Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7956

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
ROT 18/3141
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2020:368, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetes opgelegd door de NVWA aan een pluimveeslachterij omdat een toezichthouder heeft geconstateerd dat het in het bedrijf niet schoon was, dat dierlijke bijproducten niet waren afgedekt en niet werden gekoeld, dat bakken voor dierlijke bijproducten niet lekvrij waren en geen aanduiding hadden en dat sprake was van beknellingen en rugliggingen bij kuikens in containers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 18/3141

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluijter,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij besluiten van 17 maart 2017 en 14 april 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder eiseres boetes opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren.

Eiseres heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Op 5 februari 2018 heeft eiseres beroep ingesteld (kenmerk ROT 18/838) tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op deze en andere bezwaren van eiseres. Dit beroep is op 4 mei 2018 behandeld ter zitting.

Bij besluit van 4 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten en deze bezwaren ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft de rechtbank het beroep niet tijdig met kenmerk ROT 18/838 gesplitst in tien afzonderlijke beroepen gericht tegen tien, alsnog door verweerder genomen, afzonderlijke beslissingen op bezwaar, waarbij het beroep inzake het onderhavige bestreden besluit het zaaknummer ROT 18/3141 heeft gekregen. Omdat de tien afzonderlijke beroepen betrekking hebben op zowel de inhoudelijke beslissingen op bezwaar als op het niet tijdig beslissen door verweerder, is het beroep met kenmerk ROT 18/838 als ten onrechte ingeschreven beschouwd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Dit beroep (ROT 18/3141) is tegelijk behandeld met andere beroepen van eiseres, namelijk ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145, ROT 18/3146 en ROT 18/3059. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. N. Aamimi.

Overwegingen

1. Het gaat in dit beroep om het niet tijdig beslissen door verweerder op bezwaren van eiseres en om boetes die verweerder aan eiseres heeft opgelegd omdat een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de pluimveeslachterij heeft geconstateerd (kort gezegd) dat het in het bedrijf van eiseres niet schoon was, dat dierlijke bijproducten niet waren afgedekt en niet werden gekoeld, dat bakken voor dierlijke bijproducten niet lekvrij waren en geen aanduiding hadden en dat sprake was van beknellingen en rugliggingen bij kuikens in containers. De rechtbank zal hierna eerst het niet tijdig beslissen door verweerder bespreken. Daarna zal de rechtbank inhoudelijk ingaan op de boetezaken, waarbij eerst wordt ingegaan op de gronden van eiseres die voor alle boetezaken in die categorie gelden en vervolgens de boetezaken afzonderlijk worden besproken, waarbij wordt ingegaan op de gronden die specifiek op de betreffende boetezaak zien.

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen

2.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tijdig op de bezwaren tegen de primaire besluiten heeft beslist. Weliswaar heeft verweerder alsnog een beslissing op de bezwaren genomen, maar eiseres heeft nog wel belang bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit, omdat eiseres het niet eens is met de hoogte van de dwangsom die door verweerder is toegekend vanwege het niet tijdig beslissen. Nu eiseres nog belang heeft bij haar beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen en verweerder niet tijdig heeft beslist, zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, gegrond verklaren.

2.2.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de door verweerder te betalen dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres een dwangsom van in totaal € 1.260,- toegekend, omdat volgens verweerder sprake is van een dusdanige samenhang tussen de boetebesluiten dat met één maal de maximale dwangsom dient te worden volstaan. Eiseres vindt echter dat verweerder zeven maal deze maximale dwangsom moet betalen omdat het in dit beroep gaat om zeven afzonderlijke boetezaken waartegen zeven afzonderlijke bezwaarschriften zijn ingediend.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat het doel van een dwangsom bij niet tijdig beslissen is het voorkomen (door een effectief rechtsmiddel) van te trage besluitvorming door een bestuursorgaan. Daarmee valt niet te rijmen dat verweerder zelf, door clustering van boetezaken en afdoening van zo’n cluster in één beslissing op bezwaar, invloed zou kunnen uitoefenen op de hoogte van de te betalen dwangsom. Bovendien is de door verweerder aangebrachte clustering van boetezaken in de beslissingen op bezwaar die voortvloeien uit het beroep niet tijdig, zodanig dat van een logische indeling onvoldoende sprake is (meerdere soorten overtredingen per beslissing op bezwaar en soorten overtredingen die in meerdere beslissingen op bezwaar voorkomen). Los van de clustering door verweerder moet worden beoordeeld of de zaken dusdanige samenhang vertonen dat slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd.

2.4.

