Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7954

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
ROT 18/3144
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2020:370, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetes opgelegd door de NVWA aan een pluimveeslachterij omdat de temperatuur van het water in de sterilisatoren te laag was. Het gaat om een overtreding van punt 3 van Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, van Verordening 853/2004 waarin staat dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten beschikken over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. De rechtbank overweegt onder meer dat verweerder er in beginsel vanuit mag gaan dat eiseres de sterilisatoren gebruikt voor de ontsmetting van gereedschap en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gebruikt maakt van een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 18/3144

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluijter,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij besluiten van 14 april 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder eiseres boetes opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren.

Eiseres heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Op 5 februari 2018 heeft eiseres beroep ingesteld (kenmerk ROT 18/838) tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op deze en andere bezwaren van eiseres. Dit beroep is op 4 mei 2018 behandeld ter zitting.

Bij besluit van 4 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten en deze ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft de rechtbank het beroep niet tijdig met kenmerk ROT 18/838 gesplitst in tien afzonderlijke beroepen gericht tegen tien, alsnog door verweerder genomen, afzonderlijke beslissingen op bezwaar, waarbij het beroep inzake het onderhavige bestreden besluit het zaaknummer ROT 18/3144 heeft gekregen. Omdat de tien afzonderlijke beroepen betrekking hebben op zowel de inhoudelijke beslissingen op bezwaar als op het niet tijdig beslissen door verweerder, is het beroep met kenmerk ROT 18/838 als ten onrechte ingeschreven beschouwd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Dit beroep (ROT 18/3144) is tegelijk behandeld met andere beroepen van eiseres, namelijk ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3145, ROT 18/3146 en ROT 18/3059. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. N. Aamimi.

Overwegingen

1. Het gaat in dit beroep om het niet tijdig beslissen door verweerder op bezwaren van eiseres en om boetes die verweerder aan eiseres heeft opgelegd omdat een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de pluimveeslachterij heeft geconstateerd (kort gezegd) dat de temperatuur van het water in de sterilisatoren te laag was.

De rechtbank zal hierna eerst het niet tijdig beslissen door verweerder bespreken. Daarna zal de rechtbank inhoudelijk ingaan op de boetezaken, waarbij eerst wordt ingegaan op de gronden van eiseres die betrekking hebben op alle boetezaken. Vervolgens zal de rechtbank de boetezaken afzonderlijk bespreken.

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen

2.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tijdig op de bezwaren tegen de primaire besluiten heeft beslist. Weliswaar heeft verweerder alsnog een beslissing op de bezwaren genomen, maar eiseres heeft nog wel belang bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit, omdat eiseres het niet eens is met de hoogte van de dwangsom die door verweerder is toegekend vanwege het niet tijdig beslissen. Nu eiseres nog belang heeft bij haar beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen en verweerder niet tijdig heeft beslist, zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, gegrond verklaren.

2.2.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de door verweerder te betalen dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres een dwangsom van in totaal € 1.260,- toegekend, omdat volgens verweerder sprake is van een dusdanige samenhang tussen de boetebesluiten dat met één maal de maximale dwangsom dient te worden volstaan. Eiseres vindt echter dat verweerder vier maal deze maximale dwangsom moet betalen omdat het in dit beroep gaat om vier afzonderlijke boetezaken waartegen vier afzonderlijke bezwaarschriften zijn ingediend.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat het doel van een dwangsom bij niet tijdig beslissen is het voorkomen (door een effectief rechtsmiddel) van te trage besluitvorming door een bestuursorgaan. Daarmee valt niet te rijmen dat verweerder zelf, door clustering van boetezaken en afdoening van zo’n cluster in één beslissing op bezwaar, invloed zou kunnen uitoefenen op de hoogte van de te betalen dwangsom. Bovendien is de door verweerder aangebrachte clustering van boetezaken in de beslissingen op bezwaar die voortvloeien uit het beroep niet tijdig, zodanig dat van een logische indeling onvoldoende sprake is (meerdere soorten overtredingen per beslissing op bezwaar en soorten overtredingen die in meerdere beslissingen op bezwaar voorkomen). Los van de clustering door verweerder moet worden beoordeeld of de zaken dusdanige samenhang vertonen dat slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd.

2.4.

De rechtbank overweegt dat in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen regel is neergelegd over samenhangende besluiten, alleen over de situatie waarin er meerdere aanvragers zijn. Wel kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat in bijzondere gevallen redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich kan brengen dat bij meerdere aanvragen of besluiten die dusdanige samenhang vertonen, slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat slechts één maal een dwangsom is verschuldigd onder meer verwezen naar uitspraken van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:82), van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:1783) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ((de Afdeling) ECLI:NL:RVS:2014:1870). Naar het oordeel van de rechtbank gaat een vergelijking met die zaken hier evenwel niet op, omdat de door verweerder genoemde zaken verschillen van de zaak van eiseres. In de uitspraken van de Hoge Raad en het Gerechtshof ging het om beschikkingen waarin sprake was van hetzelfde feitencomplex en waartegen bij één geschrift bezwaar was gemaakt. In de uitspraak van de Afdeling ging het om verzoeken van één aanvrager om openbaarmaking van gegevens van 752 voertuigen waarbij die verzoeken inhoudelijk nagenoeg identiek waren (zie ook ter vergelijking ECLI:NL:RVS:2018:2211). Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de boetezaken die in dit beroep aan de orde zijn, niet worden gezegd dat deze eenzelfde feitencomplex hebben of nagenoeg identiek zijn. Weliswaar is een aantal maal voor eenzelfde soort overtreding een boete opgelegd, maar dat neemt niet weg dat afzonderlijke boetebesluiten zijn genomen waaraan afzonderlijke rapporten van bevindingen ten grondslag liggen met een daarin beschreven eigen feitencomplex. Voorts heeft eiseres afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de primaire besluiten. Dat een aantal bezwaargronden daarin overeenkomen, neemt niet weg dat eiseres tegen elk primair besluit afzonderlijk opkomt en argumenten naar voren brengt die in iedere boetezaak afzonderlijk, aan de hand van de beschreven constateringen in het rapport van bevindingen, moeten worden beoordeeld. Bovendien is eiseres in bezwaar ook specifiek op de afzonderlijke rapporten van bevindingen ingegaan. Dit alles maakt dat een beslissing op het bezwaar tegen één van de boetes eiseres nog geen duidelijkheid verschaft over de uitkomst van haar bezwaar tegen de andere boetes, zodat eiseres er belang bij heeft in alle boetezaken afzonderlijk tijdig een beslissing op haar bezwaar te krijgen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zodanige samenhang tussen de verschillende boetezaken in dit beroep dat verweerder slechts gehouden zou zijn om één maal een dwangsom toe te kennen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan verweerder (in de afzonderlijke boetezaken) in het geheel geen dwangsom is verschuldigd. Gesteld noch gebleken is dat bij verweerder sprake was van overmacht en evenmin is gebleken dat het niet tijdig beslissen te wijten is aan eiseres.

2.5.

De rechtbank stelt dan ook ten aanzien van ieder primair besluit afzonderlijk de door verweerder verbeurde dwangsom vast. Niet in geschil is dat gezien het tijdsverloop tussen de ingebrekestelling en het bestreden besluit (meer dan 42 dagen) verweerder de maximale dwangsom verbeurt. De rechtbank stelt de dwangsom vast op € 1.260,- per primair besluit. Dit beroep heeft betrekking op vier primaire besluiten en de totaal door verweerder te betalen dwangsom komt daarmee op € 5.040,-.

Alle boetezaken (inhoudelijk)

3. Eiseres voert ten aanzien van alle boetezaken aan dat de gedane metingen onbetrouwbaar zijn, nu de door de toezichthouders gebruikte thermometer op of omstreeks 28 november 2016 geijkt is en bij herijking op of omstreeks 28 maart 2017 vanwege ondeugdelijkheid buiten gebruik is gesteld. De metingen zijn in de tussenliggende periode verricht, aldus eiseres.

3.1.

De rechtbank overweegt dat de stelling (die eiseres overigens niet heeft onderbouwd) dat de gebruikte thermometer op of omstreeks 28 maart 2017 buiten gebruik is gesteld, niet tot het oordeel leidt dat niet van de juistheid van metingen in een periode vóór de herijking (op 23 december 2016, 5 januari 2017, 6 januari 2017 en 9 januari 2017) mag worden uitgegaan. Niet is gebleken dat de thermometer ten tijde van de metingen onbetrouwbaar was.

