst, nog optreden. Aldus staat in voldoende mate vast staat dat eiseres bij een welzijnscontrole de door de toezichthouder geconstateerde vleugelbeknellingen had kunnen opmerken. Daarnaast volgt uit het rapport dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om een welzijnscontrole te kunnen uitvoeren, dan wel deze heeft uitgevoerd. De containers bevonden zich op het moment van de keuring door de toezichthouder al drie uur op het slachthuis en bovendien bevond een container met een bekneld kuiken zich al op de aanvoerband. Daarnaast is bij het rapport een kopie van de Welzijnslijst gevoegd, waaruit ook eiseres zelf afleidt dat de welzijnscontrole is verricht. Ondanks deze welzijnscontrole, dan wel ondanks dat eiseres voldoende gelegenheid daarvoor heeft gehad, zijn er rugliggingen en beknellingen geconstateerd, zodat verweerder terecht concludeert dat de welzijnscontrole niet of niet voldoende heeft plaatsgevonden.

Boetezaak 201701754

14.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 7 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 4.000 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst worden beoordeeld door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Hierdoor wordt er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit deels gegrond verklaard, omdat de boete ten onrechte was verhoogd en de boete vastgesteld op € 2.500.

14.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen en dat ook niet is bewezen dat de welzijnscontrole niet is uitgevoerd. Hittestress kan na de welzijnscontrole zijn ontstaan en is debet aan de kopbeknellingen. Daarmee is echter niet bewezen dat de eerdere welzijnscontrole niet of niet correct is uitgevoerd of dat de welzijnslijst niet juist is ingevuld, aldus eiseres.

14.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 133114/100206) dat hij omstreeks 15.30 uur in de aanvoerhal bij een AM-keuring zag dat er meer dan 20 containers stonden en dat er containers stonden waar aan de zijkanten veel kuikens met de kop uitstaken. Deze kuikens vertoonden volgens de toezichthouder tekenen van hittestress. Ook trof de toezichthouder een kuiken aan dat ernstig bekneld zat met de kop doordat de plastic lade beschadigd was en trof hij meer dan vijf kuikens aan die bekneld zaten met de kop tussen de metalen klep en het frame van de containers. Voorts heeft de toezichthouder een container aangetroffen die naast de aanvoerband van de kantelaar stond, in het volle zicht van de medewerkers waarin op ooghoogte en aan de buitenzijde een kuiken bekneld zat met de vleugel. Ook op de aanvoerband stond een container waar een kuiken bekneld zat tussen de klep en dit kuiken werd niet opgemerkt door de medewerker van de kantelaar en is dus ook niet losgemaakt, aldus de toezichthouder.

14.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de overtreding in dit geval niet zozeer ziet op de geconstateerde tekenen van hittestress maar op de geconstateerde beknellingen. Uit het rapport blijkt voldoende dat beknellingen zijn geconstateerd waarvan voldoende vast staat dat eiseres die bij een welzijnscontrole ook had kunnen waarnemen. Voorts kan uit het rapport voldoende worden afgeleid dat beknellingen zijn geconstateerd op een moment dat eiseres al een welzijnscontrole had moeten verrichten. De toezichthouder heeft immers beknellingen geconstateerd bij containers die zich al op de aanvoerband bevonden, waarbij zelfs één container ook daadwerkelijk werd gekanteld, terwijl daarin nog een bekneld kuiken zat. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat de welzijnscontrole niet of niet voldoende door eiseres is verricht.

Conclusie

15. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in boetezaken 201700845, 201701743, 201701773, 201701738 en 201701754 bevoegd was om een boete op te leggen.

16. Eiseres voert aan dat verweerder bij de hoogte van de opgelegde boetes geen rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden. Eiseres ondervindt geen economisch voordeel van de gestelde overtredingen. Daarnaast wordt eiseres, gezien het lik-op-stuk beleid van verweerder, financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar belast door het moeten voeren van veel bezwaar- en beroepsprocedures. Ook staat de opeenstapeling van boetebesluiten in geen verhouding tot de financiële positie van het bedrijf, aldus eiseres.

16.1.

De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Wet dieren en Verordening 1099/2009 gediende doel - het waarborgen van dierenwelzijn - staat voorop. De hoogte van de boetes als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder in dit geval de boetebedragen had dienen te matigen. Dat eiseres financiële gevolgen ondervindt, is geen reden om de boetes te matigen. Bovendien is niet gebleken dat eiseres door de hoeveelheid aan opgelegde boetes in financiële problemen is gekomen.

17. De rechtbank concludeert gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen het volgende. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van eiseres gegrond en stelt de door verweerder aan eiseres te betalen dwangsom vast op € 12.600. Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep gericht tegen het (alsnog genomen) bestreden besluit gegrond omdat een aantal boetes ten onrechte zijn opgelegd. In boetezaken 201700845, 201701742, 201701773, 201701738 en 201701754 heeft verweerder wel terecht de boetes opgelegd en het bestreden besluit blijft ten aanzien van die zaken in stand. In de boetezaken 201701735, 201607644, 201607646, 201700216 en 201700889 heeft verweerder ten onrechte een boete opgelegd en het bestreden besluit zal ten aanzien van die boetezaken worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in die zaken te voorzien in die zin dat het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten van die boetezaken gegrond wordt verklaard en deze primaire besluiten worden herroepen. Dit betekent dat de boetes in boetezaken 201701735, 201607644, 201607646, 201700216 en 201700889 vervallen.

18. Een vergoeding van het griffierecht door verweerder is hier niet aan orde. Eiseres was alleen in het (inmiddels vervallen) beroep met kenmerk ROT 18/838 griffierecht verschuldigd en niet in de daaruit voortvloeiende tien beroepen, waaronder dit beroep. Voorts is verweerder in de uitspraak op het beroep met kenmerk ROT 18/3138 reeds veroordeeld tot terugbetaling van het één maal door eiseres betaalde griffierecht.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt vast.

19.1.

Voor de proceshandelingen in het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 4 mei 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 0,25 (omdat de zaak is aan te merken als zeer licht aangezien het alleen om de hoogte van de dwangsom gaat). De reiskosten van de directeur van eiseres stelt de rechtbank vast conform het door eiseres opgegeven bedrag van € 50,60. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bewaren van eiseres sprake van samenhang tussen de beroepen met kenmerk ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145, ROT 18/3146, nu het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen één maal door de gemachtigde van eiseres in al deze zaken is ingediend, het geheel gelijktijdig door de rechtbank is behandeld en de inhoud in de zaken op dat punt vrijwel identiek is. De rechtbank zal vanwege die samenhang en nu de directeur van eiseres slechts één maal naar de zitting heeft moeten reizen, dan ook de toe te kennen proceskosten gelijkelijk verdelen over deze negen zaken die op het punt van het niet tijdig beslissen gegrond zijn verklaard. Dit betekent dat in dit beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, de door verweerder te vergoeden proceskosten worden vastgesteld op € 33,46.

19.2.

Ten aanzien van de proceshandelingen in het inhoudelijke beroep gericht tegen het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat toepassing van de zuiver forfaitair bepaalde vergoeding leidt tot een dermate disproportionele vergoeding dat er aanleiding bestaat om deze vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb te matigen. Daartoe is van belang dat dit beroep en de beroepen ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145 en ROT 18/3146, weliswaar niet als samenhangende zaken in de zin van het Bpb kunnen worden aangemerkt, maar wel op onderdelen enige samenhang vertonen ten aanzien van het soort overtreding en een aantal algemene beroepsgronden. Daarnaast zijn al deze beroepen tegelijk op dezelfde zitting behandeld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de forfaitaire toe te kennen vergoeding te halveren. Voor de vaststelling van het forfaitaire bedrag wordt 1 punt toegekend voor de aanvulling van het beroep bij brief van 28 juni 2018 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 8 augustus 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1. Na halvering van dit bedrag komen de te vergoeden kosten voor de rechtsbijstandverlening in dit inhoudelijke deel van het beroep op € 501,-. Ten aanzien van de reiskosten van de directeur van eiseres naar de zitting van 8 augustus 2018 overweegt de rechtbank dat de hiervoor genoemde inhoudelijke beroepen op dezelfde zitting zijn behandeld en hij dus slechts één maal heeft moeten reizen voor de inhoudelijke behandeling van deze beroepen. De rechtbank zal de te vergoeden reiskosten (€ 50,60) dan ook gelijkelijk verdelen over de negen van de hiervoor genoemde beroepen die gegrond zijn verklaard, wat neerkomt op € 5,62 per zaak. Daarmee komen de totale te vergoeden proceskosten voor het inhoudelijke deel van dit beroep op € 506,62.

19.3.

Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank in dit beroep verweerder in de proceskosten tot een totaalbedrag van € 540,08.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de dwangsom;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 12.600,- is verschuldigd;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op boetezaken 201701735, 201607644, 201607646, 201700216 en 201700889 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit vernietigde deel van het bestreden besluit,

  • -

    herroept de primaire besluiten van 7 april 2017 en 14 april 2017 in boetezaken 201701735, 201607644, 201607646, 201700216 en 201700889;

  • -

    laat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de overige boetezaken in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 540,08.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.