Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7868

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
ROT 18/621
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onvoorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim

door gemeenteambtenaar is zeven keer in de BRP/GBA gekeken voor privé doeleinden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/621

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres]

gemachtigde: mr. S.P. Koerselman,

en

het dagelijks bestuur van de BAR-organisatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Zanten.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres op grond van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) met ingang van 12 juni 2017 de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim.

Bij besluit van 20 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover het de ingangsdatum van het ontslag betreft en deze datum gewijzigd in 13 juni 2017. Onder aanvulling van de motivering is het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door B. Huizenaar (afdelingshoofd vergunningverlening) en B. Weber (HRM-adviseur).

Overwegingen

1.1.

Eiseres was voor 1 januari 2014 in dienst bij de [gemeente] in de functie van medewerker vergunningen. Op 1 januari 2014 is eiseres in dezelfde functie aangesteld bij de BAR-organisatie. In deze functie had zij toegang tot de basisregistratie personen (BRP), voorheen de gemeentelijke basisadministratie (GBA), dan wel tot systemen die een koppeling hebben met de BRP/GBA.

1.2.

Op 15 januari 2017 heeft verweerder een klacht ontvangen van [persoon 1] ([persoon 1]), de ex-partner van [persoon 2] ([persoon 2]). [persoon 2] was ten tijde van de klacht de partner van eiseres. De klacht houdt in dat eiseres vanaf 2013 herhaaldelijk misbruik van persoonlijke gegevens van [persoon 1] zou hebben gemaakt. Verweerder heeft naar aanleiding van deze klacht een onderzoek ingesteld.

Uit het onderzoek bleek dat eiseres met gebruikmaking van het burger-servicenummer van [persoon 1] de BRP/GBA voor privédoeleinden heeft geraadpleegd op 11, 13 en 25 september 2013, op 6 mei 2015, op 22 augustus 2016 en op 13 januari 2017. Ook bleek dat eiseres op 3 januari 2017 in de BRP de gegevens van de moeder van [persoon 1] heeft geraadpleegd. Eiseres heeft deze raadplegingen erkend.

2. Na een voornemen daartoe, waarover eiseres haar zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder eiseres bij het primaire besluit de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens meerdere vormen van ernstig plichtsverzuim. In bezwaar heeft verweerder het strafontslag, met een motivering die gedeeltelijk afwijkt van het advies van de bezwarencommissie personeelsaangelegenheden BAR-organisatie (commissie), gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres door het zeven keer raadplegen van de BRP/GBA om privéredenen en het delen van de betreffende informatie met haar toenmalige partner in strijd heeft gehandeld met de geldende regels en zich niet heeft gedragen zoals het een goed ambtenaar betaamt. Verweerder acht dit plichtsverzuim genoeg reden voor onvoorwaardelijk strafontslag. In het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt dat eiseres zich ook aan een aantal andere vormen van plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

3. Eiseres voert, onder verwijzing naar het advies van de commissie, aan dat raadplegingen in de BRP die voor 1 januari 2014 hebben plaatsgevonden niet ten grondslag aan het ontslagbesluit gelegd mogen worden, omdat het een ander bevoegd gezag betrof. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.1.

In 2012 hebben de gemeenten [a], [b] en [c] besloten tot een intensieve ambtelijke samenwerking en een regeling getroffen tot vorming van het openbaar lichaam BAR-organisatie, de Gemeenschappelijke regeling BAR-organisatie (GR‑BAR).

3.2.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de GR-BAR is het personeel van de deelnemende gemeenten op 1 januari 2014 overgedragen aan het openbaar lichaam en op grond van artikel 17, eerste lid, van de GR-BAR in dienst van het openbaar lichaam getreden, met uitzondering van de griffiemedewerkers. Hieruit leidt de rechtbank af dat de BAR-organisatie de opvolger is van de [gemeente] ten aanzien van de verrichte arbeid en de elkaar opvolgende aanstellingen, in die zin dat de BAR-organisatie alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het zijn van werkgever van eiseres heeft overgenomen van de [gemeente]. De rechtspositie, functie en anciënniteit van eiseres zijn door haar overgang naar de BAR-organisatie niet gewijzigd.

Verweerder wijst er terecht op dat de gemeente Barendracht niet bekend was met de raadplegingen van de BRP/GBA door eiseres en daartegen dus niet heeft kunnen optreden. Eiseres heeft niet geconcretiseerd welke geschreven of ongeschreven rechtsregel volgens haar meebrengt dat verweerder ondanks het voorgaande niet bevoegd is op te treden tegen plichtsverzuim van eiseres in de periode dat zij ambtenaar van de [gemeente] was. Dit betekent dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen dat eiseres zeven keer de BRP/GBA heeft geraadpleegd voor privédoeleinden.

4. Eiseres betoogt dat zij de BRP/GBA-gegevens niet heeft gedeeld of heeft laten zien aan [persoon 2]. Ze heeft de BRP/GBA niet herhaaldelijk en gedurende een langere periode geraadpleegd en ook niet ten aanzien van meerdere personen, zodat de raadplegingen in de BRP/GBA geen plichtsverzuim opleveren dat zo ernstig is als verweerder stelt. Hierbij voert eiseres aan dat de Gedragscode medewerkers BAR-organisatie pas op 1 januari 2014 in werking is getreden en dat zij pas op 14 september 2015 de ambtseed heeft afgelegd, zodat haar gedragingen van voor die tijd niet bestraft mogen worden.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1.

Op grond van artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR-UWO kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 8:13 van de CAR-UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

4.2.

Eiseres erkent dat ze op verzoek van [persoon 2] de BRP/GBA heeft geraadpleegd op zoek naar informatie over de verblijfplaats van zijn kinderen. Tevens erkent zij dat ze, naar zij ter zitting heeft verklaard op eigen initiatief, de gegevens van de moeder van [persoon 1] heeft geraadpleegd. Er is dus, anders dan eiseres stelt, sprake geweest van het raadplegen van informatie over meerdere personen. In totaal heeft eiseres zeven keer over een periode van meer dan drie jaar de BRP/GBA geraadpleegd voor privédoeleinden. Dat de verschillende raadplegingen zijn te herleiden tot hetzelfde doel, namelijk het achterhalen van de verblijfplaats van [persoon 1] en de kinderen uit haar relatie met [persoon 2], betekent niet dat sprake is van één handeling. Bij elke afzonderlijke raadpleging van de BRP/GBA dient de afweging te worden gemaakt of die raadpleging legitiem is. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:887). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres bij iedere raadpleging kunnen en moeten inzien dat het ontoelaatbaar was dat ze de BRP/GBA voor privédoeleinden gebruikte. Eiseres heeft zich hiermee niet gedragen zoals het een goed ambtenaar betaamt, ook in de periode waarin eiseres nog niet door verweerder was beëdigd of waarin de BAR-organisatie nog geen vastgesteld integriteitsbeleid had. Of eiseres al dan niet een keer een uitdraai met gegevens uit de BRP/GBA aan [persoon 2] heeft laten zien, is niet relevant. Eiseres heeft haar bevoegdheden meermalen en - anders dan zij stelt - over een langere periode misbruikt door de BRP/GBA voor privédoeleinden te raadplegen. Zij heeft de gevonden informatie ook gedeeld met derden, nu zij ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij [persoon 2] enkele keren heeft verteld dat de BRP/GBA geen informatie bevatte over de verblijfplaats van [persoon 1]. Dat [persoon 2] in een door eiseres overgelegde verklaring stelt dat eiseres geen informatie heeft gedeeld omdat er geen informatie was, volgt de rechtbank evenmin. Ook de mededeling dat de BRP/GBA geen informatie bevat over de verblijfplaats van [persoon 1] is informatie uit de BRP/GBA. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres met het haar verweten gedrag het in haar te stellen vertrouwen heeft geschaad.

Deze gedragingen zijn als ernstig plichtsverzuim aan te merken. De toerekenbaarheid van dit plichtsverzuim aan eiseres is niet in geschil.

5. Eiseres stelt dat verweerder niet op de kortst mogelijk termijn ontslag heeft verleend en dat reeds daarom het ontslagbesluit vernietigd zou moeten worden.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1.

De bevoegdheid van verweerder om eiseres strafontslag te verlenen is in beginsel niet afhankelijk van de voortvarendheid van zijn optreden. Niet kan worden gezegd dat verweerder na ontvangst van de klacht van [persoon 1] dermate lang heeft gewacht met het treffen van maatregelen dat hij in redelijkheid geen gebruik meer heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. Hierbij is van belang dat verweerder na ontvangst van de klacht van [persoon 1] een onderzoek heeft ingesteld naar de gedragingen van eiseres en diverse gesprekken met haar en anderen heeft gevoerd. Eiseres is bij besluit van 27 maart 2017 buitengewoon verlof verleend en op 20 april 2017 is het voornemen tot ontslag kenbaar gemaakt.

6. Eiseres voert aan dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim omdat zij zich nooit eerder schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van plichtsverzuim, er nooit een sanctie is opgelegd en geen rekening is gehouden met haar persoonlijke en financiële situatie.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.1.

De rechtbank acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag, gezien de aard en de ernst van het meermalen en over een langere periode raadplegen van de BRP/GBA voor privédoeleinden in het licht van de terecht gestelde hoge eisen aan de betrouwbaarheid en integriteit van ambtenaren van verweerder, vooral ook van ambtenaren die toegang hebben tot vertrouwelijke persoonsgegevens van burgers, niet onevenredig zwaar. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dit plichtsverzuim het strafontslag zelfstandig kan dragen. De staat van dienst van eiseres en het feit dat het ontslag voor haar grote financiële en persoonlijke gevolgen heeft, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Eiseres heeft het in haar te stellen vertrouwen onherstelbaar beschadigd.

7. Nu verweerder zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt stelt dat het onder 1.2. beschreven plichtsverzuim van eiseres het strafontslag zelfstandig kan dragen, hoeft de rechtbank de beroepsgronden over de andere aan eiseres verweten gedragingen niet te beoordelen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. W.P.M. Jurgens en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 24 september 2018.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.