Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:794

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
C/10/541987 / FT EA 17/2584 – C/10/541724 / FT EA 17/2560
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing vovo ex artikel 287b. Betrokken SHV is instantie die ex artikel 48 Wck niet bevoegd is om poging tot een buitengerechtelijke regeling te doen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 5 februari 2018

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 28 december 2017, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 29 december 2017 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 30 januari 2018.

Ter zitting van 30 januari 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 2] , inwonende partner van verzoeker;

  • -

    de heer mr. E.R. Butin Bik, advocaat (hierna: advocaat);

  • -

    mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Syncasso Gerechtsdeurwaarders, namens de stichting Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).

Mevrouw [naam 4] , werkzaam bij Syncasso Gerechtsdeurwaarders heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 november 2017 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

De advocaat van verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat alle schuldeisers van verzoeker in augustus 2017 akkoord zijn gegaan met een minnelijke regeling. De maandelijkse termijnaflossingen werden gedaan, totdat bleek dat verzoeker zijn baan was kwijtgeraakt. Het contract van verzoeker liep op 12 november 2017 af en Financieel Adviesbureau Deco kwam hier pas in december 2017 achter. In die tussentijd liep het aflossingstraject gewoon door, terwijl daar eigenlijk onvoldoende geld voor was. Als gevolg hiervan kon verzoeker de lopende huur niet meer betalen. Op 7 december 2017 heeft verzoeker de huur voor november en december 2017 alsnog voldaan. De huur voor januari 2018 heeft hij op 12 januari 2018 voldaan. Dat de huur nog steeds niet tijdig kan worden voldaan, is, aldus de advocaat, gelegen in het feit dat het UWV de WW-uitkering pas in de eerste week van de volgende maand naar verzoeker overmaakt.

Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met zijn partner en hun twee kinderen van vier en één jaar in de woning woont. De huurbetalingen zijn vanaf juni 2017 al onregelmatig geweest omdat er ook even beslag lag op zijn loon. Verzoeker is onlangs naar de gemeentelijke Kredietbank Rotterdam geweest voor informatie over het WSNP-traject.

3 Het verweer

Bij verweerschrift van 26 januari 2018, door de rechtbank ontvangen op 30 januari 2018, heeft de gemachtigde van verweerster zich verzet tegen toewijzing van het verzoek. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat Financieel Adviesbureau Deco haar op 11 juli 2017 liet weten dat er maandelijks € 87,37 kon worden afgelost op de toen bestaande achterstand. Toen de huur van augustus 2017 niet werd voldaan, heeft verweerster aangegeven niet langer akkoord te zijn het met aflossingsvoorstel. De huur voor de maanden augustus tot en met november 2017 is vervolgens onbetaald gebleven. Wel werden er in de periode van 12 juli 2017 tot en met 16 november 2017 een zestal aflossingen gedaan van € 87,37. De huurachterstand bedraagt thans € 4.290,88. Ondanks dat verzoeker de huur voor december 2017 en januari 2018 wel heeft voldaan, heeft verweerster er geen vertrouwen in dat verzoeker de huur in de toekomst wel tijdig zal voldoen. Gezien het vorenstaande verzoekt de gemachtigde van verweerster het verzoekschrift tot het treffen van een moratorium af te wijzen.

Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van verweerster verklaard dat de huur vanaf juni 2017 – al ver voordat het contract van verzoeker niet werd verlengd - niet, niet volledig en/of niet tijdig wordt overgemaakt. Verweerster blijft derhalve bij haar standpunt.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 november 2017 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 23 november 2017 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 januari 2018 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 november 2017 ten uitvoer kan leggen.

De rechtbank rekent het verzoeker aan dat er reeds een minnelijke regeling tot stand is gekomen, die verzoeker al in de maanden voordat zijn arbeidscontract niet werd verlengd niet is nagekomen. Verzoeker voldeed immers de huur al vanaf juni 2017 niet. Verzoeker heeft hier ter terechtzitting geen duidelijke verklaring voor kunnen geven.

Hoewel de rechtbank in beginsel voldoende aanleiding ziet om het verzoek moratorium af te wijzen, laat de rechtbank het belang van verzoeker, zijn partner en vooral van hun twee jonge kinderen zwaarder wegen dan het belang van verweerster. Voldoende aannemelijk is geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft de huur voor november en december 2017 en januari 2018 immers uiteindelijk volledig voldaan.

Wel ziet de rechtbank in de onregelmatige en niet tijdige huurbetalingen van verzoeker én gezien de kans dat het slagen van een nieuwe minnelijke regeling niet heel groot lijkt, aanleiding om de voorziening voor een termijn van drie maanden uit te spreken, in plaats van voor de verzochte termijn van zes maanden.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. In dat verband wijst de rechtbank verzoeker erop dat artikel 288 lid 2 aanhef en onder b van de Faillissementswet bepaalt dat een WSNP-verzoek wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke regeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet (‘Wck’). Financieel Adviesbureau Deco is niet een instelling als bedoeld in artikel 48 Wck. Bij het indienen van een nieuw WSNP-verzoek zal de rechtbank toetsen of de poging tot het treffen van een buitengerechtelijke regeling door de wettelijk bevoegde persoon of instelling is uitgevoerd.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 10 november 2017 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden;

- bepaalt dat de heer mr. E.R. Butin Bik uiterlijk op 20 april 2018 verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
R.I. Buitenwerf-Don, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2018.