Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7866

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
C/10/537052 / HA ZA 17-977
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon. Assurantietussenpersoon had actiever moeten optreden om onderverzekering te voorkomen. Zowel bij het aangaan van de verzekering als gedurende de looptijd is niet gewezen op de risico’s. Schending zorgplicht. Sprake van causaal verband en schade. Geen sprake van eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2018, afl. 6, p. 297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/537052 / HA ZA 17-977

Vonnis van 19 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. V.L.M.J. Boitelle te Hilversum,

tegen

de commanditaire vennootschap AON NEDERLAND C.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.M. van Asch te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Aon worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 september 2017, met negen producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met zeven producties,

  • -

    de brief van 10 januari 2018 waarin een comparitie van partijen wordt gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 2 november 2015 eigenaar geworden van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] genaamd ‘De Hertenkamp’. Het betreft een terrein met tien opstallen.

2.2.

In april 2016 heeft [eiser] assurantietussenpersoon Aon benaderd voor het verzekeren van drie van de opstallen tegen onder meer brandschade.

2.3.

De heer [persoon 1] , accountmanager bij Aon (hierna: [persoon 1] ), heeft [eiser] op 15 april 2016 bezocht. In het interne bezoekverslag dat door [persoon 1] is opgemaakt staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘(…)

Door DVC [Nb: DVC rentmeesters, beheerder en taxateur van vastgoed, rechtbank] is er een rapportage opgesteld voor het verkrijgen van de NSW status van het landgoed. Hierin wordt een vervangingswaarde genoemde van EUR 1.617.000,00. Dit is inclusief 21 BWT [Nb: BTW, rechtbank].

De specificatie hiervan is als volgt:

Hoofdhuis EUR 357.000

Technische dienst EUR 101.000

Elandhuis EUR 236.000

(…)’

2.4.

In een verslag van 3 mei 2016 dat door [persoon 1] is opgemaakt staat – voor zover relevant – het volgende vermeld:

‘(…) De genoemde herbouwwaarde[s] zijn afgeleid van de door een rentmeester berekende vervangingswaarden. (…) De klant hoeft geen uitgebreide dekking. (…) Wat relatie betreft hoeft ook niet de volle herbouwwaarde verzekerd te worden. (…)’

2.5.

Door de verzekeraars is op 13 mei 2016 vervolgens een offerte voor een opstalverzekering uitgebracht. In de bij de offerte begeleidende e-mail van 13 mei 2016 gericht aan [eiser] staat voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘(…)

De grondslag voor de verzekerde risico’s is de herbouwwaarde. Het bedrag wat benodigd is voor herbouw van het verzekerde gebouw (…) onmiddellijk na de gebeurtenis. De verzekeraars zijn niet bereid gevonden om een premierrisque-dekking af te geven voor de opstallen. Dat brengt ons op het volgende punt. Het vaststellen/benaderen van de te verzekeren herbouwwaarde.

In het aanwezige rapport van DVC wordt gesproken over de gecorrigeerde vervangingswaarde. Dit is niet hetzelfde als een herbouwwaarde. In het telefonisch contact welke ik met de heer [persoon 2] heb [ik] gehad kreeg ik de indruk dat hij desgevraagd/desgewenst een opgave van de herbouwwaarde kan opstellen in de vorm van een taxatierapport. Dit zal ongetwijfeld (extra) kosten met zich meebrengen. Je hebt aangegeven hier geen extra kosten voor te willen gaan maken.

Namens verzekeraars mogen wij je het volgende alternatief, een waardeverslag, aanbieden. Dit wordt door Troostwijk uitgevoerd en de kosten hiervan worden gedragen door de betrokken verzekeraars. Wij hebben afgesproken om na ontvangst van de akkoordverklaring de opdracht tot uitvoering van het maken van het waardeverslag in gang te gaan zetten.

Wij hebben zojuist afgesproken om een voorlopige dekking te regelen op basis van de volgende herbouwwaarden:

  • -

    Hoofdgebouw EUR 1.000.000

  • -

    Paviljoen Elandhuis EUR 600.000

  • -

    Technische ruimte EUR 200.000

(…)

Voor het kunnen opmaken van de polis en ingang zetten van de uitvoering van de waardebepaling ontvangen wij graag de bijgesloten akkoordverklaring na invulling en ondertekening retour. (…)’

2.6.

Tijdens het bezoek van [persoon 1] aan [eiser] op 2 juni 2016 is door [eiser] de akkoordverklaring getekend waarna de voorlopige polis per 13 mei 2016 is opgemaakt. De definitieve polis is op 26 juli 2016 opgemaakt.

2.7.

In een interne notitie met als contactdatum en invoerdatum 3 juni 2016 is door Aon voor zover relevant het volgende vastgelegd:

‘(…)

Onderwerp: Relatie [Nb: [eiser] ] wenst graag het stormrisico afgedekt te krijgen, dit bwsproken [besproken] tijdens het invullen van de akkoordverklaring >>.

Memo: afgesproken om de waardebepaling nog even uit te stellen. Dit in afwachting van mogelijke verhuur van de overige paviljoens.’

2.8.

In een interne notitie van Aon met als agendadatum 27 juli 2016 voor zover relevant het volgende opgenomen:

‘(…)

13.05.2016/skt voorlopige dekking geregeld voor drie panden

03.06.2016/skt akkoordverklaring in dossier; (…) klant maakt nog geen gebruik van aanbod waardeverslag/bepaling.’

2.9.

Op 5 maart 2017 is brand ontstaan op De Hertenkamp in het gebouw waar de technische dienst is gevestigd. Cunningham Lindsey heeft in opdracht van de verzekeraars een schaderapportage opgesteld. De schade is vastgesteld op € 98.454,07 inclusief BTW. Ook heeft Cunningham Lindsey de herbouwwaarde van het gebouw vastgesteld op € 379.525,-. Aangezien het gebouw van de technische dienst was verzekerd voor een bedrag van € 200.000,- en de verzekeraars bij de bepaling van de hoogte van de uitkering rekening hebben gehouden met de onderverzekering, is aan [eiser] een bedrag van

€ 52.812,47 (minus het eigen risico) uitgekeerd.

2.10.

Bij brief van 23 augustus 2017 heeft [eiser] Aon aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van onderverzekering. Aon heeft bij brief van 11 september 2017 aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk en verkort weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Aon te veroordelen om aan [eiser] te betalen de somma van € 43.141,60, vermeerderd met rente en (proces)kosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Aon is toerekenbaar tekort geschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon jegens [eiser] en heeft derhalve onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld, althans wanprestatie gepleegd. Aon heeft niet adequaat en juist geadviseerd over de dekking van de opstalverzekering. Aon heeft in de persoon van [persoon 1] de voorlopige herbouwwaardebedragen geadviseerd. Om de juiste herbouwwaarde vast te stellen zou op kosten van de verzekeraars een waardeverslag worden opgesteld. [eiser] heeft aan de voorwaarden voor het opstellen van een waardeverslag voldaan door de akkoordverklaring te ondertekenen. [eiser] heeft niet verzocht om het opstellen van het waardeverslag uit te stellen. [eiser] is geen deskundige op het gebied van onroerend goed, zodat hij mocht uitgaan van de kennis en kunde van Aon.

3.3.

De conclusie van Aon strekt tot afwijzing van de vorderingen. Hiertoe voert zij het volgende aan. Aon betwist haar zorgplicht te hebben geschonden. De hoogte van de voorlopige herbouwwaarde van de panden is afkomstig van [eiser] zelf. Aon heeft erop gewezen dat een waardeverslag moest worden opgesteld om de precieze herbouwwaardebedragen vast te stellen en zo onderverzekering te voorkomen, maar [eiser] heeft hiervan afgezien. [eiser] wenste namelijk de mogelijke verhuur van de andere paviljoens af te wachten en vond het niet noodzakelijk de hele herbouwwaarde te verzekeren. Vanwege de korte periode tussen het sluiten van de polis en de schade heeft Aon [eiser] hier niet opnieuw aan herinnerd. [eiser] is geen leek op het gebied van opstalverzekeringen nu hij een veelvoud aan vastgoed op zijn naam heeft staan. Verder wordt het causaal verband en de schade betwist. Tot slot is sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Schending zorgplicht?

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van onderverzekering. Partijen houdt verdeeld de vraag of Aon haar zorgplicht als assurantietussenpersoon heeft geschonden door [eiser] niet, dan wel onvoldoende, te behoeden voor het risico van onderverzekering van de drie panden. [eiser] draagt op grond van de hoofdregel van de bewijslastverdeling (art. 150 Rv) de stelplicht en bewijslast van deze stelling.

4.2.

Het uitgangspunt bij beantwoording van voornoemde vraag is dat een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Een assurantietussenpersoon heeft als taak te waken over de belangen van de verzekeringnemer.

Hij dient actief te handelen en als deskundige op het gebied van verzekeringen zijn verzekeringnemers te waarschuwen in geval van grote onderverzekering of het geheel niet verzekerd zijn van relevante schades (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2012:BW1720, r.o. 3.4). In het kader van een brandverzekering mag van een assurantietussenpersoon onder meer worden verwacht dat hij de verzekeringnemer informeert over het belang van het hanteren van de juiste herbouwwaarde, in welk verband hij de verzekeringnemer dient te adviseren de herbouwwaarde van de te verzekeren opstal te laten vaststellen door een deskundige. Hij zal de verzekerde herbouwwaarde periodiek moeten laten toetsen aan de werkelijke herbouwwaarde. Tevens zal hij moeten wijzen op de gevolgen van onjuistheid van die gegevens en op het risico van onderverzekering. De assurantietussenpersoon mag bij het nakomen van zijn verplichtingen niet zonder meer uitgaan van de gegevens die hem zijn aangereikt door de verzekeringnemer.

4.3.

[eiser] stelt dat de in de polis opgenomen (voorlopige) herbouwwaarden gebaseerd zijn op door Aon genoemde bedragen. Aon betwist dit en voert aan dat de in de polis opgenomen bedragen gebaseerd zijn op door [eiser] aangeleverde gegevens.

Als echter al zou komen vast te staan dat deze voorlopige herbouwwaarden door [eiser] zouden zijn aangeleverd, dan mocht Aon niet zonder meer van de juistheid hiervan uitgaan maar diende zij zich zelfstandig te vergewissen van de juistheid daarvan. Het lag in dat verband op de weg van Aon om [eiser] te adviseren de herbouwwaardes te laten vaststellen door een deskundige.

4.4.

Vast staat dat tussen partijen ook is gesproken over het laten uitvoeren van een taxatie of waardebepaling door een deskundige. In de offerte van 13 mei 2016 heeft Aon als alternatief voor een taxatie aangeboden om een waardeverslag te laten opmaken. [eiser] stelt dat hij hiermee akkoord is gegaan en daartoe een akkoordverklaring had ondertekend. Hij was in de veronderstelling dat een waardeverslag zou worden opgemaakt. Voor zover hij in een later gesprek zou hebben aangegeven het opmaken van een waardeverslag te willen uitstellen, zag dit op de andere panden op het terrein, die nog niet waren verzekerd, aldus [eiser] . Aon betwist niet dat [eiser] een akkoordverklaring heeft ondertekend voor het laten opmaken van een waardeverslag maar voert aan dat [eiser] nadien heeft aangegeven hiervan te willen afzien.

4.5.

Vast staat dat partijen op enig moment zijn overeengekomen een waardeverslag te laten opmaken en dat [eiser] de daartoe benodigde akkoordverklaring heeft ondertekend. Dat [eiser] nadien heeft afgezien van het laten opmaken van een waardeverslag onderbouwt Aon door te verwijzen naar twee interne notities opgemaakt door een medewerker van Aon (zie r.o. 2.7. en 2.8.). In de notitie met als contactdatum en invoerdatum 3 juni 2016 staat – voor zover relevant – vermeld dat: “afgesproken [is] om de waardebepaling nog even uit te stellen. Dit in afwachting van mogelijke verhuur...”. In de notitie van 27 juli 2016 staat –voor zover relevant – vermeld: “(…) 13.05.2016 (…) voorlopige dekking geregeld voor drie panden (…) 03.06.2016 (…) klant maakt nog geen gebruik van aanbod waardeverslag/bepaling”. De rechtbank stelt vast dat beide notities dezelfde strekking hebben en de datum van 3 juni 2016 vermelden, zodat kennelijk sprake is van twee notities die zien op hetzelfde gesprek. Nog los van de vraag of tijdens dit gesprek is gesproken de drie verzekerde panden, hetgeen [eiser] betwist, kan uit deze notities niet volgen dat [eiser] definitief van het opmaken van een waardeverslag wilde afzien. Immers de waardebepaling werd ‘uitgesteld’ in afwachting van mogelijke verhuur dan wel maakte [eiser] ‘nog’ geen gebruik van het aanbod van een waardebepaling. Nu [eiser] had aangegeven een waardebepaling te willen laten uitvoeren en er geen sprake was van het definitief afzien daarvan, had het op de weg van Aon gelegen om op een later moment alsnog aan te dringen op een waardebepaling, dan wel bij [eiser] te verifiëren of hij hiervan definitief wilde afzien. Gesteld noch gebleken is dat Aon dit heeft gedaan. Dit terwijl de periode van 9 maanden nadat tot uitstel werd besloten (op 3 juni 2016) tot aan de brand (op 5 maart 2017) daartoe meer dan voldoende gelegenheid bood.

4.6.

Vervolgens is de vraag aan de orde, of Aon [eiser] heeft gewezen op het belang van een (juiste) waardebepaling en het risico van onderverzekering. [eiser] stelt dat Aon dit op geen enkel moment gedaan heeft, hetgeen Aon onder verwijzing naar de door haar overgelegde stukken betwist. Dat Aon op enig moment op deze risico’s heeft gewezen kan echter niet uit de processtukken blijken. In de e-mail van 14 mei 2016 waarin [eiser] de mogelijkheid tot het opmaken van een waardeverslag, als alternatief voor een taxatie, wordt voorgehouden, is niet gewezen op het belang van een waardebepaling en/of de risico’s van onderverzekering. Andere stukken waaruit dit zou kunnen blijken zijn niet in geding gebracht. Dat aannemelijk is dat [eiser] hierop is gewezen omdat in een gesprek met de klant een checklist wordt gehanteerd waarop het risico van onderverzekering staat vermeld, is onvoldoende om te onderbouwen dat in dit specifieke geval op dit risico is gewezen. Daar komt nog bij dat Aon, zoals ter zitting namens haar is verklaard, in ieder geval [eiser] tijdens het gesprek over het uitstellen van een waardebepaling (te weten op 3 juni 2016), niet heeft gewezen op de risico’s van het afzien daarvan. