Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7953

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
ROT 18/3145
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2020:371, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetes opgelegd door de NVWA aan een pluimveeslachterij omdat een toezichthouder heeft geconstateerd dat het niet schoon was op de slachterij. De rechtbank overweegt onder meer dat niet hoeft vast te staan dat de (niet schone) apparatuur en artikelen met voedsel in aanraking zijn gekomen; dat volgt niet uit de tekst van punt 1, aanhef en onder a, van Hoofdstuk V, Bijlage III, van Verordening 852/2004. Daarnaast overweegt de rechtbank dat voor het vaststellen van een overtreding voldoende duidelijk moet zijn dat het schoonmaakproces en de controle daarop door de slachterij afgerond is op het moment dat de toezichthouder constateert dat het bedrijf niet schoon is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 18/3145

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluijter,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij besluiten van 24 februari 2017, 14 april 2017 en 12 mei 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder eiseres boetes opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren.

Eiseres heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Op 5 februari 2018 heeft eiseres beroep ingesteld (kenmerk ROT 18/838) tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op deze en andere bezwaren van eiseres. Dit beroep is op 4 mei 2018 behandeld ter zitting.

Bij besluit van 3 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten en deze bezwaren ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft de rechtbank het beroep niet tijdig met kenmerk ROT 18/838 gesplitst in tien afzonderlijke beroepen gericht tegen tien, alsnog door verweerder genomen, afzonderlijke beslissingen op bezwaar, waarbij het beroep inzake het onderhavige bestreden besluit het zaaknummer ROT 18/3145 heeft gekregen. Omdat de tien afzonderlijke beroepen betrekking hebben op zowel de inhoudelijke beslissingen op bezwaar als op het niet tijdig beslissen door verweerder, is het beroep met kenmerk ROT 18/838 als ten onrechte ingeschreven beschouwd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Dit beroep (ROT 18/3145) is tegelijk behandeld met andere beroepen van eiseres, namelijk ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3146 en ROT 18/3059. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. N. Aamimi.

Overwegingen

1. Het gaat in dit beroep om het niet tijdig beslissen door verweerder op bezwaren van eiseres en om boetes die verweerder aan eiseres heeft opgelegd omdat een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de pluimveeslachterij heeft geconstateerd (kort gezegd) dat het niet schoon was op het bedrijf van eiseres. De rechtbank zal hierna eerst het niet tijdig beslissen door verweerder bespreken. Daarna zal de rechtbank inhoudelijk ingaan op de boetezaken, waarbij eerst wordt ingegaan op de gronden van eiseres die betrekking hebben op alle boetezaken. Vervolgens zal de rechtbank de boetezaken afzonderlijk bespreken, waarbij wordt ingegaan op de gronden die specifiek op de betreffende boetezaak zien.

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen

2.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tijdig op de bezwaren tegen de primaire besluiten heeft beslist. Weliswaar heeft verweerder alsnog een beslissing op de bezwaren genomen, maar eiseres heeft nog wel belang bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit, omdat eiseres het niet eens is met de hoogte van de dwangsom die door verweerder is toegekend vanwege het niet tijdig beslissen. Nu eiseres nog belang heeft bij haar beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen en verweerder niet tijdig heeft beslist, zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, gegrond verklaren.

2.2.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de door verweerder te betalen dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres een dwangsom van in totaal € 1.260,- toegekend, omdat volgens verweerder sprake is van een dusdanige samenhang tussen de boetebesluiten dat met één maal de maximale dwangsom dient te worden volstaan. Eiseres vindt echter dat verweerder elf maal deze maximale dwangsom moet betalen omdat het in dit beroep gaat om elf afzonderlijke boetezaken waartegen elf afzonderlijke bezwaarschriften zijn ingediend.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat het doel van een dwangsom bij niet tijdig beslissen is het voorkomen (door een effectief rechtsmiddel) van te trage besluitvorming door een bestuursorgaan. Daarmee valt niet te rijmen dat verweerder zelf, door clustering van boetezaken en afdoening van zo’n cluster in één beslissing op bezwaar, invloed zou kunnen uitoefenen op de hoogte van de te betalen dwangsom. Bovendien is de door verweerder aangebrachte clustering van boetezaken in de beslissingen op bezwaar die voortvloeien uit het beroep niet tijdig, zodanig dat van een logische indeling onvoldoende sprake is (meerdere soorten overtredingen per beslissing op bezwaar en soorten overtredingen die in meerdere beslissingen op bezwaar voorkomen). Los van de clustering door verweerder moet worden beoordeeld of de zaken dusdanige samenhang vertonen dat slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd.

2.4.

De rechtbank overweegt dat in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen regel is neergelegd over samenhangende besluiten, alleen over de situatie waarin er meerdere aanvragers zijn. Wel kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat in bijzondere gevallen redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich kan brengen dat bij meerdere aanvragen of besluiten die dusdanige samenhang vertonen, slechts één maal een dwangsom wordt verbeurd. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat slechts één maal een dwangsom is verschuldigd onder meer verwezen naar uitspraken van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:82), van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:1783) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ((de Afdeling) ECLI:NL:RVS:2014:1870). Naar het oordeel van de rechtbank gaat een vergelijking met die zaken hier evenwel niet op, omdat de door verweerder genoemde zaken verschillen van de zaak van eiseres. In de uitspraken van de Hoge Raad en het Gerechtshof ging het om beschikkingen waarin sprake was van hetzelfde feitencomplex en waartegen bij één geschrift bezwaar was gemaakt. In de uitspraak van de Afdeling ging het om verzoeken van één aanvrager om openbaarmaking van gegevens van 752 voertuigen waarbij die verzoeken inhoudelijk nagenoeg identiek waren (zie ook ter vergelijking ECLI:NL:RVS:2018:2211). Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de boetezaken die in dit beroep aan de orde zijn, niet worden gezegd dat deze eenzelfde feitencomplex hebben of nagenoeg identiek zijn. Weliswaar is een aantal maal voor eenzelfde soort overtreding een boete opgelegd, maar dat neemt niet weg dat afzonderlijke boetebesluiten zijn genomen waaraan afzonderlijke rapporten van bevindingen ten grondslag liggen met een daarin beschreven eigen feitencomplex. Voorts heeft eiseres afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de primaire besluiten. Dat een aantal bezwaargronden daarin overeenkomen, neemt niet weg dat eiseres tegen elk primair besluit afzonderlijk opkomt en argumenten naar voren brengt die in iedere boetezaak afzonderlijk, aan de hand van de beschreven constateringen in het rapport van bevindingen, moeten worden beoordeeld. Bovendien is eiseres in bezwaar ook specifiek op de afzonderlijke rapporten van bevindingen ingegaan. Dit alles maakt dat een beslissing op het bezwaar tegen één van de boetes, eiseres nog geen duidelijkheid verschaft over de uitkomst van haar bezwaar tegen de andere boetes, zodat eiseres er belang bij heeft in alle boetezaken afzonderlijk, tijdig een beslissing op haar bezwaar te krijgen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zodanige samenhang tussen de verschillende boetezaken in dit beroep dat verweerder slechts gehouden zou zijn om één maal een dwangsom toe te kennen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan verweerder (in de afzonderlijke boetezaken) in het geheel geen dwangsom is verschuldigd. Gesteld noch gebleken is dat bij verweerder sprake was van overmacht en evenmin is gebleken dat het niet tijdig beslissen te wijten is aan eiseres.

2.5.

De rechtbank stelt dan ook ten aanzien van ieder primair besluit afzonderlijk de door verweerder verbeurde dwangsom vast. Niet in geschil is dat gezien het tijdsverloop tussen de ingebrekestelling en het bestreden besluit (meer dan 42 dagen) verweerder de maximale dwangsom verbeurt. De rechtbank stelt de dwangsom vast op € 1.260,- per primair besluit. Dit beroep heeft betrekking op elf primaire besluiten en de totaal door verweerder te betalen dwangsom komt daarmee op € 13.860,-.

Alle boetezaken (inhoudelijk)

3. Eiseres voert ten aanzien van alle boetezaken aan dat het voorschrift van punt 1, aanhef en onder a, van Hoofdstuk V, Bijlage II, van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening 852/2004) spreekt over artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen en over het afdoende schoonmaken en zo nodig ontsmetten hiervan. Verweerder dient dus te bewijzen dat de betreffende artikelen en apparatuur in aanraking met voedsel zijn gekomen. Ook dient verweerder dus te motiveren waarom geen sprake is van afdoende schoonmaken en ontsmetten en te bewijzen en te motiveren dat door de constatering niet elk gevaar van verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

3.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder in deze zaken eiseres overtreding verwijt van punt 1, aanhef en onder a, van Hoofdstuk V, Bijlage III, van Verordening 852/2004, waarin staat: “Alle artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen moeten afdoende worden schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden.” Naar het oordeel van de rechtbank dient dit aldus te worden gelezen dat het gaat om artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur waarvan aannemelijk is dat die met voedsel in aanraking zullen komen; dat normaal gesproken deze artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur bij eiseres in haar proces in aanraking met voedsel komen. De lezing van eiseres dat het enkel gaat om artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die in aanraking met voedsel zijn gekomen, acht de rechtbank te beperkt. Uit de tekst van punt 1, aanhef en onder a, van Hoofdstuk V, Bijlage III, van Verordening 852/2004 kan dit niet worden opgemaakt en ook gezien de andere onderdelen van punt 1 (b, c en d), die zien op de constructie en installatie, kan de aanhef van punt 1 niet louter betrekking hebben op artikelen, uitrustingsstukken en appratuur die reeds met voedsel in aanraking zijn gekomen. Anders dan eiseres stelt hoeft verweerder dus niet te bewijzen dat de artikelen die volgens de toezichthouder niet schoon waren, met voedsel in aanraking zijn geweest of op het moment van de constatering met voedsel in aanraking kwamen. Wel dient uit het rapport van bevindingen afdoende te blijken dat het ging om artikelen die in het proces van eiseres normaal gesproken in aanraking komen met voedsel. Voorts volgt uit punt 1, aanhef en onder a, van Hoofdstuk V, Bijlage III, van Verordening 852/2004 dat het schoonmaken en ontsmetten zodanig moet gebeuren dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Of artikelen niet (goed) schoongemaakt waren, dient te blijken uit de constateringen die in het rapport van bevindingen zijn beschreven. Anders dan eiseres lijkt te stellen, hoeft verweerder niet in elke zaak afzonderlijk te motiveren dat niet elk gevaar van verontreiniging is vermeden; feitelijke vaststellingen over aangetroffen verontreinigingen kunnen reeds afdoende zijn om voldoende vaststaand te achten dat niet elk gevaar van verontreiniging is vermeden. Zo blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit een constatering van bloed-, vet- of vleesresten op artikelen, waarvan aannemelijk is dat die resten niet afkomstig zijn van het voedsel dat op dat moment met de artikelen in aanraking komt, afdoende dat niet elk gevaar op verontreiniging is vermeden. Indien eiseres desondanks stelt dat geen gevaar voor verontreiniging aanwezig was, ligt het op haar weg om dat aannemelijk te maken, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank stelt vast dat eiseres in de onderhavige zaken niet heeft betwist dat de betreffende apparatuur, uitrustingsstukken en artikelen niet schoon waren.

4. Eiseres voert daarnaast aan dat in de meeste boetezaken door de toezichthouder constateringen zijn gedaan over niet schone apparatuur, op het moment dat het slachtproces nog niet was aangevangen. De toezichthouder heeft niet gecontroleerd of de afdeling vrijgegeven was voor productie, wat gebeurt op basis van visuele inspectie door de operator en parafering daarvan door de operator op het werkformulier [kenmerk] aldus eiseres.

4.1.

De rechtbank overweegt dat in dit geval voor de vaststelling van de overtredingen wel voldoende duidelijk moet zijn dat het schoonmaakproces was afgerond en dat eiseres de niet schone apparatuur opnieuw zou gaan gebruiken in het slachtproces. Ter zitting heeft de directeur van eiseres uiteengezet dat hij een extern schoonmaakbedrijf heeft ingehuurd dat in de avond, na de productie, het bedrijf van eiseres schoonmaakt, dat vervolgens medewerkers van eiseres de volgende ochtend (rond 5.00 uur) beginnen met een controle van die schoonmaak en indien nodig achtergebleven vuil verwijderen, en dat die controle wordt aangetekend op een formulier. Ook heeft de directeur van eiseres ter zitting aangegeven dat de aanvoerafdeling rond 6.00 uur wordt vrijgegeven, dat het slachtproces rond 6.15 uur start en dat de inpakafdeling rond 7.10 uur begint. Verweerder heeft dit door de directeur van eiseres beschreven werkproces niet betwist. Gezien dit werkproces is dus van belang dat uit het rapport van bevindingen voldoende duidelijk wordt dat constateringen van vuil door de toezichthouder in de vroege ochtend, zijn gedaan nadat eiseres zelf een controle op de schoonmaak heeft uitgevoerd en de afdeling heeft vrijgegeven voor productie. Dan staat immers voldoende vast dat de vuile artikelen en apparatuur niet meer zouden worden schoongemaakt en met het vuil zouden worden gebruikt in het slachtproces, waardoor gevaar van verontreiniging niet wordt vermeden. Daarnaast kan ook op andere wijze blijken dat de vuile apparatuur in het slachtproces wordt gebruikt of zal worden gebruikt, namelijk indien uit het rapport van bevindingen kan worden afgeleid dat op het moment van de constateringen door de toezichthouder eiseres reeds de afdeling heeft vrijgegeven voor productie of dat de productie feitelijk reeds aan de gang was, dan wel indien uit het rapport van bevindingen blijkt dat het vuil dusdanig was dat kan worden geconcludeerd dat het er al langere tijd zat en dat de betreffende apparatuur met dit vuil dus al in de periode voorafgaande aan de constateringen door de toezichthouder in het slachtproces moet zijn gebruikt. Of het een en ander afdoende uit de rapporten van bevindingen blijkt, zal hierna per boetezaak worden besproken.

Boetezaak 201605362

5.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 24 februari 2017 aan eiseres twee boetes opgelegd van respectievelijk € 5.000 en € 2.500 voor de volgende twee feiten:

  • De bedrijfsruimten voor levensmiddelen waren niet schoon en goed onderhouden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk I, punt 1, van Verordening 852/2004 overtreden.

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

5.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder constateringen heeft gedaan voordat het slachtproces was aangevangen en dat de toezichthouder niet heeft gecontroleerd of de afdeling vrijgegeven was voor productie. De toezichthouder heeft niet feitelijk vastgesteld dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in aanraking zijn gekomen met voedsel, aldus eiseres.

5.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 127594/95658) dat hij, naar aanleiding van een her-inspectie, vanwege een eerder door de NVWA genomen maatregel, zich omstreeks 05:00 uur in de inpak/delenhal bevond en zag dat er wederom op verschillende plekken op de vloer en in een afvoergoot vleesresten aanwezig waren. Ook zag de toezichthouder op meerdere machines met snijbladen, die gebruikt worden om het hele karkas te portioneren in kleinere stukken, restanten vlees- en bloedresten zitten en bij twee andere machines veel restanten zitten tussen het snijblad en de beschermkap die om het snijblad zit. Daarnaast zag de toezichthouder dat op in elk geval twee rollerbanen nog bloedresten zaten. Op de rolwieltjes, welke de bakjes met de borstfilets vervoeren zag hij op meerdere wieltjes nog grote stukken vlees dan wel vetresten zitten en hij zag dat er in meerdere bakjes nog spoelwater aanwezig was. Op verschillende blauw/witte kratten, waar direct het naakte product in gelegd wordt, zaten volgens de toezichthouder nog vlees-, vet- en/of bloedresten en op rolkarren die gebruikt worden om dozen of kratten met pluimveevlees te vervoeren zaten op meerdere plekken nog vleesresten. Voorts zag de toezichthouder op een snijplank nog een vlees- of vetrestant, op een metalen standaard, waar kratten op gezet worden, meerdere stukjes vlees dan wel vet, en in een van de twee mengtrommels, die gebruikt worden om de karkassen te kruiden, nog restanten vlees en kruiden. De recipiënten die gebruikt worden om vlees in op te vangen (de grijze dolavs) waren volgens de toezichthouder niet schoon en droog voor gebruik en verdeeld over de inpak waren er verschillende onderdelen van machines waar ook nog vlees-, bloed- en/of vetresten op aanwezig waren. De toezichthouder concludeert dat de bedrijfsruimte niet schoon was voor aanvang van de werkzaamheden ondanks meerdere waarschuwingen en opmerkingen dat er een her-inspectie zou volgen. De toezichthouder zag dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtreding is begaan. Weliswaar blijkt uit het rapport dat de toezichthouder vlees-, bloed en vetresten heeft geconstateerd op onder meer de vloer, machines, rollerbanen en kratten, maar deze constateringen zijn om 5.00 uur ’s ochtends gedaan en uit het rapport kan niet worden afgeleid of eiseres zelf reeds een controle op de schoonmaak had verricht en de afdeling had vrijgegeven voor productie. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen onder 4.1 is overwogen.

Boetezaak 201700140

6.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

6.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder niet heeft vastgesteld dat onvoldoende gereinigde kratten in aanraking gekomen zijn met voedsel. Evenmin bewijzen zijn bevindingen dat niet elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

6.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 130535/98220) dat hij zich omstreeks 10:15 uur in de uitsnijderij/inpakafdeling bevond en zag dat in deze hal mensen bezig waren met het verwerken van pluimveekarkassen. De toezichthouder zag op verschillende plaatsen vleeskratten staan, die aan de ene helft een witte kleur en de andere helft een blauwe kleur hadden. Deze blauwwitte kratten werden gebruikt voor opslag van vers pluimveevlees. De toezichthouder zag dat de kratten gevuld werden met pluimveevlees en dat bij enkele machines deze kratten klaar stonden om gevuld te worden met vers pluimveevlees. Ook zag hij naast deze machines volle kratten staan gevuld met vers pluimveevlees. Verder zag de toezichthouder dat op enkele andere plaatsen mensen bezig waren snijhandelingen aan pluimveekarkassen en/of delen van pluimveekarkassen te verrichten en dat deze mensen de bewerkte pluimveekarkassen in de blauwwitte kratten deponeerden. De toezichthouder heeft ongeveer op zes plaatsen stapels lege blauwwitte kratten in de uitsnijderij geïnspecteerd en hij zag aan de buitenkant van deze blauwwitte vleeskratten bloedvlekken en vleesrestanten. Aan de binnenzijde van minstens vier kratten van elke stapel zag hij bloedvlekken en vleesrestanten aan de binnenzijde van. De toezichthouder stelt vast dat de blauwwitte kratten niet schoon waren voor opslag van vers vlees van pluimvee. De toezichthouder zag dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Uit het rapport blijkt dat het ging om kratten die werden gebruikt voor de opslag van vers pluimveevlees en dat de toezichthouder ook zag dat de kratten met pluimveevlees werden gevuld. Daaruit blijkt afdoende dat de kratten zijn aan te merken als artikelen die met voedsel in aanraking komen. Voorts staat in voldoende mate vast dat de betreffende kratten vuil waren en gebruikt werden dan wel klaar stonden om gebruikt te gaan worden in het slachtproces. Ook volgt uit het rapport dat de productie op de betreffende afdeling in gang was. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat artikelen die met voedsel in aanraking komen niet afdoende waren schoongemaakt en dat daardoor niet elk gevaar van verontreiniging werd vermeden.

Boetezaak 201700871

7.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

7.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder constateringen heeft gedaan voordat het slachtproces was aangevangen en dat de toezichthouder niet heeft gecontroleerd of de afdeling vrijgegeven was voor productie. De toezichthouder heeft niet feitelijk vastgesteld dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in aanraking zijn gekomen met voedsel. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

7.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131313/99404) dat hij zich omstreeks 05:30 uur tijdens zijn inspectie voor aanvang van het slachten in de aanvoerhal bevond en de kantelaar inspecteerde. De toezichthouder zag dat de flappen in de kantelaar gerafeld waren en aangekoekte darminhoud op de flappen. Ook zag hij op de transportband in de kantelaar vuilrestanten en aan de binnenkant van de aanvoergang naar de carrousel aangekoekte resten darminhoud. In het laatste deel van de aanvoergang zag de toezichthouder op de transportband naar de carrousel onder de afzuiger een hoopje los droog vuil liggen, wat direct onder de afzuiger lag en in het afzuigkanaal zag hij nog meer los droog vuil liggen. Rond de carrousel stonden witte bakken en de toezichthouder zag aan de binnenkant van deze witte cat. 2 bakken aangekoekt vuil. Ook zag de toezichthouder dat schorten en jassen die in de opslag bij de carrousel hingen niet schoon waren. In de broei/plukruimte zag de toezichthouder op de eerste aanhanger groene aanslag, aan de trolleys van de slachtlijn veerrestanten en groene aanslag en op de transport band van de eerste overhanger naar panklaar een groenachtige aanslag. Verder zag de toezichthouder in de afdeling panklaar een grijze bak, gereed voor opslag van vers vlees, staan die aan de binnenkant niet schoon was. Op dit moment was het slachtproces volgens de toezichthouder nog niet begonnen. Ook zag hij in de afdeling panklaar in enkele machines, waaronder de aarsboor, opensnijder en uithaler, een groene aanslag; deze machines staan in direct contact met de pluimveekarkassen. Ongeveer een half uur later zag de toezichthouder in de uitsnijderij/inpakafdeling op verschillende plaatsen groene kratten staan, die gebruikt worden voor opslag van vers vlees, en aan de buitenkant van deze bakken zat een schimmelachtige aanslag (zwart/witte kleur). Ook zag hij grijze bakken staan met op de onderkant een schimmelachtige aanslag (zwart/witte kleur). De toezichthouder zag dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtreding is begaan. Weliswaar blijkt uit het rapport dat de toezichthouder darminhoud, veerrestanten, aanslag en ander vuil waarneemt op onder meer apparatuur en kratten, maar uit het rapport wordt niet duidelijk of eiseres op dat moment de afdeling al had vrijgegeven voor productie. De toezichthouder geeft in het rapport ook aan dat het slachtproces nog niet was begonnen. Ook anderszins kan uit het rapport niet worden afgeleid dat vuile artikelen of apparatuur werden gebruikt in het slachtproces. Niet valt uit te sluiten dat de door de toezichthouder waargenomen aangekoekte darminhoud en aanslag er al langer (bij het slachten de dagen ervoor) heeft gezeten, maar het rapport biedt onvoldoende grond om dat te mogen concluderen.

Boetezaak 201701736

8.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

8.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder niet feitelijk heeft vastgesteld dat onvoldoende gereinigde kratten in aanraking zijn gekomen met voedsel. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

8.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131346/100180) dat hij zich omstreeks 06:20 uur in de inpakafdeling bevond en zag dat er verdeeld over de inpakafdeling meerdere pallets stonden met blauw/witte kratten. Per pallet staan er meer dan 20 kratten en de toezichthouder weet dat deze kratten gebruikt worden om het naakte product in te doen; er gaat geen plastic zak of iets dergelijks in de kratten en het product komt in direct contact met de kratten. De toezichthouder viel op dat er op meerdere kratten op meerdere pallets aan de buitenzijde restanten bloed, pluimveevlees en -vet zaten en dat er op meerdere kratten aan de buitenzijde nog veel schuim zat, afkomstig van de krattenwasser. De toezichthouder heeft van verschillende pallets enkele van de bovenste kratten van de stapel gehaald om de binnenzijde te kunnen zien en bij drie van de vier kratten die hij heeft bekeken zaten er ook aan de binnenzijde van de kratten bloed-, vlees- en vetresten en in één van de kratten zat een stuk vlees van ongeveer 2 bij 2 centimeter groot. De toezichthouder zag dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

8.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtreding is begaan. Welswaar heeft de toezichthouder vuil geconstateerd op kratten die bedoeld zijn om met voedsel in aanraking te komen, maar de toezichthouder deed deze constateringen op de inpakafdeling rond 6.20 uur terwijl niet blijkt of op dat moment de inpakafdeling door eiseres al was gecontroleerd op het schoonmaakproces en was vrijgegeven voor productie. Daarbij merkt de rechtbank op dat de directeur van eiseres ter zitting onbetwist heeft gesteld dat deze afdeling rond 7.10 uur begint. De rechtbank verwijst naar hetgeen onder 4.1 is overwogen.