De rechtbank overweegt dat in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen regel is neergelegd over samenhangende besluiten, alleen over de situatie waarin er meerdere aanvragers zijn. Wel kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat in bijzondere gevallen redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich kan brengen dat bij meerdere aanvragen of besluiten die dusdanige samenhang vertonen, slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat slechts één maal een dwangsom is verschuldigd onder meer verwezen naar uitspraken van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:82), van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:1783) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ((de Afdeling) ECLI:NL:RVS:2014:1870). Naar het oordeel van de rechtbank gaat een vergelijking met die zaken hier evenwel niet op, omdat de door verweerder genoemde zaken verschillen van de zaak van eiseres. In de uitspraken van de Hoge Raad en het Gerechtshof ging het om beschikkingen waarin sprake was van hetzelfde feitencomplex en waartegen bij één geschrift bezwaar was gemaakt. In de uitspraak van de Afdeling ging het om verzoeken van één aanvrager om openbaarmaking van gegevens van 752 voertuigen waarbij die verzoeken inhoudelijk nagenoeg identiek waren (zie ook ter vergelijking ECLI:NL:RVS:2018:2211). Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de boetezaken die in dit beroep aan de orde zijn, niet worden gezegd dat deze eenzelfde feitencomplex hebben of nagenoeg identiek zijn. Weliswaar is een aantal maal voor eenzelfde soort overtreding een boete opgelegd, maar dat neemt niet weg dat afzonderlijke boetebesluiten zijn genomen waaraan afzonderlijke rapporten van bevindingen ten grondslag liggen met een daarin beschreven eigen feitencomplex. Voorts heeft eiseres afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de primaire besluiten. Dat een aantal bezwaargronden daarin overeenkomen, neemt niet weg dat eiseres tegen elk primair besluit afzonderlijk opkomt en argumenten naar voren brengt die in iedere boetezaak afzonderlijk, aan de hand van de beschreven constateringen in het rapport van bevindingen, moeten worden beoordeeld. Bovendien is eiseres in bezwaar ook specifiek op de afzonderlijke rapporten van bevindingen ingegaan. Dit alles maakt dat een beslissing op het bezwaar tegen één van de boetes eiseres nog geen duidelijkheid verschaft over de uitkomst van haar bezwaar tegen de andere boetes, zodat eiseres er belang bij heeft in alle boetezaken afzonderlijk tijdig een beslissing op haar bezwaar te krijgen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zodanige samenhang tussen de verschillende boetezaken in dit beroep dat verweerder slechts gehouden zou zijn om één maal een dwangsom toe te kennen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan verweerder (in de afzonderlijke boetezaken) in het geheel geen dwangsom is verschuldigd. Gesteld noch gebleken is dat bij verweerder sprake was van overmacht en evenmin is gebleken dat het niet tijdig beslissen te wijten is aan eiseres.

2.5.

De rechtbank stelt dan ook ten aanzien van ieder primair besluit afzonderlijk de door verweerder verbeurde dwangsom vast. Niet in geschil is dat gezien het tijdsverloop tussen de ingebrekestelling en het bestreden besluit (meer dan 42 dagen) verweerder de maximale dwangsom verbeurt. De rechtbank stelt de dwangsom vast op € 1.260,- per primair besluit. Dit beroep heeft betrekking op zeven primaire besluiten en de totaal door verweerder te betalen dwangsom komt daarmee op € 8.820,-.

De boetes inzake de dierlijke bijproducten

3. Eiseres voert ten aanzien van de boetes die betrekking hebben op dierlijke bijproducten aan dat verweerder een onjuiste uitleg geeft aan Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (Verordening 142/2011). Volgens eiseres geldt voor haar alleen punt 1 van Hoofdstuk II van Afdeling 4 van Bijlage VIII van Verordening 142/2011 omdat dit ziet op het verzamelen van dierlijke bijproducten op de slachterij, en geldt voor haar niet punt 2 van hetzelfde onderdeel van de Verordening, omdat dit ziet op de opslag bij het verwerkende bedrijf. Aldus geldt voor eiseres geen etiketteringsplicht en moet zij er alleen voor zorgen dat zendingen identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen en vervoer gescheiden en identificeerbaar zijn. Volgens eiseres is de gescheiden opvang en opslag in gescheiden ruimten en de separate afvoerregistratie voor categorie 2 en categorie 3 materiaal een toereikende maatregel om te zorgen voor scheiding en identificeerbaarheid van de door haar verzamelde dierlijke bijproducten, aldus eiseres.

3.1.

De rechtbank overweegt dat, ook indien eiseres zou worden gevolgd dat voor haar geen etiketteringsplicht geldt, dit niet wegneemt dat eiseres er gelet op punt 1 van Hoofdstuk II van Afdeling 4 van Bijlage VIII van Verordening 142/2011 wel voor moet zorgen dat op haar bedrijf dierlijke producten als zodanig identificeerbaar zijn en blijven en gescheiden zijn. In Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (Verordening 1069/2009), waarnaar Verordening 142/2011 verwijst, zijn dierlijke bijproducten onderverdeeld in categorieën, naar gelang het risico voor de volks- en diergezondheid, en is bepaald wat met de dierlijke bijproducten uit een bepaalde categorie wel of niet mag worden gedaan. Ter bescherming van de dier- en volksgezondheid is van belang dat in de gehele productieketen dierlijke bijproducten steeds duidelijk als zodanig en naar categorie identificeerbaar zijn, en gescheiden zijn van producten die wel geschikt zijn voor menselijke consumptie. Het is aan eiseres, als onderdeel van die productieketen, om ervoor te zorgen dat de dierlijke bijproducten die op haar bedrijf ontstaan, hieraan voldoen. Ook indien voor de vervoerder en het verwerkingsbedrijf zwaardere eisen zouden gelden voor de identificeerbaarheid en etikettering dan voor een slachterij (zoals eiseres lijkt te stellen), dan rust nog steeds op de slachterij de verantwoordelijkheid om de dierlijke producten zodanig te identificeren en te scheiden dat ook de vervoerder die vervolgens de dierlijke bijproducten meeneemt en het verwerkingsbedrijf dat vervolgens de producten verwerkt, kunnen voldoen aan de voor hen geldende verplichtingen inzake identificeerbaarheid en etikettering. In elk geval dient op het bedrijf van eiseres duidelijk te zijn welke producten dierlijke bijproducten zijn en welke categorie het betreft. Bij eiseres worden dierlijke bijproducten die bij het slachtproces ontstaan in bakken gedeponeerd en deze bakken worden in een aparte ruimte neergezet. Voor zover eiseres moet worden gevolgd dat zij geen etiket of aanduiding op de bakken hoeft aan te brengen, rust op haar in elk geval de plicht om op andere wijze ervoor te zorgen dat duidelijk is dat het om bakken met dierlijke bijproducten gaat en om welke categorie dierlijke bijproducten. Overigens blijkt uit meerdere rapporten van bevindingen in deze boetezaken dat eiseres in een aantal gevallen wel categorie aanduidingen op bakken heeft aangebracht. Indien uit de rapporten van bevindingen blijkt dat een aanduiding van het soort materiaal op de bakken ontbreekt, is het naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres om aannemelijk te maken dat producten, op een andere wijze dan middels een aanduiding op de bakken, voor een ieder op de slachterij identificeerbaar zijn als dierlijke bijproducten en in welke categorie. Een enkele stelling dat eiseres bepaalde (kleuren) bakken gebruikt voor bepaalde soorten bijproducten, is daarvoor onvoldoende. Het is aan eiseres om dit nader te onderbouwen en aldus aannemelijk te maken dat bij haar een dusdanig duidelijke werkwijze wordt gehanteerd, dat er geen twijfel kan ontstaan over welk materiaal bepaalde bakken bevatten. De rechtbank stelt vast dat eiseres een dergelijke onderbouwing niet heeft gegeven. Aldus zal uit de rapporten van bevindingen zelf, en hetgeen eiseres daartegen heeft ingebracht, moeten blijken of eiseres in dat geval heeft voldaan aan de eisen van identificeerbaarheid, hetzij door een aanduiding op de bakken, hetzij anderszins.

