Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7867

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
ROT 17/4424
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2020:374, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetes opgelegd aan pluimveeslachterij omdat volgens de NVWA toezichthouder kuikens tekenen van bewustzijn vertoonden na het elektrisch waterbad en sprake was van vleugelbeknellingen en rugliggingen bij kuikens in geloste containers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 17/4424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluijter,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman.

Procesverloop

Bij besluiten van 28 oktober 2016, 18 november 2016, 13 januari 2017 en 20 januari 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder eiseres boetes opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren.

Bij besluit van 19 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Dit beroep is tegelijk behandeld met andere beroepen van eiseres, namelijk ROT 17/4425, ROT 18/3138,

ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145, ROT 18/3146 en ROT 18/3059. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] , directeur van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. N. Aamimi.

Overwegingen

1. Het gaat in dit beroep om boetes die verweerder aan eiseres heeft opgelegd omdat een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de pluimveeslachterij heeft geconstateerd (kort gezegd) dat kuikens tekenen van bewustzijn vertoonden na het elektrisch waterbad en dat sprake was van vleugelbeknellingen en rugliggingen bij kuikens in geloste containers. De rechtbank zal hierna eerst de gronden van eiseres bespreken die betrekking hebben op alle zaken. Daarna zal de rechtbank de boetezaken per categorie bespreken, waarbij eerst wordt ingegaan op de gronden van eiseres die voor alle boetezaken in die categorie gelden en vervolgens in elke boetezaak afzonderlijk een beoordeling zal plaatsvinden waarbij, indien van toepassing, ook de gronden die specifiek op de betreffende boetezaak zien, worden meegenomen.

Alle boetes

2. Eiseres voert ten aanzien van alle boetezaken aan dat pijn, spanning of lijden bij het slachten onvermijdelijk is. In artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (Verordening 1099/2009) gaat het dan ook om het beperken van vermijdbare vormen van pijn, spanning of lijden. Uit de considerans van deze verordening (onder 2) blijkt dat pijn, spanning of lijden vermijdbaar is als de voorschriften van deze verordening worden overtreden of als weliswaar geoorloofde methoden worden gebruikt maar deze niet optimaal worden toegepast. Verweerder dient in iedere boetezaak te bewijzen dat hiervan sprake is. De enkele constatering van een toezichthouder dat een kuiken pijn, spanning of lijden ondervindt is onvoldoende om een overtreding vast te stellen, aldus eiseres.

2.1.

De rechtbank overweegt dat eiseres terecht stelt dat voor een overtreding van artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 moet worden vastgesteld dat pijn, spanning of lijden bij de kuikens vermijdbaar was voor eiseres. Duidelijk is dat pijn, spanning of lijden vermeden kan worden door de regels voor de slacht in deze verordening na te leven. Ook de naleving en handhaving van de eigen werkinstructies door eiseres spelen daarbij een rol. Daarnaast zal vaak in het specifieke geval moeten worden bezien of het vermijdbaar was, bijvoorbeeld door tijdig en voldoende controles te verrichten op het welzijn van de kuikens en door tijdig in te grijpen bij welzijnsproblemen. De vermijdbaarheid zal uit het rapport van bevindingen, en een eventuele nadere toelichting daarop, moeten blijken. De rechtbank zal hierna per boetezaak (voor zover artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 is tegengeworpen) beoordelen of sprake was van vermijdbare pijn, spanning of lijden.

De boetes inzake kuikens die na het waterbad tekenen van bewustzijn vertoonden

3. Eiseres voert ten aanzien van de boetezaken over tekenen van bewustzijn bij kuikens na het waterbad aan dat waarnemingen als pupilreflex, corneareflex, spierspanning in de nek, het openen en sluiten van de snavel en het spontaan beginnen met actieve ademhaling naar de normen van EFSA en de Welzijnsgids pluimveeslachterijen (Nepluvi 2014) niet zijn aan te duiden als tekenen van bewustzijn, maar als indicatoren dat er risico van bewustzijn bestaat. Bovendien levert het uit het waterbad komen van kuikens waarbij volgens indicatoren het risico van bewustzijn niet is uitgesloten, op zich geen overtreding op. Van een overtreding kan pas sprake zijn als de spanning in het waterbad onvoldoende is of als tekortkomingen in de bedwelming niet worden gesignaleerd en hierop niet wordt ingegrepen, maar dat is niet geconstateerd, aldus eiseres.

3.1.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 14 augustus 2015, (ECLI:NL:CBB:2015:300) van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een controlerapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wiens bedrijf de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn. De rechtbank stelt vast dat eiseres de aanwezigheid van de door de toezichthouder in de rapporten van bevindingen genoemde tekenen van bewustzijn niet betwist. Ook indien deze waarnemingen slechts als indicatoren voor een risico van bewustzijn kunnen worden aangemerkt, neemt dit niet weg dat op eiseres de taak rust om bij het waarnemen van dergelijke indicatoren in te grijpen om zo de kuikens vermijdbare pijn, spanning en lijden te besparen (zoals ook volgt uit de door eiseres genoemde Welzijnsgids pluimveeslachterijen en uit de werkinstructies van eiseres). Of verweerder terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding, zal hieronder per boetezaak worden beoordeeld.

Boetezaak 201603101

4.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 28 oktober 2016 aan eiseres één boete opgelegd van € 1.500 voor de volgende twee feiten:

  • Kuikens werden niet uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in Bijlage I van Verordening 1099/2009. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid werd niet aangehouden tot bij de kuikens de dood is ingetreden. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009 overtreden.

  • Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten werd er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen dit primaire besluit deels gegrond verklaard, omdat de hierboven genoemde feiten als één feit moeten worden aangemerkt. Het boetebedrag is in het bestreden besluit gelijk gebleven, omdat in het primaire besluit al vanwege de samenhang tussen de feiten slechts één boete is opgelegd.

4.2.

Eiseres voert aan dat het waterbad voldoet aan alle wettelijke eisen, althans dat het tegendeel niet is vastgesteld. Daarnaast stelt eiseres dat de in het rapport van bevindingen beschreven verklaring van medewerker [naam] geen erkenning van een overtreding inhoudt.

4.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 124671/93536) dat hij zag dat meer dan 70 procent van de kuikens die uit het waterbad tevoorschijn kwamen direct weer tekenen van bewustzijn vertoonden. “Dit betekent dat de kuikens direct na het waterbad weer pupilreflex en ooglidreflex vertoonden, spierspanning in de nek hadden, met de snavel open en dicht gingen en spontaan begonnen met actieve ademhaling. Normaal hoort het bewustzijnsverlies stand te houden totdat de dieren middels een halssnede zijn verbloed”, aldus de toezichthouder in het rapport. Daarnaast heeft de Chef Aanvoer, [naam] , volgens het rapport na cautie tegenover de toezichthouder verklaard: “Geen verklaring. De waterbadverdover heeft het hiervoor altijd gedaan.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de beboetbare feiten onder 4.1 heeft begaan. De toezichthoudend dierenarts heeft op basis van zijn deskundigheid vastgesteld dat 70 procent van de kuikens tekenen van bewustzijn vertoonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Het expliciet vaststellen dat het waterbad niet voldoet aan de technische eisen is in dit geval niet noodzakelijk voor het kunnen vaststellen van de overtreding. Immers, uit het rapport van bevindingen blijkt dat 70 procent van de kuikens tekenen van bewustzijn vertoonden na het waterbad, terwijl gebruikelijk is dat na het waterbad de kuikens het bewustzijn hebben verloren, zodat op zijn minst kan worden geconcludeerd dat ergens in het bedwelmingsproces iets niet goed is gegaan en geen sprake was van een incident. Bovendien blijft ook bij een juist ingesteld waterbad, op grond van artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009, op eiseres de verplichting rusten om de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid aan te houden tot bij de dieren de dood is ingetreden.

Boetezaak 201605002

5.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 18 november 2016 aan eiseres drie boetes van elk € 1.500 opgelegd voor drie feiten. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar hiertegen deels gegrond verklaard en een van de boetes laten vervallen. In het bestreden besluit is dus twee maal een boete van € 1.500 opgelegd voor de volgende twee feiten:

  • Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten werd er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 overtreden.

  • De bedrijfsexploitanten zien er niet op toe dat de slachtactiviteiten uitsluitend worden verricht door personen die beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor dergelijke activiteiten overeenkomstig artikel 21 van Verordening 1099/2009. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 7, tweede lid, van Verordening 1099/2009 overtreden.

5.2.

Eiseres voert aan dat feitelijke waarnemingen van de toezichthouder waarop de conclusie is gebaseerd dat een kuiken volledig bij bewustzijn is, ontbreken. Daarnaast had de toezichthouder niet de bevoegdheid om in plaats van een periodieke controle als bedoeld in artikel 5 van Verordening 1099/2009 een permanente controle bij de uitgang van het waterbad te vorderen. Verweerder toont niet aan dat en waarom permanent toezicht was vereist. Het door een onvoldoende gekwalificeerde medewerker uitvoeren van dit onrechtmatig gevorderde toezicht levert dan ook geen overtreding op. Bovendien berustte de controle bij de wel gekwalificeerde medewerker [medewerker H] , aldus eiseres.

5.3.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 125879/95346) dat hij vaststelde dat bij drie van tien vleeskuikens die uit het elektrisch waterbad kwamen de corneareflex aanwezig was en dat de waarde van het waterbad niet voldeed aan de wettelijk vastgestelde waarde van 50 Herz. Vervolgens stelde de toezichthouder vast dat bij vijf van tien kuikens uit het waterbad de conjunctivareflex aanwezig was. De toezichthouder heeft dit gemeld aan chef ontvangst [naam] , die de waarden heeft bijgesteld waarna bij geen enkel door de toezichthouder gecontroleerd kuiken de corneareflex aanwezig was. Na een controle ongeveer anderhalf uur later constateerde de toezichthouder opnieuw dat bij vleeskuikens de corneareflex aanwezig was en heeft hij de [chef ontvangst] erbij gehaald, die de waarden van het waterbad anders heeft ingesteld. De toezichthouder heeft de [chef ontvangst] toen voor de tweede keer gewaarschuwd dat de verdoving constant goed moet zijn en hem de aanwijzing gegeven dat hij de controle op de bedwelming frequenter moet uitvoeren. Een uur later zag de toezichthouder een vleeskuiken volledig bij bewustzijn uit het waterbad komen. De toezichthouder heeft de [chef ontvangst] gezegd dat het toezicht op de verdoving niet goed was en heeft geëist dat er, gezien de omstandigheden continu toezicht bij de uitgang van het waterbad geplaatst moest worden. Enige tijd later zag de toezichthouder een medewerker bij het waterbad die daar de rest van de dag heeft gestaan. Later bleek dat van deze medewerker geen getuigschrift of inschrijving voor de noodzakelijke cursus kon worden getoond, aldus de toezichthouder in het rapport.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de beboetbare feiten onder 5.1 heeft begaan. De toezichthouder heeft meerdere malen geconstateerd dat kuikens die uit het waterbad kwamen nog tekenen van bewustzijn vertoonden. Daarnaast blijkt uit het rapport van bevindingen genoegzaam dat niet adequaat is ingegrepen door medewerkers van eiseres. Eerst na opmerkingen en waarschuwingen door de toezichthouder is het waterbad bijgesteld. Bovendien heeft de toezichthouder in dit geval zelf vastgesteld dat de waardes van het waterbad niet aan de wettelijke eisen voldeden. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de constatering van de toezichthoudend dierenarts dat één kuiken volledig bij bewustzijn was; een nadere omschrijving hiervan in het rapport acht de rechtbank niet noodzakelijk. Overigens staat ook zonder deze constatering reeds in voldoende mate vast dat eiseres de overtreding heeft begaan. Ten aanzien van de door de toezichthouder geëiste controle bij het waterbad is van belang dat op grond van artikel 5, eerste lid, van Verordening 1099/2009 periodieke controles door eiseres moeten worden uitgevoerd om te waarborgen dat de dieren geen tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vertonen. Of de toezichthouder nu wel of niet de bevoegdheid had om in plaats van een periodieke controle continu toezicht bij het waterbad te eisen, is voor de beoordeling van de opgelegde boete voor het tweede feit onder 5.1 niet van belang. Immers, op eiseres rust de verplichting om (in elk geval periodiek) controles op de bedwelming uit te voeren en verweerder heeft aan eiseres geen boete opgelegd voor de frequentie van de controle maar voor de omstandigheid dat de medewerker die de controle uitvoerde niet beschikte over een getuigschrift. Niet in geschil is dat de medewerker die de rest van de dag bij het waterbad stond om de controle uit te voeren, niet over een getuigschrift van vakbekwaamheid of een inschrijving voor de betreffende cursus beschikte. Voorts blijkt uit het rapport van bevindingen niet dat de betreffende controle (tevens) werd uitgevoerd door [medewerker H] of de [chef ontvangst] . De stelling van eiseres dat de betreffende medewerker zonder getuigschrift de controle verrichtte onder toezicht van een van deze heren die wel over een getuigschrift beschikken, wat daar ook van zij, maakt niet dat eiseres de overtreding niet heeft begaan. Immers uit artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van Verordening 1099/2009 volgt dat het beoordelen van de effectiviteit van de bedwelming uitsluitend wordt verricht door personen die beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid.

De boetes inzake vleugelbeknellingen en rugliggingen bij kuikens in geloste containers

6. Eiseres voert ten aanzien van de boetezaken over geconstateerde vleugelbeknellingen en rugliggingen aan dat de verweten gedragingen niet vallen onder het bereik van Verordening 1099/2009 maar onder het bereik van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (de Transportverordening). Het bestaan van vleugelbeknellingen en rugliggingen in de lading is voor eiseres niet vermijdbaar en kan eiseres niet worden verweten. Daarnaast is het gelet op de stapeling van de containers in de transportfase voor eiseres onmogelijk om bij aankomst een volledige check op vleugelbeknellingen en rugligging uit te voeren. Bovendien is niet bewezen dat het uit welzijnsoogpunt voortdurend nodig is corrigerend op te treden. Eiseres beschikt over toereikende procedures om het welzijn bij aankomst vast te stellen en waar nodig corrigerend op te treden. Het enkele feit dat toezichthouders rugligging of vleugel- en kopbeknellingen aantreffen betekent niet zonder meer dat eiseres de in acht te nemen welzijnsprocedures niet heeft gevolgd. In de rapporten van bevindingen is feitelijk niet vastgesteld dat het Controleformulier vleeskuikens (welzijn) bij aanvoer onjuist door eiseres is ingevuld. Daarnaast kan uit de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2017 (ROT 16/7462) worden afgeleid dat een welzijnscontrole moet worden uitgevoerd na het lossen van de vrachtwagens maar vóór het uitladen van de kuikens uit de containers en in de rapporten is door de toezichthouder niet feitelijk geconstateerd dat de containers zijn uitgeladen zonder dat een welzijnscontrole heeft plaatsgevonden. Voorts hanteert de NVWA volgens haar interventiebeleid wel tolerantiemarges voor letsel en dode dieren bij het transport, terwijl de NVWA in deze zaken in het geheel geen marges hanteert voor het aantal geconstateerde vleugelbeknellingen of rugliggingen, aldus eiseres.

6.1.

De rechtbank overweegt dat voor zover de Transportverordening ook van toepassing is op het lossen en/of uitladen van containers bij de slachterij, dit niet betekent dat verweerder eiseres niet kan verwijten dat zij bij het lossen en/of uitladen regels uit de Verordening 1099/2009 heeft overtreden. De regels in Bijlage III van Verordening 1099/2009 die eiseres volgens verweerder heeft overtreden, richten zich ook specifiek op de slachterij terwijl het nog ziet op de situatie van aankomst van de dieren. Dat (ook) de vervoerder of vangploeg verantwoordelijk kan worden gesteld voor beknellingen en rugliggingen bij kuikens, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van eiseres voor het welzijn van de kuikens die zich op haar terrein bevinden. Verweerder verwijt eiseres ook niet dat sprake is van beknellingen en rugliggingen in de geloste containers, maar dat eiseres de containers onvoldoende heeft beoordeeld op welzijnsproblemen bij de kuikens en onvoldoende daarop heeft ingegrepen. Dit zal voldoende uit het rapport van bevindingen moeten blijken. De enkele constatering door een toezichthouder dat sprake was van beknellingen en rugliggingen is dus onvoldoende. Ook moet blijken dat eiseres de welzijnscontrole die volgens Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 moet plaatsvinden niet of onvoldoende heeft verricht of dat zij geen noodzakelijke maatregelen heeft genomen bij geconstateerde welzijnsproblemen. Van belang is dat uit het rapport van bevindingen voldoende blijkt dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om de betreffende controle te verrichten. Immers, als de toezichthouder beknellingen constateert bij containers die net in de aanvoerhal zijn geplaatst terwijl een welzijnsfunctionaris van eiseres nog doende was een welzijnscontrole op korte termijn uit te voeren, kan uit de enkele aanwezigheid van beknellingen in de containers niet worden geconcludeerd dat de welzijnscontrole niet is verricht. Daarbij is ook relevant dat het exacte moment waarop deze controle doorgaans wordt verricht onduidelijk is gebleven en ook in de Verordening hiervoor geen duidelijke termijn is vastgesteld. Bovendien is voor de toezichthouder eenvoudig vast te stellen, middels de administratie van eiseres, sinds wanneer de geladen containers zich op het terrein van eiseres bevinden, aan de hand waarvan (mede) kan worden beoordeeld of eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om de welzijnscontrole uit te voren. Voorts kan een overtreding van Bijlage III, punt 1.1 van Verordening 1099/2009 ook worden vastgesteld indien gebleken is dat eiseres de welzijnscontrole wél heeft verricht maar daarbij beknelde dieren of rugliggingen niet heeft opgemerkt, dan wel daarop niet heeft ingegrepen. In dat geval dient uit het rapport te blijken dat de welzijnscontrole is verricht (bijvoorbeeld door overlegging van een formulier waarop die controle is afgetekend) en dat de toezichthouder wel of meer beknellingen en rugliggingen in de gecontroleerde containers waarneemt dan bij de welzijnscontrole door eiseres is opgemerkt. Of uit de rapporten voldoende blijkt dat de gestelde overtredingen zijn begaan zal hierna per boetezaak worden besproken. Dat de NVWA in haar interventiebeleid op andere gebieden wel tolerantiemarges hanteert, maakt niet dat verweerder die ook in deze situatie moet hanteren. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht gaat het hier om een controle die volgens Bijlage III, punt 1.1 van Verordening 1099/2009 systematisch plaats moet vinden en kunnen geconstateerde beknellingen en rugliggingen op eenvoudige wijze worden opgelost.

Boetezaak 201606792

7.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 13 januari 2017 aan eiseres één boete opgelegd van € 2.500 voor de volgende twee feiten:

  • De bedrijfsexploitanten waarborgen niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst beoordeeld worden door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 15, eerste lid, van Bijlage III van Verordening 1099/2009 overtreden.

  • Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten werd er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen dit primaire besluit deels gegrond verklaard, omdat de hierboven genoemde feiten als één feit moeten worden aangemerkt. Het boetebedrag is in het bestreden besluit gelijk gebleven, omdat in het primaire besluit al vanwege de samenhang tussen de feiten slechts één boete is opgelegd.

7.2.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 128932/96913) dat hij in de aanvoerhal een vrachtauto met oplegger zag staan en dat een heftruck bezig was de oplegger te lossen. De toezichthouder inspecteerde de zojuist geloste containers en zag drie vleugelbeknellingen en een kuiken dat op de rug lag. Desgevraagd verklaarde de chauffeur tegenover de toezichthouder dat hij de containers heeft gecontroleerd en al vijf vleugelbeknellingen en twee rugliggingen heeft gezien en gecorrigeerd, dat hij de containers die daar stonden niet meer had gecontroleerd en normaal gesproken de medewerkers van het slachthuis dat doen, en dat de door de toezichthouder geconstateerde vleugelbeknellingen en rugliggingen aan de binnenkant zitten en hij die niet kan zien. De medewerker aanvoer weigerde de toezichthouder te woord te staan. Vervolgens heeft de toezichthouder ook andere geloste containers gecontroleerd waarin hij ook vleugelbeknellingen en rugliggingen constateerde. Bij het rapport is een registratieformulier ( [kenmerk] ) gevoegd met het onderdeel “Controle vleeskuikens (welzijn) bij aanvoer. Uit dit overzicht volgt dat alleen bij de auto met kenteken [kenteken] welzijnsafwijkingen zijn gecorrigeerd; bij alle andere auto’s staat niets vermeld en zijn er dus geen acties ondernomen ten aanzien van kuikens die bekneld zaten of op de rug lagen, aldus de toezichthouder in het rapport.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het rapport van bevindingen onvoldoende worden afgeleid dat de gestelde overtredingen zijn begaan. Weliswaar beschrijft de toezichthouder dat hij beknellingen en rugliggingen heeft geconstateerd maar uit het rapport kan niet worden afgeleid of eiseres op het moment van de constateringen door de toezichthouder al de gelegenheid heeft gehad om de containers te controleren en zo nodig in te grijpen. Ten aanzien van de eerste controle omstreeks 06.00 uur heeft de chauffeur aangegeven dat de betreffende beknellingen en rugliggingen aan de binnenkant zitten en hij die niet kan zien. Dit wordt door de toezichthouder of door verweerder niet weersproken. Dit maakt dat deze beknellingen en rugliggingen pas na het lossen van de containers uit de vrachtwagen zichtbaar waren terwijl niet blijkt of eiseres op het moment van de constatering door de toezichthouder voldoende gelegenheid heeft gehad om de geloste containers zelf te controleren en zo nodig in te grijpen. Ook blijkt ten aanzien van de latere controle omstreeks 09.15 uur, die andere containers betrof, afkomstig van hetzelfde bedrijf, maar mogelijk - dit blijkt niet uit het rapport van bevindingen - op een later tijdstip aangevoerd, uit het rapport niet dat eiseres reeds de gelegenheid heeft gehad zelf de betreffende containers te controleren. Uit het bij het rapport gevoegde registratieformulier blijkt dat controles van kuikens bij aanvoer hebben plaatsgevonden maar uit het rapport van bevindingen kan niet worden vastgesteld of de constateringen door de toezichthouder zijn gedaan op het moment dat de welzijnscontrole van die betreffende containers door eiseres reeds zijn verricht.

Boetezaak 201607148

8.1.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 20 januari 2017 aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500 voor het volgende feit:

  • De bedrijfsexploitanten waarborgen niet dat de in Bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen, namelijk dat de welzijnsomstandigheden van elke zending dieren systematisch bij aankomst beoordeeld worden door de functionaris voor het dierenwelzijn of door een persoon die rechtstreeks aan die functionaris rapporteert om de prioriteiten in kaart te kunnen brengen, met name door te bepalen welke dieren specifieke welzijnsbehoeften hebben en welke maatregelen genomen dienen te worden om in die behoeften te voorzien. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 15, eerste lid, en Bijlage III, punt 1.1, van Verordening 1099/2009 overtreden.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.

8.2.

De toezichthouder beschrijft in het rapport van bevindingen (kenmerk 129503/97793) dat hij omstreeks 5.45 uur in de tussenruimte bij de aanvoerhal geloste containers zag en dat op de voorste containers de nummers 1, 2 en 3 stonden. De toezichthouder zag op het document ‘Losvolgorde’ dat de containers behoren bij de auto’s 1, 2 en 3. De toezichthouder heeft twee vleugelbeknellingen en twee rugliggingen geconstateerd in de containers van auto 1, één vleugelbeknelling in de containers van auto 2 en twee vleugelbeknellingen en één rugligging in de containers van auto 3. In de loop van de ochtend heeft de toezichthouder het logboek welzijnsmedewerker ingezien waarop stond dat in auto 1, 2 en 3, telkens één vleugelbeknelling was geconstateerd. De toezichthouder concludeert dat de welzijnscheck onvolledig is uitgevoerd. Er waren immers meer vleugelbeknellingen dan de welzijnsmedewerker had geconstateerd en ook waren er rugliggingen aanwezig, aldus de toezichthouder.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat eiseres de overtreding heeft begaan. Uit de bevindingen in het rapport en de daarbij gevoegde bijlagen (formulier ‘Losvolgorde’ en formulier [kenmerk] ) blijkt dat de toezichthouder vleugelbeknellingen en rugliggingen heeft waargenomen in containers, dat die containers nadien door een medewerker van eiseres zijn beoordeeld en dat daarbij minder vleugelbeknellingen en geen rugliggingen zijn geconstateerd. In dit geval blijkt dus uit het rapport en de bijlagen dat de welzijnscontrole door eiseres is verricht maar dat twee vleugelbeknellingen en drie rugliggingen niet zijn opgemerkt. Dit maakt dat voldoende vast staat dat de welzijnscontrole die Bijlage III, punt 1.1 van Verordening 1099/2009 voorschrijft onvoldoende is verricht.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in boetezaak 201606792 ten onrechte de overtreding vastgesteld en dus ten onrechte een boete opgelegd. In boetezaken 201603101, 201605002 en 201607148 heeft verweerder terecht een overtreding vastgesteld en verweerder is bevoegd in die zaken een boete op te leggen.

10. Eiseres voert aan dat verweerder bij de hoogte van de opgelegde boetes geen rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden. Eiseres ondervindt geen economisch voordeel van de gestelde overtredingen. Daarnaast wordt eiseres, gezien het lik-op-stuk beleid van verweerder financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar belast door het moeten voeren van veel bezwaar- en beroepsprocedures. Ook staat de opeenstapeling van boetebesluiten in geen verhouding tot de financiële positie van het bedrijf, aldus eiseres.

10.1.

De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Wet dieren en Verordening 1099/2009 gediende doel - het waarborgen van dierenwelzijn - staat voorop. De hoogte van de boetes als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder in dit geval de boetebedragen had dienen te matigen. Dat eiseres financiële gevolgen ondervindt, is geen reden om de boetes te matigen. Bovendien is niet gebleken dat eiseres door de hoeveelheid aan opgelegde boetes in financiële problemen is gekomen.

11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de boetes in boetezaken 201603101, 201605002 en 201607148 terecht heeft opgelegd en het bestreden besluit ten aanzien van die zaken in stand blijft. In boetezaak 201606792 heeft verweerder echter ten onrechte een boete opgelegd, zodat het bestreden besluit op dat punt wordt vernietigd en het beroep daarom gegrond wordt verklaard. De rechtbank ziet aanleiding om in boetezaak 201606792 zelf in de zaak te voorzien in die zin dat het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond wordt verklaard en het primaire besluit wordt herroepen. Dit betekent dat die boete vervalt.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Naar het oordeel van de rechtbank leidt toepassing van de in het Bpb zuiver forfaitair bepaalde vergoeding tot een dermate disproportionele vergoeding dat er aanleiding bestaat om deze vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb te matigen. Daartoe is van belang dat dit beroep en de beroepen ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139,

ROT 18/3140, ROT 18/3141, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145 en ROT 18/3146, weliswaar niet als samenhangende zaken in de zin van het Bpb kunnen worden aangemerkt, maar wel op onderdelen enige samenhang vertonen ten aanzien van het soort overtreding en een aantal algemene beroepsgronden. Daarnaast zijn al deze beroepen tegelijk op dezelfde zitting behandeld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de forfaitaire toe te kennen vergoeding te halveren. Voor de vaststelling van het forfaitaire bedrag wordt 1 punt toegekend voor de aanvulling van het beroep bij brief van 28 juni 2018 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 8 augustus 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1. Na halvering van dit bedrag komen de te vergoeden kosten voor de rechtsbijstandverlening in dit inhoudelijke deel van het beroep op € 501,-. Ten aanzien van de reiskosten van de directeur van eiseres naar de zitting van 8 augustus 2018 overweegt de rechtbank dat de hiervoor genoemde inhoudelijke beroepen op dezelfde zitting zijn behandeld en hij dus slechts één maal heeft moeten reizen voor de inhoudelijke behandeling van deze beroepen. De rechtbank zal de te vergoeden reiskosten (€ 50,60) dan ook gelijkelijk verdelen over de negen van de hiervoor genoemde beroepen die gegrond zijn verklaard, wat neerkomt op € 5,62 per zaak. Daarmee komen de totale door verweerder te vergoeden proceskosten in dit beroep op € 506,62.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op boetezaak 201606792;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit van 13 januari 2017 in boetezaak 201606792 wordt herroepen;

  • -

    laat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de overige boetezaken in stand;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 506,62.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.