4. Eiseres voert verder ten aanzien van alle boetezaken aan dat feitelijk slechts is vastgesteld dat eiseres bij de inspectie niet beschikte over voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van tenminste 82 ⁰C, maar dat verweerder dient te bewijzen dat eiseres ook niet beschikte over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Subsidiair stelt eiseres dat zij een alternatief gelijkwaardig systeem heeft en verwijst zij naar haar protocol [kenmerk] dat voorziet in een dagelijkse messencontrole, waarbij messen dagelijks bij uitgifte worden gecontroleerd op reinheid en beschadiging en dagelijks bij inname eveneens worden gecontroleerd op beschadiging en worden gereinigd en gedesinfecteerd.

4.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder in deze boetezaken een overtreding heeft vastgesteld van punt 3 van Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004). Daarin staat dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten beschikken over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Voor het mogen opleggen van de boete moet in voldoende mate vast staan dat eiseres hier niet aan voldoet. Indien de toezichthouder constateert dat eiseres gebruik maakt van sterilisatoren met heet water waarin messen worden gezet, dan mag verweerder er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel van uitgaan dat eiseres die sterilisatoren gebruikt om gereedschap te ontsmetten. Tenzij uit de feiten en omstandigheden van een zaak anderszins blijkt, mag verweerder er dan ook van uitgaan dat dit het enige systeem voor ontsmetting van het gereedschap van eiseres is, en is verweerder niet op voorhand gehouden ook nog te onderzoeken of, en aan te tonen dat, eiseres geen gelijkwaardig alternatief voor ontsmetting heeft. Als eiseres stelt dat naast dit ontsmettingssysteem er nog een andere methode is waarmee zij het gereedschap ontsmet, dan is het ook aan haar om dat te onderbouwen. In dit geval heeft eiseres gesteld dat zij een alternatief gelijkwaardig systeem heeft, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft verwezen naar protocol [kenmerk] . Dit betreft een formulier waarop wordt ingevuld hoeveel messen in de ochtend zijn uitgedeeld en in de middag weer zijn ingenomen en hoeveel messen na inname zijn gereinigd en gedesinfecteerd. Voorts staat onder meer op het formulier: “Frequentie: De messencontrole wordt dagelijks uitgevoerd door de afdelingschef. De messen worden geteld bij uitgifte en inname. Na inname worden de messen gereinigd en gedesinfecteerd. Uitvoering: Voor uitgifte messen controleren op reinheid en beschadiging. Bij inname messen controleren op beschadiging.” Weliswaar kan uit dit formulier worden afgeleid dat eiseres een protocol heeft voor controle van de messen op aantal, reinheid en beschadiging en staat er op het formulier dat messen worden gereinigd en gedesinfecteerd, maar daaruit kan niet worden afgeleid welke voorziening eiseres heeft om gereedschap te ontsmetten. Duidelijk moet zijn op welke wijze eiseres het gereedschap ontsmet, zodat kan worden beoordeeld of eiseres beschikt over een alternatief systeem van ontsmetten met een gelijkwaardig effect als ontsmetting met heet water van ten minste 82 °C. Eiseres heeft hierover echter geen duidelijkheid verschaft. Zij heeft niet uiteengezet op welke wijze zij (naast de sterilisatoren met heet water) het gereedschap ontsmet. Aan de hand van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank in de individuele boetezaken beoordelen of verweerder terecht een overtreding heeft vastgesteld.

Boetezaak 201701732

5.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft er niet voor gezorgd dat het gereedschap waarmee pluimvee wordt geslacht, ontsmet werd met heet water van ten minste 82 ⁰C of met een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

5.2.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130784/100175) dat hij zich in de aanvoerhal bij het waterbad bevond en op de door de NVWA ter beschikking gestelde thermometer zag dat de temperatuur van het water in beide sterilisatoren bij de aansnijders 35 ⁰C respectievelijk 30 ⁰C aangaf. Ook zag de toezichthouder dat de derde sterilisator ongeveer voor de helft gevuld was met water, terwijl er wel twee messen in stonden. De toezichthouder concludeert dat het slachthuis niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 ⁰C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect, aldus het rapport.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat eiseres gebruik maakte van drie sterilisatoren met water en dat daar messen in stonden. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, staat daarmee voldoende vast dat eiseres gebruik maakte van een systeem van ontsmetting met heet water. Voorts is niet gebleken van een door eiseres gebruikt alternatief systeem; ook uit het rapport kan dit niet worden afgeleid. Nu de temperatuur van het water aanzienlijk lager was dan in Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 is voorgeschreven, heeft verweerder terecht de overtreding vastgesteld.