4. Eiseres voert aan dat verweerder ook een onjuiste uitleg geeft aan punt 1 van Afdeling I, Hoofdstuk I, Bijlage VIII, van Verordening 142/2011. Deze bepaling bevat de instructie om dierlijke bijproducten vanaf het beginpunt in de productieketen te verzamelen en de instructie om deze producten te vervoeren in afgesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen. De opvatting van verweerder dat dierlijke bijproducten en het proceswater ook verzameld moeten worden in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen staat haaks op de realiteit dat verpakkingen, recipiënten of voertuigen bij het verzamelen noodzakelijkerwijze niet gesloten of afgedekt kunnen zijn. Ten aanzien van de opgelegde boetes voor het niet gebruiken van lekvrije recipiënten betreft het steeds het verzamelen van dierlijke bijproducten en is dus geen sprake van een overtreding van de voorschriften, aldus eiseres.

4.1.

De rechtbank overweegt dat in punt 1 van Afdeling I, Hoofdstuk I, Bijlage VIII, van Verordening 142/2011 is opgenomen dat vanaf het beginpunt in de productieketen dierlijke bijproducten en afgeleide producten moeten worden verzameld en vervoerd in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen. Gelet op de tekst van punt 1, de samenhang met de rest van Bijlage VIII en het doel van deze Verordening, leest de rechtbank punt 1 aldus dat de eisen voor recipiënten gelden voor zowel het verzamelen als het vervoer van dierlijke bijproducten. Dit betekent dat eiseres de dierlijke bijproducten die op haar bedrijf ontstaan, moet verzamelen in afgedekte en lekvrije recipiënten. De door eiseres gebruikte bakken voor dierlijke bijproducten moeten dus lekvrij zijn en afgedekt zijn. De rechtbank kan eiseres volgen in haar betoog dat tijdens het actief verzamelen, door het deponeren van bijproducten in de bakken, de recipiënten niet afgesloten kunnen zijn. Echter, zodra een bak niet meer wordt gevuld met bijproducten en apart wordt gezet, is het voor eiseres wel mogelijk om de bak af te dekken en moet zij dit ook doen op grond van punt 1 van Afdeling I, Hoofdstuk I, Bijlage VIII, van Verordening 142/2011. Uit punt 1 volgt ook duidelijk dat de recipiënten waarin eiseres de bijproducten verzamelt, lekvrij moeten zijn. De stelling van eiseres dat zij proceswater afvoert via afvalwatersystemen, kan niet afdoen aan deze verplichting.

Boetezaak 201607046

5.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 17 april 2017 aan eiseres drie boetes opgelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard en enkele wijzigingen en aanvullingen ten aanzien van het primaire besluit aangebracht. Op grond van het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres boetes van respectievelijk € 2.500, € 5.000 en € 2.500 opgelegd voor de volgende drie feiten:

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling van Verordening 142/2011. Er werd geen gebruik gemaakt van afgesloten recipiënten voor de opslag van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, zijnde categorie 2 materiaal (ongeschikt voor menselijke consumptie), ter voorkoming van versleping en risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling 1, onder punt 1 van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009 overtreden.

  • De bedrijfsruimten voor levensmiddelen waren niet schoon. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk I, punt 1, van Verordening 852/2004 overtreden.

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake identificatie van Verordening 142/2011. Recipiënten waren niet van identificatie voorzien om ervoor te zorgen dat de dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong en het vervoer gescheiden en identificeerbaar zijn en blijven. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk II, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid van Verordening 1069/2009, overtreden.

5.2.

Eiseres voert aan dat sprake was van een overmachtssituatie die is ontstaan door een storing bij het bedrijf dat de dierlijke bijproducten afvoert. Daarnaast mist het beboetbare feit dat bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon waren, feitelijke grondslag. De toezichthouder heeft geconstateerd dat de vloer van de ruimte voor dierlijke bijproducten niet schoon was, maar dit is geen ruimte voor levensmiddelen. Of sprake is van een levensmiddel, is niet afhankelijk van een categoriebestemming maar van de vraag of het product bestemd is om door de mens te worden geconsumeerd. Door de toezichthouder is niet vastgesteld dat hiervan sprake is. Voorts heeft de toezichthouder niet onderzocht of de recipiënten voorzien waren van zichtbare identificatie en alleen gekeken naar de naar hem toegekeerde zijde van de bakken, aldus eiseres.

5.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 129678/97518) dat hij zich omstreeks 06.00 uur in de afdeling dierlijke bijproducten (DBP) bevond voor het uitvoeren van een schoonmaakcontrole voor aanvang van de werkzaamheden. De toezichthouder zag dat een machine niet schoongemaakt was. Op verschillende plaatsen op de machine lagen dierlijke bijproducten. Ook de afvoergoot was sterk vervuild; de toezichthouder zag hier veren op liggen. Op de vloer onder de afvoergoot zag de toezichthouder twee rolcontainers staan (bedoeld om categorie 2 materiaal op te vangen) die voor ongeveer één derde gevuld waren met dierlijke resten, zijnde bloed en veren, en niet waren afgedekt. Verderop in de aanpalende ruimte waar de rolcontainers en categorie 3 bakken worden opgeslagen, zag de toezichthouder negen rolcontainers staan die allemaal gevuld waren met categorie 2 materiaal, met een grote ‘kop’ erop. Vijf containers stonden tegen de wand waardoor het categorie 2 materiaal met de wand in aanraking kwam en ook was er categorie 2 materiaal op de vloer rondom de containers zichtbaar. Voorts zag de toezichthouder drie kunststof bakken staan, allemaal deels gevuld met dierlijke bijproducten, maar deze bakken waren niet geïdentificeerd. Verder zag de toezichthouder dat de vloer van de gehele DBP ruimte niet schoon was; op veel plaatsen lagen restanten categorie 2 materiaal en er lagen grote plassen bloederig vocht. De toezichthouder zag dat een medewerker in witte kleding uit de afdeling panklaar in de DBP ruimte kwam en daarna weer richting de panklaarafdeling ging, aldus het rapport.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de beboetbare feiten heeft begaan. Het eerste onder 5.1 genoemde feit ziet op het niet gebruiken van afgesloten recipiënten. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder (voor aanvang van de werkzaamheden) meerdere containers zag staan met dierlijke resten, die niet waren afgedekt, waaronder in de ruimte waar dergelijke containers worden opgeslagen. Aldus staat voldoende vast dat eiseres geen gebruikt heeft gemaakt van afgedekte recipiënten. Dat sprake was van een storing bij het bedrijf dat de dierlijke bijproducten afvoert, vormt geen reden om eiseres geen verwijt te maken of de boete te matigen. Ook indien door een storing eiseres een grotere hoeveelheid dierlijke bijproducten op haar bedrijf moest verzamelen/bewaren, valt niet in te zien waarom eiseres dan niet in staat kon worden geacht die grotere hoeveelheid ook dusdanig af te dekken dat risico’s voor de dier- en volksgezondheid werden beperkt. Ook de overtreding van het tweede onder 5.1 genoemde feit, namelijk dat bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon waren, staat in voldoende mate vast. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder in de afdeling dierlijke bijproducten onder meer zag dat een machine niet schoongemaakt was, dat er dierlijke bijproducten op lagen, de afvoergoot sterk vervuild was, dat de vloer van de gehele ruimte niet schoon was en dat op veel plaatsen restanten categorie 2 materiaal lagen. Daaruit blijkt afdoende dat de ruimte niet schoon was. Dat punt 1 van Hoofdstuk I, Bijlage II, van Verordening 852/2004 hier niet van toepassing zou zijn omdat de ruimte niet als een ruimte voor levensmiddelen kan worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. Het gaat in dit geval om een ruimte voor dierlijke bijproducten. Hoofdstuk I van Bijlage II van Verordening 852.2004 is getiteld: “Algemene eisen voor bedrijfsruimten voor levensmiddelen (anders dan vermeld in hoofdstuk III)” en vervolgens worden onder die titel (onder meer) regels gesteld voor het schoon houden van dergelijke bedrijfsruimten waarbij ook regels zijn opgenomen voor bijvoorbeeld de toiletten, wasbakken en omkleedruimte. Daaruit volgt dus dat de regels van Hoofdstuk I niet specifiek gericht zijn op ruimtes waar levensmiddelen worden verwerkt. Dat Hoofdstuk I niet zo’n beperkte gelding heeft, volgt ook uit het feit dat daarna in Hoofdstuk II (aldus de titel) specifieke voorschriften voor ruimten waar levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt, zijn opgenomen. Overigens wordt het belang dat niet alleen de ruimte waar levensmiddelen worden verwerkt schoon zijn, maar ook de omliggende bedrijfsruimtes, geïllustreerd door de waarneming van de toezichthouder dat een medewerker uit de afdeling panklaar in de dierlijke bijproducten kwam, waar op de vloer dierlijke bijproducten en grote plassen bloederig vocht lagen, en daarna weer richting de panklaarafdeling ging. Ten slotte staat ook de overtreding van het derde onder 5.1 genoemde feit voldoende vast. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder drie kunststof bakken zag staan, allemaal deels gevuld met dierlijke bijproducten, en dat deze bakken niet waren geïdentificeerd. Dat de toezichthouder alleen heeft gekeken naar de zijde van de bakken die naar hem toegekeerd stonden, zoals eiseres stelt, blijkt niet uit het rapport. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de constatering van de toezichthouder dat de bakken die hij heeft waargenomen niet geïdentificeerd waren.

Boetezaak 201701726

6.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres twee boetes opgelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard en een wijziging aangebracht in de feiten die in het primaire besluit worden verweten. Op basis van het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres twee boetes opgelegd van elk € 2.500 voor de volgende twee feiten:

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Tijdens het verzamelen werd geen gebruik gemaakt van lekvrije recipiënten voor het verzamelen van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling 1, onder punt 1 van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid van Verordening 1069/2009 overtreden.

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van Verordening 142/2011. Tijdens het verzamelen werden niet alle nodige maatregelen getroffen om te zorgen dat dierlijke bijproducten of afgeleide producten (op de plaats van oorsprong of tijdens het vervoer) gescheiden en identificeerbaar blijven. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk II, onder punt 1, onder a, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009 overtreden.

6.2.

Eiseres voert aan dat de bewijsvoering in het rapport van bevindingen oncontroleerbaar is, nu uit niets blijkt dat de toezichthouder zich ervan heeft vergewist dat op generlei zijde van de recipiënt een identificatie is aangebracht.

6.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130438/100160) dat hij omstreeks 7.00 uur in de broei- en plukruimte een grijze bak zag staan en dat er looppoten in deze bak vielen vanaf de looppotensnijder. Aan de grijze bak was door middel van een ijzeren beugel een groen plaatje gehangen waarop een categorie 3 aanduiding stond. De toezichthouder zag dat een waterige vloeistof uit de grijze bak naar de vloer lekte. In de renderingsruimte zag de toezichthouder een categorie 3 bak die zo vol was dat er inhoud over de rand kwam en op de grond viel. In de nevenruimte zag de toezichthouder bakken met vlees en pluimveekadavers staan die niet gecategoriseerd waren, aldus het rapport.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de beboetbare feiten heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder zag dat een waterige vloeistof uit een bak voor categorie 3 materiaal op de vloer lekte. Ook zag de toezichthouder bakken met vlees en kadavers die niet gecategoriseerd waren. Uit beide constateringen blijkt voldoende dat beide overtredingen zijn begaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de constateringen van de toezichthouder dat bakken niet gecategoriseerd waren; daarvoor is niet noodzakelijk dat de toezichthouder expliciet beschrijft dat hij alle kanten van de betreffende bakken op identificatie heeft onderzocht.

Boetezaak 201700220

7.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 17 maart 2017 aan eiseres twee boetes opgelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard en twee wijzigingen aangebracht in de feiten die in het primaire besluit worden verweten. Op basis van het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres twee boetes opgelegd van elk € 2.500 voor de volgende twee feiten

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Tijdens de verzameling/opslag werd geen gebruik gemaakt van afgesloten, lekvrije, schone en droge recipiënten voor de verzameling/opslag van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling 1, onder punt 1 en 2, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid van Verordening 1069/2009 overtreden.

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake identificatie van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk II, onder punt 2 van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid van Verordening 1069/2009 overtreden.

7.2.

Eiseres voert aan dat in het rapport van bevindingen een aantal feitelijke constateringen genoemd worden maar dat verweerder niet benoemt welke constatering dragend is. Van de opgenomen constateringen zou slechts de constatering betreffende een grijze bak dragend kunnen zijn voor het tweede beboetbare feit, maar dienaangaande relateert de toezichthouder niet dat hij de bak aan alle zijden heeft bekeken en benoemt hij ook niet de persoonsgegevens van de betrokken medewerker, zodat voor eiseres niet controleerbaar is om welke reden deze medewerker zich verontschuldigd heeft, aldus eiseres.

7.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130558/98221) dat hij zich omstreeks 6.00 uur tijdens een inspectie voor aanvang van het slachten in de renderingsruimte bevond en naast de renderingsmachine twee containers op wieltjes zag staan waarop een “Cat. 2” aanduiding was aangebracht. Naast en onder deze containers zag de toezichthouder categorie 2 materiaal, dat bestond uit veren en slachtafval (strotjes en luchtpijpjes). Ook zag de toezichthouder een niet lekvrije bak met twee categorie 3 aanduidingen en daaronder een gele aanduiding waarop “categorie 2” stond. Zowel aan de binnen- als de buitenkant van de bakken zag de toezichthouder veren. Verder zag de toezichthouder, in een ruimte waar de categorie 2 en categorie 3 bakken staan, een grijze bak met categorie 2 materiaal erin. De ruimte heeft geen koeling. Aan de linkerkant zag de toezichthouder lege containers met categorie 2 aanduiding, met bloed en vleesrestanten aan de binnenzijden en op de bodem. De bakken waren volgens de toezichthouder niet schoon. Verder zag de toezichthouder in de renderingsruimte een blauw schort met bloedresten en andere vuiltjes, zwarte aanslag op een schop die tegen de muur stond en veren en afvalresten op de ontsmettingsmatten. Twee uur later inspecteerde de toezichthouder de renderingsruimte opnieuw en zag hij een grijze bak met slachtafval staan zonder nadere aanduiding. Een medewerker verontschuldigde zich tegenover de toezichthouder dat hij dat vergeten was en bracht een categorie 3 aanduiding aan. In de broei- en plukruimte zag de toezichthouder onder de slachtlijn een grijze bak staan met categorie 3 aanduiding en daarin looppoten en koppen. De toezichthouder zag dat vanuit de goot onder de slachtlijn koppen en looppoten, maar ook water in deze bak viel. De categorie 3 bak was niet waterdicht en het water liep weg naar de vloer, aldus de toezichthouder.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de beboetbare feiten heeft begaan. Uit het rapport van bevindingen en het primaire en bestreden besluit blijkt voldoende wat is geconstateerd en wat eiseres wordt verweten. Het eerste onder 7.1 genoemde feit ziet op het niet gebruiken van afgesloten, lekvrije, schone en droge recipiënten. In het rapport beschrijft de toezichthouder onder meer dat hij in de renderingsruimte een categorie 3 bak zag die niet lekvrij is en in de broei- en plukruimte een categorie 3 bak zag die niet waterdicht was en waaruit water naar de vloer liep. Reeds gelet hierop heeft verweerder terecht het eerste beboetbare feit vastgesteld. Het tweede onder 7.1 genoemde feit betreft de identificatie van dierlijke bijproducten en dienaangaande heeft de toezichthouder beschreven dat hij een grijze bak met slachtafval zag staan zonder nadere aanduiding. Deze constatering is in dit geval reeds voldoende voor vaststelling van de overtreding; de verklaring van de medewerker hierover is daarvoor niet nodig.

Boetezaak 201701336

8.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling en vervoer van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Onverwerkt categorie 3 materiaal, bestemd voor de productie van voedermiddelen of (rauwe) voeders voor gezelschapsdieren, werd niet gekoeld of ingevroren en niet op dezelfde dag waarop het werd verkregen/verzameld in het oorsprong bedrijf, afgevoerd naar een erkende of geregistreerde inrichting (verwerkingsbedrijf). Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling 2, onder punt 2, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid 1, van Verordening 1069/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

8.2.

Eiseres voert aan dat de overtreding niet is bewezen. Aan het boetebesluit is ten grondslag gelegd dat het ging om een dierlijk bijproduct in categorie 3, maar uit het rapport van bevindingen blijkt niet duidelijk hoe de toezichthouder heeft vastgesteld dat het om categorie 3 materiaal ging. Mogelijk heeft de toezichthouder op basis van de inhoud van de bak het product gekwalificeerd als categorie 3 terwijl het feitelijk om categorie 2 materiaal ging, aldus eiseres.

8.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131316/99487) dat hij zich op 27 december 2016 omstreeks 6.15 uur tijdens een reguliere inspectie in de renderingsruimte bevond, voor aanvang van het slachten. Deze ruimte is niet geconditioneerd. De toezichthouder zag hier een categorie 3 bak staan met inhoud. Dit materiaal was niet verwerkt en is bestemd voor de productie van voedermiddelen of voeders voor gezelschapsdieren, aldus de toezichthouder. Ten tijde van zijn inspectie was het slachtproces nog niet aangevangen en op zaterdag 24, zondag 25 en maandag 26 december 2016 is er niet geslacht. De toezichthouder concludeert dat deze bak met categorie 3 materiaal zich dus al meerdere dagen in deze ruimte bevond en dat het onverwerkte categorie 3 materiaal niet onder de vereiste omstandigheden is opgeslagen, aldus het rapport.

8.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan, nu uit het rapport blijkt dat een bak met categorie 3 materiaal enkele dagen in een niet geconditioneerde ruimte heeft gestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de constatering van de toezichthouder dat het om een categorie 3 bak ging met categorie 3 materiaal.

Boetezaak 201700590

9.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres twee boetes van elk € 2.500 opgelegd voor de volgende twee feiten:

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Recipiënten waren niet van identificatie voorzien en tijdens het verzamelen werden niet alle nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong en het vervoer gescheiden en identificeerbaar zijn en blijven. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid 1, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 2, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009 overtreden.

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake verzameling en vervoer van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Tijdens het verzamelen/opslag werd geen gebruik gemaakt van afgesloten recipiënten en voertuigen voor de opslag/verzamelen van dierlijke bijproducten. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk I, Afdeling I, onder punt 1 en 2, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009 overtrede.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

9.2.

Eiseres voert aan dat van overtredingen geen sprake is.

9.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131478/99002) dat hij omstreeks 11.30 uur bij een achteruitgang in de buitenlucht twee stapels bakken met vlees zag staan: een stapel van twee grijze bakken en een stapel van vier groene bakken. De bovenste grijze bak was afgedekt. De toezichthouder zag geen aanduiding op de bakken. In de onderste grijze bak zag hij vlees en in de onderste twee groene bakken ook. Verder zag de toezichthouder dat naast de slachterij een oplegger met categorie 3 sticker zonder trucker stond en dat deze oplegger niet afgedekt was; het zeil was opgerold aan de rechterzijde van de oplegger. Vervolgens zag de toezichthouder dat een medewerker de tweede groene bak met de heftruck pakte en in de oplegger kiepte en ook de andere vier bakken in de oplegger kiepte. Tijdens het leeg kiepen van de bakken vielen er vleesdelen naast de oplegger. De medewerker plaatste de lege bakken aan de achterzijde van het terrein en bij nadere inspectie bleek de toezichthouder dat in een bak nog vleesresten achtergebleven waren die niet afgedekt werden. Ongeveer anderhalf uur later zag de toezichthouder dat het zeil nog opgerold op de rechterkant van de oplegger lag en dat de vleesresten nog naast de oplegger op de grond lagen. Hij zag dat een zwerm meeuwen met enkele reigers boven de oplegger vlogen en op de rand van het gebouw gingen zitten. Nog een uur later was de situatie volgens de toezichthouder niet veranderd; het zeil was nog opgerold. Nu zag de toezichthouder daar een andere grijze bak staan met vlees die gedeeltelijk afgedekt was. Ook stonden op de achterzijde van het terrein nog steeds de groene en grijze bakken met de eerder geconstateerde vleesresten. Op de vraag van de toezichthouder waarom de oplegger niet afgedekt was, antwoordde een medewerker dat hij niet wist dat er vlees in die oplegger gedeponeerd was en dat hij hem direct ging afdekken. Een half uur later zag de toezichthouder dat de oplegger was afgedekt maar dat de vleesresten op de grond ernaast er nog lagen, aldus het rapport.

9.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de beboetbare feiten heeft begaan. In het rapport staat dat de toezichthouder buiten twee stapels bakken met vlees zag staan zonder aanduiding. Hieruit blijkt voldoende dat het eerste onder 9.1 genoemde feit is begaan. Voorts blijkt uit het rapport dat een oplegger, nadat daar vleesdelen in werden gekiept, niet werd afgedekt, en dat er vleesresten naast de oplegger op de grond lagen. Met deze constatering staat ook genoegzaam vast dat eiseres het tweede onder 9.1 genoemde feit heeft overtreden.

Boetezaak 201701733

10.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres twee boetes van elk € 2.500 opgelegd voor de volgende twee feiten:

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Recipiënten waren niet van identificatie voorzien om ervoor te zorgen dat de dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong en het vervoer gescheiden en identificeerbaar zijn en blijven. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk I en II, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009 overtreden.

  • De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten voldeden aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van Bijlage VIII van Verordening 142/2011. Tijdens het verzamelen/opslag werd geen gebruik gemaakt van afgesloten recipiënten voor de opslag/verzamelen van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk I en II, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

10.2.

Eiseres voert aan dat van overtredingen geen sprake is.

10.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 133095/100181) dat hij omstreeks 6.10 uur in de ruimte waar categorie 2 en categorie 3 materiaal wordt opgeslagen (ook wel de renderingsruimte of DBP ruimte genoemd), twee grijze bakken (een grote en een kleine) zag staan met inhoud. De kleine bak was gevuld met onder andere veren en niet uitgehaalde karkassen en zat voor ongeveer een derde vol. De inhoud van de bak was niet afgedekt en op de rand van de bak en ook aan de buitenkant van de bak zaten overal verenresten. Op de bak was geen categorie aanduiding zichtbaar. De toezichthouder heeft de bak van de muur gehaald om te controleren of daar een categorie aanduiding zat maar dat was niet het geval. De grotere bak, ook wel dolav genoemd, was tot de rand gevuld met vloeibare substantie die onder andere bestond uit veren en vleesresten. Ook deze bak en inhoud waren niet afgedekt en een deel van de vloeibare inhoud was over de rand gespoeld en lag naast de bak op de grond, aldus de toezichthouder.

10.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de beboetbare feiten heeft begaan, nu uit het rapport blijkt dat de toezichthouder bakken met dierlijke bijproducten heeft gezien die niet waren afgedekt en niet waren geïdentificeerd.

De boete inzake beknellingen en rugligging bij kuikens in containers (boetezaak 201700429)

11.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 1.500 voor het volgende feit:

  • De vervoerder vervoerde de dieren niet in overeenstemming met de technische voorschriften want de vervoermiddelen, containers en toebehoren zijn niet op zodanige wijze gebruikt dat letsel en onnodig lijden van dieren voorkomen wordt. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 6, derde lid, en Bijlage I, Hoofdstuk II, paragraaf 1, sub 1.1, onder a, Verordening 1/2005 overtrede.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

11.2.

Eiseres voert aan dat het rapport van bevindingen onvoldoende grondslag biedt voor het bewijs dat eiseres de overtreding heeft begaan. D constateringen van de toezichthouder dat er in zojuist geloste containers vleugelbeknellingen en een rugligger zijn aangetroffen, zijn onvoldoende voor het vaststellen van het beboetbare feit, omdat uit die constateringen niet zonder meer volgt dat de vrachtwagen, containers en toebehoren zodanig zijn geconstrueerd of gebruikt dat de vleugelbeknelling en rugligging daardoor is veroorzaakt. Bovendien kan vleugelbeknelling en rugligging ieder moment ontstaan. Voorts is de opmerking van de toezichthoudend dierenarts dat de dieren onnodig hebben moeten lijden op het moment dat zij in de kratten zijn geladen omdat zij bekneld zaten, een gissing die niet op feitelijke waarneming berust, aldus eiseres.

11.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 129253/98802) dat hij omstreeks 6.00 uur in de aanvoerhal een vrachtauto zag staan met oplegger. Het kenteken van de oplegger was [kenteken] en staat volgens de RDW-gegevens op naam van [naam beheermaatschappij] . Een persoon op een heftruck was bezig de oplegger te lossen. De toezichthouder zag geloste containers staan tussen de aanvoerlijn en de voorwasser en inspecteerde deze containers die met de genoemde vrachtauto aangevoerd waren. De toezichthouder zag daarbij drie vleugelbeknellingen en een kuiken dat op de rug lag. Op de vraag van de toezichthouder of hij de containers heeft gecontroleerd op beknellingen en rugliggingen, antwoordde de chauffeur van de truck: “Ja en ik heb al vijf vleugelbeknellingen en twee rugliggingen gezien en gecorrigeerd.” Op de vraag of hij op de slachterij voor of na het lossen de containers heeft gecontroleerd, antwoordde de chauffeur: Nee, hier heb ik niet meer gecontroleerd, ik ben druk bezig om de auto schoon te spuiten. Normaal doen dat de medewerkers van het slachthuis, maar het slachthuis heeft personeelsgebrek.” Toen de toezichthouder de chauffeur de geconstateerde beknellingen en rugliggingen toonde zei de chauffeur: Ja, dat zijn beknellingen die aan de binnenkant zitten en die zie ik niet. Ik kan deze ook niet zien.”, aldus het rapport.

11.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen niet worden afgeleid dat eiseres de gestelde overtreding heeft begaan. De rechtbank leidt uit het rapport van bevindingen en het primaire en bestreden besluit af dat in dit geval de vervoerder een overtreding wordt verweten. Uit het rapport blijkt dat het ging om een oplegger met een kenteken dat op naam stond van [naam beheermaatschappij] , maar als overtreder is aangemerkt [eiseres] In het bestreden besluit is hierover opgemerkt dat het feit dat de vrachtauto op naam van de Beheersmaatschappij staat, niet betekent dat geen sprake is van een overtreding en dat eiseres haar stelling dat de overtreding haar niet kan worden toegerekend niet nader heeft onderbouwd. Het is evenwel in de eerste plaats aan verweerder om vast te stellen dat eiseres als overtreder van het beboetbare feit kan worden aangemerkt. Uit het rapport blijkt dat de betreffende oplegger niet op naam van eiseres stond, terwijl eiseres wel als overtreder is aangemerkt, zonder dat daarvoor een nadere verklaring wordt gegeven. Het is goed denkbaar dat de Beheersmaatschappij en eiseres banden hebben en dat in de praktijk eiseres gebruik maakt van de oplegger van de Beheersmaatschappij, maar het is aan verweerder om dit te onderbouwen, zodat voldoende vast komt te staan dat eiseres als overtreder kan worden aangemerkt. Nu dit niet is gebeurd, heeft verweerder ten onrechte vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan.

Conclusie

12. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in boetezaken 201607046, 201701726, 201700220, 201701336, 201700590 en 201701733 bevoegd was om een boete op te leggen.

13. Eiseres voert aan dat verweerder bij de hoogte van de opgelegde boetes geen rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden. Eiseres ondervindt geen economisch voordeel van de gestelde overtredingen. Daarnaast wordt eiseres, gezien het lik-op-stuk beleid van verweerder financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar belast door het moeten voeren van veel bezwaar- en beroepsprocedures. Ook staat de opeenstapeling van boetebesluiten in geen verhouding tot de financiële positie van het bedrijf, aldus eiseres.

13.1.

De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Wet dieren en Verordening 142/2011 en Verordening 852/2004 gediende doel - bescherming van de dier- en volksgezondheid - staat voorop. De hoogte van de boetes als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder in dit geval de boetebedragen had dienen te matigen. Dat eiseres financiële gevolgen ondervindt, is geen reden om de boetes te matigen. Bovendien is niet gebleken dat eiseres door de hoeveelheid aan opgelegde boetes in financiële problemen is gekomen.

14. De rechtbank concludeert gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen het volgende.

De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van eiseres gegrond en stelt de door verweerder aan eiseres te betalen dwangsom vast op € 8.820,-. Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep gericht tegen het (alsnog genomen) bestreden besluit gegrond omdat niet alle boetezaken overeind blijven. In boetezaken 201607046, 201701726, 201700220, 201701336, 201700590 en 201701733 heeft verweerder wel terecht de boete opgelegd en het bestreden besluit blijft ten aanzien van die zaken dan ook in stand. In boetezaak 201700429 heeft verweerder echter ten onrechte een boete opgelegd, zodat het bestreden besluit ten aanzien van die boetezaak wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf te voorzien in de boetezaak waarin ten onrechte een boete is opgelegd, in die zin dat het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 14 april 2017 gegrond wordt verklaard en dit primaire besluit wordt herroepen. Het voorgaande betekent dat de boete in 201700429 vervalt en dat de boetes in de andere boetezaken in stand blijven.

15. Een vergoeding van het griffierecht door verweerder is hier niet aan orde. Eiseres was alleen in het (inmiddels vervallen) beroep met kenmerk ROT 18/838 griffierecht verschuldigd en niet in de daaruit voortvloeiende tien beroepen, waaronder dit beroep. Voorts is verweerder in de uitspraak op het beroep met kenmerk ROT 18/3138 reeds veroordeeld tot terugbetaling van het één maal door eiseres betaalde griffierecht.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt vast.

16.1.

Voor de proceshandelingen in het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 4 mei 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 0,25 (omdat de zaak is aan te merken als zeer licht aangezien het alleen om de hoogte van de dwangsom gaat). De reiskosten van de directeur van eiseres stelt de rechtbank vast conform het door eiseres opgegeven bedrag van € 50,60. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bewaren van eiseres sprake van samenhang tussen de beroepen met kenmerk ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145, ROT 18/3146, nu het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen één maal door de gemachtigde van eiseres in al deze zaken is ingediend, het geheel gelijktijdig door de rechtbank is behandeld en de inhoud in de zaken op dat punt vrijwel identiek is. De rechtbank zal vanwege die samenhang en nu de directeur van eiseres slechts één maal naar de zitting heeft moeten reizen, dan ook de toe te kennen proceskosten gelijkelijk verdelen over deze negen zaken die op het punt van het niet tijdig beslissen gegrond zijn verklaard. Dit betekent dat in dit beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, de door verweerder te vergoeden proceskosten worden vastgesteld op € 33,46.

16.2.

Ten aanzien van de proceshandelingen in het inhoudelijke beroep gericht tegen het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat toepassing van de zuiver forfaitair bepaalde vergoeding leidt tot een dermate disproportionele vergoeding dat er aanleiding bestaat om deze vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb te matigen. Daartoe is van belang dat dit beroep en de beroepen ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145 en ROT 18/3146, weliswaar niet als samenhangende zaken in de zin van het Bpb kunnen worden aangemerkt, maar wel op onderdelen enige samenhang vertonen ten aanzien van het soort overtreding en een aantal algemene beroepsgronden. Daarnaast zijn al deze beroepen tegelijk op dezelfde zitting behandeld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de forfaitaire toe te kennen vergoeding te halveren. Voor de vaststelling van het forfaitaire bedrag wordt 1 punt toegekend voor de aanvulling van het beroep bij brief van 28 juni 2018 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 8 augustus 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1. Na halvering van dit bedrag komen de te vergoeden kosten voor de rechtsbijstandverlening in dit inhoudelijke deel van het beroep op € 501,-. Ten aanzien van de reiskosten van de directeur van eiseres naar de zitting van 8 augustus 2018 overweegt de rechtbank dat de hiervoor genoemde inhoudelijke beroepen op dezelfde zitting zijn behandeld en hij dus slechts één maal heeft moeten reizen voor de inhoudelijke behandeling van deze beroepen. De rechtbank zal de te vergoeden reiskosten

(€ 50,60) dan ook gelijkelijk verdelen over de negen van de hiervoor genoemde beroepen die gegrond zijn verklaard, wat neerkomt op € 5,62 per zaak. Daarmee komen de totale te vergoeden proceskosten voor het inhoudelijke deel van dit beroep op € 506,62.

16.3.

Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank in dit beroep verweerder in de proceskosten tot een totaalbedrag van € 540,08.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de dwangsom;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 8.820,- is verschuldigd;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op boetezaak 201700429 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 14 april 2017 in boetezaak 201700429;

  • -

    laat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de overige boetezaken in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 540,08.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.