Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7943

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
ROT-18_01471 ROT-18_01472 ROT-18_01473 ROT 18-01474
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Het gestelde belang van verweerder bij correcte uitvoering van de AVG noch het privacybelang van in dit geval vergunninghouders, eiser en de indiener van zienswijzen kan leiden tot het aannemen van een gewichtige redenen in de zin van artikel 8:29 Awb ten aanzien van de essentiële gegevens (naam en adres) van de genoemde personen, voor zover die zijn opgenomen in de op de zaak betrekking hebbende stukken. In zeer bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Zulke omstandigheden zijn er hier niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2019/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: ROT 18/1471 t/m ROT 18/1474

beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 27 augustus 2018 in de zaak tussen

[Naam], te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. C.W. de Jong.

Aanleiding

Eiser heeft vier beroepschriften ingediend tegen de besluiten van verweerder, waarbij omgevingsvergunningen zijn verleend ten behoeve van de realisatie van woningen bij de [adres] te Rotterdam.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden. Verweerder heeft in deze stukken passages weggelakt die persoonsgegevens betreffen van vergunninghouders, eiser en een indiener van zienswijzen. Separaat heeft verweerder daarbij gesloten enveloppen gevoegd met daarin een afschrift van de ingediende stukken zonder de daarin weggelakte passages met het verzoek op deze stukken beperking van de kennisneming toe te passen.

De rechtbank begrijpt deze verzoeken als een mededeling aan de rechtbank op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat uitsluitend zij daarvan kennis zal mogen nemen en als verzoeken om met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.

In verband hiermee heeft de rechtbank aan de rechter-commissaris opgedragen een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb.

Beoordeling

1. Het is een fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging dat de rechter zich bij zijn oordeel alleen mag baseren op die gegevens van feitelijke aard waarvan alle partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ter discussie hebben kunnen stellen. Indien de rechter-commissaris ten aanzien van bepaalde (onderdelen van de) stukken de door verweerder bepleite beperking van de kennisneming op grond van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb gerechtvaardigd acht, kan de rechtbank op grond van het vijfde lid van dit artikel daarom slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die (onderdelen van de) stukken uitspraak doen.

2. Verweerder heeft meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de gegevens van de aanvrager van de vergunning, van de indiener van een zienswijze en van de indiener van een bezwaar of administratief beroep. Verweerder beroept zich daarbij op Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, hierna de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG.

3.1.

De rechter-commissaris is op grond van het volgende van oordeel dat in de AVG geen gewichtige reden in de zin van artikel 8:29 van de Awb kan worden gevonden voor het onthouden van de genoemde gegevens aan de indiener van het beroep of een derde belanghebbende (bijvoorbeeld een vergunninghouder of degene tegen wie handhavend wordt opgetreden).

3.2.

Verweerder is op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken in te sturen aan de rechtbank. Het inzenden van de stukken kan worden aangemerkt als het verstrekken door middel van doorzending of op andere wijze ter beschikking stellen van gegevens als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 2 van de AVG, en daarmee als verwerking in de zin van de AVG. Omdat het inzenden een wettelijke verplichting is, is deze vorm van verwerking daarmee tevens noodzakelijk in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG en voldoet hij aan de voorwaarde zoals opgenomen in het derde lid van genoemd artikel.

Dat betekent dat in de AVG geen gewichtige reden is gelegen voor de beperking van de genoemde persoonsgegevens tot de rechtbank. Die verwerking voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 en 6 van de AVG en is daarmee rechtmatig in de zin van de AVG.

De rechter commissaris wijst in dit verband op overweging 52 van de considerans bij de AVG. Daar wordt opgemerkt dat van het verbod op verwerking van persoonsgegevens kan worden afgeweken en moet worden voorzien in de mogelijkheid tot verwerking van die gegevens indien dat noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de onderbouwing van een rechtsvordering, in een gerechtelijke (of administratieve of buitengerechtelijke) procedure.

3.3.

Dat er geen strijd is met de AVG betekent niet dat er geen zwaarwichtige reden in de zin van artikel 8:29 bestaat. Artikel 8:29 vraagt een eigen afweging van de belangen. In dat kader overweegt de rechter-commissaris dat er aan de zijde van de genoemde procesdeelnemers in het algemeen zwaarwegende belangen bestaan bij kennisneming van de meest essentiële gegevens van de aanvrager, de verzoeker om handhavend optreden, de indiener van een zienswijze of de indiener van een bezwaar/administratief beroep.

Als voorbeeld van die belangen kunnen worden genoemd: het bij een last onder dwangsom kunnen onderzoeken van de gestelde ondervonden overlast; de vraag of een indiener van het beroep wel zienswijzen heeft ingediend of bezwaar heeft gemaakt; het opwerpen van gronden in het kader van het relativiteitsbeginsel, het kunnen onderzoeken van de vraag of een indiener van een zienswijze/bezwaar belanghebbende is en – in het algemeen – het zich bij een belastend besluit effectief kunnen verdedigen (het verdedigingsbeginsel).

Het feit dat de persoonsgegevens in beroep bij de rechtbank sowieso bekend zullen worden maakt niet, zoals verweerder stelt, dat het belang van kennisneming van die gegevens relatief is. Dat gaat dan immers alleen om de gegevens van degene die beroep instelt; daarmee kan bijvoorbeeld de vergunninghouder nog steeds niet controleren of degene die beroep instelt ook een zienswijze heeft ingediend of bezwaar heeft gemaakt. Ook kan de geadresseerde van een besluit om handhavend op te treden nog steeds niet zien wie om dat handhavend optreden heeft verzocht, met als mogelijk gevolg dat hij de gestelde overlast niet goed kan (laten) onderzoeken.

Daar komt bij dat het alsnog in beroep (en vooral op de zitting) sowieso bekend worden van gegevens van andere procesdeelnemers het door verweerder gestelde belang van die procesdeelnemers juist relativeert.

Het belang van kennisneming door alle procesdeelnemers van de gegevens waarvan verweerder beperking van de kennisneming tot de rechter vraagt, weegt zwaarder dan de door verweerder aangevoerde privacybelangen.

3.4.

De eindconclusie is dan ook dat het gestelde belang van verweerder bij correcte uitvoering van de AVG noch het privacybelang van in dit geval vergunninghouders, eiser en de indiener van zienswijzen kan leiden tot het aannemen van een gewichtige redenen in de zin van artikel 8:29 ten aanzien van de essentiële gegevens (naam en adres) van de genoemde personen, voor zover die zijn opgenomen in de op de zaak betrekking hebbende stukken. In zeer bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Zulke omstandigheden zijn er hier niet.

4. Uitdrukkelijk ziet deze eindconclusie niet op niet-essentiële gegevens (zoals telefoonnummer, e-mailadres enz.). Van die gegevens kan op voorhand worden aangenomen dat er geen wezenlijk belang van kennisneming daarvan voor de andere partijen is.

5. Nu ook overigens niet van gewichtige redenen voor beperkte kennisneming is gebleken is de rechter-commissaris van oordeel dat beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb van persoonsgegevens van vergunninghouders, eiser en een indiener van zienswijzen niet gerechtvaardigd is.

Beslissing

De rechter-commissaris beslist dat beperking van de kennisneming van persoonsgegevens van vergunninghouders, eiser en een indiener van zienswijzen niet gerechtvaardigd is.

Deze beslissing is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter-commissaris, in aanwezigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

griffier rechter-commissaris

Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kan slechts tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank hoger beroep worden ingesteld.