Boetezaak 201700424

6.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft er niet voor gezorgd dat het gereedschap waarmee pluimvee wordt geslacht, ontsmet werd met heet water van ten minste 82 ⁰C of met een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

6.2.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130998/98672) dat hij zich omstreeks 6.35 uur in de afdeling aanvoer, ter hoogte van de sterilisatoren bij het elektrisch waterbad bevond en zag, met behulp van een door de NVWA ter beschikking gestelde thermometer, dat de gecontroleerde sterilisatoren, de eerste en derde geteld na het waterbad, respectievelijk een temperatuur van 43,8 en 66,3 ⁰C hadden. Later, omstreeks 11.05 uur heeft de toezichthouder de eerste sterilisator na het waterbad nogmaals gecontroleerd en de temperatuur was opnieuw te laag, namelijk 63,3 ⁰C. De toezichthouder beschrijft dat hij zag dat beide sterilisatoren op de momenten van metingen werden gebruikt door de medewerkers. De toezichthouder concludeert dat het slachthuis niet beschikt over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 ⁰C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect, aldus het rapport.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat eiseres gebruik maakte van drie sterilisatoren en dat op het moment van de metingen deze door de medewerkers werden gebruikt. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen staat daarmee voldoende vast dat eiseres gebruik maakte van een systeem van ontsmetting met heet water. Voorts is niet gebleken van een door eiseres gebruikt alternatief systeem; ook uit het rapport kan dit niet worden afgeleid. Nu de temperatuur van het water op twee momenten lager was dan in Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 is voorgeschreven, heeft verweerder terecht de overtreding vastgesteld.

Boetezaak 201700505

7.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft er niet voor gezorgd dat het gereedschap waarmee pluimvee wordt geslacht, ontsmet werd met heet water van ten minste 82 ⁰C of met een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

7.2.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131127/98710) dat hij zich omstreeks 8.35 uur in de aanvoerruimte bij de drie aansnijders bevond en met een door de NVWA gekalibreerde thermometer de temperatuur van het water heeft gemeten in de drie sterilisatoren waar de aansnijders hun mes inzetten na het gebruik. Op de thermometer las de toezichthouder bij de eerste sterilisator een temperatuur van 73,5 ⁰C, bij de tweede sterilisator 70 ⁰C en bij de derde sterilisator 75 ⁰C. Omstreeks 10.00 uur heeft de toezichthouder de meting herhaald en waarden van respectievelijk 72 ⁰C, 69 ⁰C en 65 ⁰C gemeten bij dezelfde drie sterilisatoren. Omstreeks 14.00 uur heeft de toezichthouder de chef aanvoer aangesproken waarop de chef antwoordde: “Is dat nu alweer niet goed? Snappen zij nog steeds niet dat zij erop moeten letten dat de temperatuur van [het] water in de sterilisatoren goed moet zijn. Ik zal er achteraan gaan.” Omstreeks 15.15 uur heeft de toezichthouder de meting nogmaals herhaald en nu gaf de thermometer de volgende waarden aan: 84 ⁰C, 86 ⁰C en 94 ⁰C. De toezichthouder concludeert dat het slachthuis niet beschikt over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 ⁰C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect, aldus het rapport.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat eiseres gebruik maakte van drie sterilisatoren waar de aansnijders hun mes inzetten na gebruik. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, staat daarmee voldoende vast dat eiseres gebruik maakte van een systeem van ontsmetting met heet water. Voorts is niet gebleken van een door eiseres gebruikt alternatief systeem; ook uit het rapport kan dit niet worden afgeleid. Daarbij zij opgemerkt dat de verklaring van de chef Aanvoer erop wijst dat het bij de slachterij ook de bedoeling is dat de sterilisatoren de in Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 temperatuur hebben. Nu de temperatuur van het water in de sterilisatoren lager was dan 82 ⁰C heeft verweerder terecht de overtreding vastgesteld.

Boetezaak 201700540

8.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft er niet voor gezorgd dat het gereedschap waarmee pluimvee wordt geslacht, ontsmet werd met heet water van ten minste 82 ⁰C of met een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

8.2.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131348/98704) dat hij zich in de afdeling aanvoer ter hoogte van de sterilisatoren bij het elektrisch waterbad bevond en zag, met behulp van een door de NVWA ter beschikking gestelde gekalibreerde thermometer, dat de gecontroleerde sterilisatoren, de eerste en derde geteld na het waterbad, respectievelijk een temperatuur hadden van 66,8 ⁰C en 63,3 ⁰C. De toezichthouder beschrijft dat hij zag dat beide sterilisatoren op het moment van de metingen werden gebruikt door de medewerkers. De toezichthouder concludeert dat het slachthuis niet beschikt over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 ⁰C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect, aldus het rapport.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat eiseres gebruik maakte van drie sterilisatoren met water en dat in elk geval twee sterilisatoren op het moment van de metingen werden gebruikt door de medewerkers. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, staat daarmee voldoende vast dat eiseres gebruik maakte van een systeem van ontsmetting met heet water. Voorts is niet gebleken van een door eiseres gebruikt alternatief systeem; ook uit het rapport kan dit niet worden afgeleid. Nu de temperatuur van het water lager was dan in Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, punt 3, van Verordening 853/2004 is voorgeschreven, heeft verweerder terecht de overtreding vastgesteld.

Conclusie

9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in alle boetezaken bevoegd was om een boete op te leggen.

10. Eiseres voert aan dat verweerder bij de hoogte van de opgelegde boetes geen rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden. Eiseres ondervindt geen economisch voordeel van de gestelde overtredingen. Daarnaast wordt eiseres, gezien het lik-op-stuk beleid van verweerder financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar belast door het moeten voeren van veel bezwaar- en beroepsprocedures. Ook staat de opeenstapeling van boetebesluiten in geen verhouding tot de financiële positie van het bedrijf, aldus eiseres.

10.1.

De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Verordening 853/2004 gediende doel - bescherming van de volksgezondheid - staat voorop. De hoogte van de boetes als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder in dit geval de boetebedragen had dienen te matigen. Dat eiseres financiële gevolgen ondervindt, is geen reden om de boetes te matigen. Bovendien is niet gebleken dat eiseres door de hoeveelheid aan opgelegde boetes in financiële problemen is gekomen.

11. De rechtbank concludeert gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen het volgende. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van eiseres gegrond en stelt de door verweerder aan eiseres te betalen dwangsom vast op € 5.040,-. De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het (alsnog genomen) bestreden besluit ongegrond omdat verweerder in alle boetezaken terecht een boete heeft opgelegd.

12. Een vergoeding van het griffierecht door verweerder (vanwege de gegrondverklaring van het beroep niet tijdig) is hier niet aan orde. Eiseres was alleen in het (inmiddels vervallen) beroep met kenmerk ROT 18/838 griffierecht verschuldigd en niet in de daaruit voortvloeiende tien beroepen, waaronder dit beroep. Voorts is verweerder in de uitspraak op het beroep met kenmerk ROT 18/3138 reeds veroordeeld tot terugbetaling van het één maal door eiseres betaalde griffierecht.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt vast. Voor de proceshandelingen in het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 4 mei 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 0,25 (omdat de zaak is aan te merken als zeer licht aangezien het alleen om de hoogte van de dwangsom gaat). De reiskosten van de directeur van eiseres stelt de rechtbank vast conform het door eiseres opgegeven bedrag van € 50,60. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bewaren van eiseres sprake van samenhang tussen de beroepen met kenmerk ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145, ROT 18/3146, nu het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen één maal door de gemachtigde van eiseres in al deze zaken is ingediend, het geheel gelijktijdig door de rechtbank is behandeld en de inhoud in de zaken op dat punt vrijwel identiek is. De rechtbank zal vanwege die samenhang en nu de directeur van eiseres slechts één maal naar de zitting heeft moeten reizen, dan ook de toe te kennen proceskosten gelijkelijk verdelen over deze negen zaken, wat betekent dat in dit beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, de door verweerder te vergoeden proceskosten worden vastgesteld op € 33,46.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, gegrond;

  • -

    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de hoogte van de in het bestreden besluit vastgesteld dwangsom, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de dwangsom;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 5.040,- is verschuldigd;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover dat ziet op de boetebesluiten 201701732, 201700424, 201700505 en 201700540 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 33,46,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.