Boetezaak 201701711

9.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

9.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder niet feitelijk heeft vastgesteld dat onvoldoende gereinigde kratten in aanraking zijn gekomen met voedsel. De relatering dat in deze kratten vers vlees wordt opgeslagen en dat hij zag dat bij verschillende machines vers vlees in deze kratten werd verzameld is te vaag. De toezichthouder heeft niet gerelateerd dat hij heeft gezien dat een onvoldoende gereinigde krat werd gebruikt voor het opslaan van vers vlees. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

9.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 131717/100041) dat hij zich omstreeks 10:15 uur in de uitsnijderij/inpakafdeling bevond en verspreid door deze afdeling diverse stapels “schone” vleeskratten (blauwwitte kleur) zag staan. De toezichthouder zag dat bij minimaal tien van deze “schone” vleeskratten, die uit verschillende stapels vleeskratten afkomstig waren, aan de binnenzijde bloedvlekken en vleesrestanten aanwezig waren. In deze kratten wordt vers vlees opgeslagen. De toezichthouder zag ook dat bij de verschillende machines vers vlees in deze blauwwitte vleeskratten verzameld werd. De toezichthouder zag dat artikelen, die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

9.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat het gaat om kratten waarin vers vlees wordt opgeslagen, zodat voldoende vast staat dat sprake was van artikelen die met voedsel in aanraking komen. Voorts staat in voldoende mate vast dat de betreffende kratten vuil waren, gelet op de geconstateerde bloedvlekken en vleesrestanten, en dat de kratten gebruikt werden in het slachtproces, gelet op de beschrijving dat bij de machines vers vlees in de kratten verzameld werd. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat artikelen die met voedsel in aanraking komen niet afdoende waren schoongemaakt en dat daardoor niet elk gevaar van verontreiniging werd vermeden.

Boetezaak 201701763

10.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

10.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder constateringen heeft gedaan voordat het slachtproces was aangevangen en dat de toezichthouder niet heeft gecontroleerd of de afdeling vrijgegeven was voor productie. De toezichthouder heeft niet feitelijk vastgesteld dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in aanraking zijn gekomen met voedsel. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

10.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 133092/100199) dat hij zich omstreeks 06:30 uur in de inpakafdeling bevond voor de controle van de schoonmaak voor aanvang. De toezichthouder zag daar dat verschillende materialen, machines en uitrusting onvoldoende schoon waren. Hij zag namelijk dat er op de grote opvangbak, die direct links naast de ingang van de inpakafdeling staat, veel resten materiaal zat; in deze opvangbak komen gekoelde karkassen terecht die van de slachtlijn afvallen, deze karkassen worden vervolgens weer op de slachtlijn opgehangen en worden daarna verwerkt. In een vierkante RVS rolcontainer stond volgens de toezichthouder een flinke laag troebel water waarin materiaal en veren dreef en aan de buitenzijde van verschillende kratten (zowel groene als blauw/witte) zaten restanten vlees. Op in elk geval twee machines, gebruikt om het karkas te portioneren, zaten volgens de toezichthouder nog bloed- en vlees- of vetresten en op een weegschaal zaten op het bedieningspaneel nog veel spuitresten. Ook zaten op meerdere (meer dan vijf) stellagekarren nog resten van vet of vlees. De toezichthouder zag dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

10.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtreding is begaan. Weliswaar constateert de toezichthouder (onder meer) bloed- vlees en vetresten op apparatuur en artikelen, maar uit het rapport kan niet worden afgeleid of op dat moment de productie al was gestart dan wel de afdeling voor productie was vrijgegeven. Daarbij merkt de rechtbank op dat de directeur van eiseres ter zitting onbetwist heeft gesteld dat de productie op de inpakafdeling rond 7.10 uur wordt gestart en de constateringen door de toezichthouder omstreeks 6.30 uur zijn gedaan. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen onder 4.1 is overwogen.

Boetezaak 201701398

11.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

11.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder niet feitelijk heeft vastgesteld dat onvoldoende gereinigde kratten in aanraking zijn gekomen met voedsel. De relatering dat hij zag dat gereed staande kratten gebruikt werden voor het verpakken van vers vlees bewijst dit niet; hij heeft immers niet gerelateerd dat een onvoldoende gereinigde krat werd gebruikt voor het opslaan van vers vlees. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

11.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 132487/99772) dat hij zich omstreeks 6:30 uur in de uitsnijderij/inpakafdeling bevond en zag dat op meerdere plaatsen stapels kratten stonden, die naast de delenlijn of bij machines stonden, en dat deze kratten (half wit/half blauw) gebruikt werden voor het verpakken van vers vlees. De toezichthouder zag dat op meerdere plaatsen, hetzij rechtstreeks van de delenlijn of door de medewerkers, vlees in deze kratten gedeponeerd werd. De toezichthouder heeft minimaal tien vleeskratten geïnspecteerd en zag dat in meerdere kratten vleesrestanten aanwezig waren, zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant, en dat op en in meerdere kratten bloedvlekken zaten. De toezichthouder heeft de chef van deze afdeling, de heer [naam] erop aan gesproken dat alle vleeskratten niet verder gebruikt mochten worden en dat de vleeskratten opnieuw schoongemaakt moesten worden, en de chef heeft deze aanwijzingen direct opgevolgd. Omstreeks half 12 voerde de toezichthouder nogmaals een inspectie uit in de uitsnijderij/inpakafdeling en zag hij dat op meerdere plaatsen bij/onder de delenlijn en bij de inpakmachines stapels vleeskratten stonden, klaar voor gebruik. De toezichthouder heeft minimaal tien niet gebruikte, gereedstaande “schone” vleeskratten geïnspecteerd en zag bij al deze geïnspecteerde kratten weer vleesrestanten en bloedvlekken aan de binnen en buitenkant. Hij zag dat de mate van verontreiniging minder was dan hetgeen hij om half zeven had geconstateerd. Opnieuw heeft de toezichthouder de chef van deze afdeling erbij gehaald en hem gemaand om de kratten uit deze afdeling weg te laten halen en opnieuw schoon laten maken. De toezichthouder zag dat artikelen, die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

11.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. In het rapport is beschreven dat de kratten gebruikt werden voor het verpakken van vers vlees en dat de toezichthouder zag dat vlees in deze kratten werd gedeponeerd. Daaruit blijkt afdoende dat het ging om artikelen die in aanraking komen met voedsel. Ook blijkt uit het rapport voldoende dat een deel van die kratten vuile waren. Daarnaast wordt uit de beschrijvingen in het rapport voldoende duidelijk dat de productie op die afdeling reeds aan de gang was. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat artikelen die met voedsel in aanraking komen niet afdoende waren schoongemaakt en dat daardoor niet elk gevaar van verontreiniging werd vermeden.

Boetezaak 201701287

12.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

12.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder constateringen heeft gedaan voordat het slachtproces was aangevangen en dat de toezichthouder niet heeft gecontroleerd of de afdeling vrijgegeven was voor productie. De toezichthouder heeft niet feitelijk vastgesteld dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in aanraking zijn gekomen met voedsel. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

12.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 132334/99681) dat hij omstreeks 05:30 uur zich in de afdeling ‘panklaar’ bevond om te controleren of alle afdelingen schoon genoeg waren en daar zag dat bij de eerste machine, de ‘aarsboor’, in twee hoeken aan de binnenzijde van de machine een witgele tot geelbruine hoeveelheid oud dierlijk materiaal zat vastgeplakt. Later, omstreeks 05.45 uur, bevond de toezichthouder zich in de afdeling ‘inpak/delen’ en zag hij meerdere pallets staan met lege groene, blauwe, en blauwwitte vleesbakken en dat op meerdere van deze bakken aan de binnenkant grijze tot grijszwarte vuile aanslag zat. Ook zag hij meerdere bakken met daarin bloed- en vleesrestanten. Verderop in de afdeling, ter hoogte van de ‘Meyn lijn’ zag de toezichthouder dat een RVS opvangbak niet goed gereinigd was; aan de onderkant zat een hoeveelheid vleesrestanten in- en rondom een klein cirkelvormig gat. Ook zag de toezichthouder dat de RVS haken van de ‘Meyn lijn’ niet goed schoon waren; op meerdere haken zaten bloedspetters en vastgeplakte vetrestanten. Verderop in de afdeling zag de toezichthouder dat de eerste overhanger niet voldoende gereinigd was; er zat een vastgeplakte hoeveelheid materiaal, bestaande uit vetrestanten en vermoedelijk enkele veren, op deze machine. Op basis van zijn bevindingen bleek de toezichthouder dat het bedrijf niet had voldaan aan de basisvoorwaarden. Tijdens deze schoonmaakcontrole bleek dat recipiënten en opnieuw te gebruiken uitrusting en apparatuur na afloop van de voorgaande slachtdag onvoldoende gereinigd en gedesinfecteerd waren; er waren restanten materiaal van dierlijke oorsprong aanwezig. Hierdoor werd versleping van risico’s voor de volksgezondheid niet voorkonen, aldus de toezichthouder.

12.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtreding is begaan. Weliswaar blijkt uit het rapport dat de toezichthouder (onder meer) aanslag, bloed- en vleesresten op machines en bakken heeft geconstateerd, maar uit het rapport blijkt niet voldoende of eiseres de afdeling reeds had vrijgegeven en/of de productie op de afdeling reeds in gang was. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen.

Boetezaak 201701545

13.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

13.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder constateringen heeft gedaan voordat het slachtproces was aangevangen en dat de toezichthouder niet heeft gecontroleerd of de afdeling vrijgegeven was voor productie. De toezichthouder heeft niet feitelijk vastgesteld dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in aanraking zijn gekomen met voedsel. Pluimveekarkassen die in de opvangbak van de slachtlijn vallen maken geen deel meer uit van de voedselproductieketen zodat dit niet maakt dat voedsel in aanraking komt met verontreiniging. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

13.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 132557/99835) dat hij zich omstreeks 06:00 uur in de afdeling panklaar bevond en in enkele machines, zoals de aarsboor, openknipper en uithaler, groenachtige aanslag zag. Ook zag de toezichthouder spuitvuil in machines die in contact komen met pluimveekarkassen en op de blauwe transportband, die loopt tussen de eerste overhanger vanuit de broei- en plukruimte naar de opvang bak onder de slachtlijn in panklaar, enkele kippenveren. In de eerste zat heel veel groene aanslag. Verder zag de toezichthouder dat op de orgaanhaken een donkere aanslag aanwezig was, met name aan de binnenkant van de orgaanhaken. Dit gedeelte komt in direct contact met de organen. Daarna zag de toezichthouder in de uitsnijderij / inpakafdeling in enkele verwerkingsmachines vleesrestjes en in enkele blauw/witte vleeskratten bloedvlekken en vleesrestantjes. Verder zag hij in enkele groene bakken veel vleesrestanten en in de opvangbak onder de delenlijn, direct links naast de werknemersingang, nog spuitresten. Bovenvermelde bevindingen heeft de toezichthouder gedaan voor aanvang van het slachten in panklaar en voor aanvang van het verwerken / inpakken in de uitsnijderij/inpakafdeling. Toen de toezichthouder klaar was met zijn inspectie was het verwerkingsproces begonnen. De toezichthouder zag dat er enkele pluimveekarkassen in de opvangbak van de slachtlijn gevallen waren tussen het aanwezige spuitvuil en vleesrestantjes in de opvangbak. Op basis van zijn bevindingen bleek de toezichthouder dat het bedrijf niet had voldaan aan de basisvoorwaarden. Tijdens deze schoonmaakcontrole bleek dat recipiënten en opnieuw te gebruiken uitrusting en apparatuur na afloop van de voorgaande slachtdag onvoldoende gereinigd en gedesinfecteerd waren. Er waren restanten materiaal van dierlijke oorsprong aanwezig. Hierdoor werd versleping van risico’s voor de volksgezondheid niet voorkomen, aldus de toezichthouder.

13.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres het beboetbare feit heeft begaan. Wat er ook zij van hetgeen eiseres aanvoert over de opvangbak van de slachtlijn, uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder ook op andere plaatsen vuil heeft aangetroffen; onder meer op de aarsboor, openknipper, machines die in contact komen met pluimveekarkassen, verwerkingsmachines en orgaanhaken. Daaruit blijkt afdoende dat het ging om artikelen die in aanraking komen met voedsel. Voorts constateert de toezichthouder op die artikelen onder meer aanslag, bloedvlekken en vleesresten. Daarnaast wordt uit de beschrijvingen in het rapport voldoende duidelijk dat de productie op die afdeling werd gestart met de aanwezige vuile artikelen en apparatuur. De toezichthouder beschrijft immers dat na zijn controle het verwerkingsproces werd gestart. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat artikelen die met voedsel in aanraking komen niet afdoende waren schoongemaakt en dat daardoor niet elk gevaar van verontreiniging werd vermeden.

Boetezaak 201701724

14.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 14 april 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

14.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder constateringen heeft gedaan voordat het slachtproces was aangevangen en dat de toezichthouder niet heeft gecontroleerd of de afdeling vrijgegeven was voor productie. De toezichthouder heeft niet feitelijk vastgesteld dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in aanraking zijn gekomen met voedsel. Ook bewijzen zijn bevindingen niet dat elk gevaar voor verontreiniging is vermeden, aldus eiseres.

14.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 132595/100128) dat hij zich omstreeks 06:45 uur tijdens een schoonmaakinspectie voor aanvang van de werkzaamheden in de afdeling ‘inpak-delen’ bevond om te controleren of de afdeling schoon genoeg was. De toezichthouder zag daar meerdere pallets staan met blauwe vleeskratjes; deze kratjes waren bij verschillende productielijnen neergezet zodat ze in gebruik genomen konden worden. De toezichthouder zag bij meerdere kratjes een geelbruine aanslag aan de binnenkant zitten en voelde dat dit vettig en glibberig was. Ook zag hij bij meerdere kratjes, voornamelijk in de hoeken, een zwarte aanslag; dit leek op schimmelvorming omdat het zwarte kleine en grotere stippen vormde. Verder zag de toezichthouder meerdere kratjes met natte stickerrestanten aan de buitenkant, en bij een aantal kratjes waren de restanten door de openingen naar de binnenzijde van de kratjes gespoten. Verderop in de afdeling, bij de lincolijn, zag de toezichthouder meerdere RVS haken van de productielijn, die onvoldoende gereinigd waren; op meerdere haken was een witte substantie aanwezig, namelijk vetrestanten. Ook zag de toezichthouder een RVS opvangbak staan waar in de hoek nog vleesrestanten lagen van de vorige slachtdag. Ten slotte zag de toezichthouder bij de metalen rekken die in de ruimte voor de koeling stonden op meerdere rekken restanten zitten van vlees en/of bloed. De toezichthouder heeft de heer [naam] , als verantwoordelijke chef van de inpak-delen, van de bevindingen op de hoogte gebracht en hem ook de tekortkomingen laten zien. De heer [naam] was het met de toezichthouder eens dat er onvoldoende schoon was gemaakt; hij heeft de onvoldoende gereinigde vleeskratjes weg laten halen. De toezichthouder concludeert op basis van zijn bevindingen dat het bedrijf niet had voldaan aan de basisvoorwaarden; tijdens deze schoonmaakcontrole bleek dat bedrijfsruimten, recipiënten en opnieuw te gebruiken uitrusting en apparatuur na afloop van de voorgaande slachtdag onvoldoende gereinigd en gedesinfecteerd waren. Er waren restanten materiaal van dierlijke oorsprong aanwezig en hierdoor werd versleping van risico’s voor de volksgezondheid niet voorkomen, aldus de toezichthouder.

14.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtreding is begaan. Weliswaar constateert de toezichthouder vuil op artikelen die met voedsel in aanraking komen, maar uit het rapport kan niet voldoende worden afgeleid dat de productie op dat moment al aan de gang was dan wel dat eiseres de betreffende afdeling al had vrijgegeven voor productie. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen onder 4.1. is overwogen.

Boetezaak 201701999

15.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 12 mei 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000 voor het volgende feit:

  • Artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen waren niet afdoende schoongemaakt en zo nodig ontsmet. Het schoonmaken en ontsmetten moeten zo frequent plaatsvinden dat elk gevaar van verontreiniging wordt vermeden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met Bijlage II, Hoofdstuk V, punt 1, onder a, van Verordening 852/2004 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

15.2.

Eiseres voert aan dat de toezichthouder de constateringen heeft gedaan voor aanvang van het slachtproces en niet heeft gecontroleerd of de afdeling was vrijgegeven voor productie. Ook heeft de toezichthouder feitelijk niet vastgesteld dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur in aanraking zijn gekomen met voedsel, aldus eiseres.

15.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 133176/100425) dat hij zich omstreeks 06:20 uur in de inpakafdeling bevond om de schoonmaak voor aanvang te controleren. De toezichthouder zag dat de schoonmaak onvoldoende was uitgevoerd. Hij zag namelijk dat op verschillende machines en materialen nog vet-/vlees- en bloedresten zaten. Op met name de verschillende machines, rolbanden en snijmachines van de “Meyn lijn” zaten volgens de toezichthouder zeer veel duidelijk zichtbare resten van vet en/of vlees. De machines van de “Meyn lijn” worden gebruikt om het karkas op te delen in stukken. Wanneer de machines dus niet voldoende schoon zijn kan er gemakkelijk kruisbesmetting optreden, aldus de toezichthouder. Ook de rollers van de potenlijn hadden volgens de toezichthouder nog veel resten vlees en/of vet er op zitten. Aan deze rollers hangen bakjes waar het naakte product (filets) op ligt. Door de trillingen van het rondgaan van de rollerband kan er volgens de toezichthouder de mogelijkheid ontstaan dat de resten lostrillen en op het naakte product vallen. De toezichthouder heeft de heer [naam] de omissies getoond en die gaf aan dat alles opnieuw zou worden gereinigd. De toezichthouder zag dat artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet, om elk gevaar van verontreiniging te vermijden, aldus het rapport.

15.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtreding is begaan. Weliswaar constateert de toezichthouder vuil op artikelen die met voedsel in aanraking komen, maar uit het rapport kan niet voldoende worden afgeleid dat de productie op dat moment al aan de gang was dan wel dat eiseres de betreffende afdeling al had vrijgegeven voor productie. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen onder 4.1. is overwogen.

Conclusie

16. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in boetezaken 201700140, 201701711, 201701398 en 201701545 bevoegd was een boete op te leggen.

17. Eiseres voert aan dat verweerder bij de hoogte van de opgelegde boetes geen rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden. Eiseres ondervindt geen economisch voordeel van de gestelde overtredingen. Daarnaast wordt eiseres, gezien het lik-op-stuk beleid van verweerder financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar belast door het moeten voeren van veel bezwaar- en beroepsprocedures. Ook staat de opeenstapeling van boetebesluiten in geen verhouding tot de financiële positie van het bedrijf, aldus eiseres.

17.1.

De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Verordening 852/2004 gediende doel - bescherming van de volksgezondheid - staat voorop. De hoogte van de boetes als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder in dit geval de boetebedragen had dienen te matigen. Dat eiseres financiële gevolgen ondervindt, is geen reden om de boetes te matigen. Bovendien is niet gebleken dat eiseres door de hoeveelheid aan opgelegde boetes in financiële problemen is gekomen.

18. De rechtbank concludeert gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen het volgende.

De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van eiseres gegrond en stelt de door verweerder aan eiseres te betalen dwangsom vast op € 13.860,-. Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep gericht tegen het (alsnog genomen) bestreden besluit gegrond omdat niet alle boetezaken overeind blijven. In boetezaken 201700140, 201701711, 201701398 en 201701545 heeft verweerder wel terecht de boete opgelegd en het bestreden besluit blijft ten aanzien van die zaken dan ook in stand. Ten aanzien van de andere boetezaken, 201605362, 201700871, 201701736, 201701763, 201701287, 201701724 en 201701999, wordt het bestreden besluit vernietigd, omdat verweerder in die zaken ten onrechte een boete heeft opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om in die zaken zelf te voorzien, in die zin dat het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten gegrond wordt verklaard en deze primaire besluiten worden herroepen. Dit betekent dat de boetes in boetezaken 201605362, 201700871, 201701736, 201701763, 201701287, 201701724 en 201701999 vervallen.

19. Een vergoeding van het griffierecht door verweerder is hier niet aan orde. Eiseres was alleen in het (inmiddels vervallen) beroep met kenmerk ROT 18/838 griffierecht verschuldigd en niet in de daaruit voortvloeiende tien beroepen, waaronder dit beroep. Voorts is verweerder in de uitspraak op het beroep met kenmerk ROT 18/3138 reeds veroordeeld tot terugbetaling van het één maal door eiseres betaalde griffierecht.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt vast.

20.1.

Voor de proceshandelingen in het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 4 mei 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 0,25 (omdat de zaak is aan te merken als zeer licht aangezien het alleen om de hoogte van de dwangsom gaat). De reiskosten van de directeur van eiseres stelt de rechtbank vast conform het door eiseres opgegeven bedrag van € 50,60. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bewaren van eiseres sprake van samenhang tussen de beroepen met kenmerk ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145, ROT 18/3146, nu het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen één maal door de gemachtigde van eiseres in al deze zaken is ingediend, het geheel gelijktijdig door de rechtbank is behandeld en de inhoud in de zaken op dat punt vrijwel identiek is. De rechtbank zal vanwege die samenhang en nu de directeur van eiseres slechts één maal naar de zitting heeft moeten reizen, dan ook de toe te kennen proceskosten gelijkelijk verdelen over deze negen zaken die op het punt van het niet tijdig beslissen gegrond zijn verklaard. Dit betekent dat in dit beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, de door verweerder te vergoeden proceskosten worden vastgesteld op € 33,46.

20.2.

Ten aanzien van de proceshandelingen in het inhoudelijke beroep gericht tegen het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat toepassing van de zuiver forfaitair bepaalde vergoeding leidt tot een dermate disproportionele vergoeding dat er aanleiding bestaat om deze vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb te matigen. Daartoe is van belang dat dit beroep en de beroepen ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144 en ROT 18/3146, weliswaar niet als samenhangende zaken in de zin van het Bpb kunnen worden aangemerkt, maar wel op onderdelen enige samenhang vertonen ten aanzien van het soort overtreding en een aantal algemene beroepsgronden. Daarnaast zijn al deze beroepen tegelijk op dezelfde zitting behandeld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de forfaitaire toe te kennen vergoeding te halveren. Voor de vaststelling van het forfaitaire bedrag wordt 1 punt toegekend voor de aanvulling van het beroep bij brief van 28 juni 2018 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 8 augustus 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1. Na halvering van dit bedrag komen de te vergoeden kosten voor de rechtsbijstandverlening in dit inhoudelijke deel van het beroep op € 501,-. Ten aanzien van de reiskosten van de directeur van eiseres naar de zitting van 8 augustus 2018 overweegt de rechtbank dat de hiervoor genoemde inhoudelijke beroepen op dezelfde zitting zijn behandeld en hij dus slechts één maal heeft moeten reizen voor de inhoudelijke behandeling van deze beroepen. De rechtbank zal de te vergoeden reiskosten (€ 50,60) dan ook gelijkelijk verdelen over de negen van de hiervoor genoemde beroepen die gegrond zijn verklaard, wat neerkomt op € 5,62 per zaak. Daarmee komen de totale te vergoeden proceskosten voor het inhoudelijke deel van dit beroep op € 506,62.

20.3.

Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank in dit beroep verweerder in de proceskosten tot een totaalbedrag van € 540,08.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de dwangsom;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 13.860,- is verschuldigd;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op boetezaken 201605362, 201700871, 201701736, 201701763, 201701287, 201701724 en 201701999 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten van 24 februari 2017, 14 april 2017 en 12 mei 2017 in boetezaken 201605362, 201700871, 201701736, 201701763, 201701287, 201701724 en 201701999;

  • -

    laat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de overige boetezaken in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 540,08.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.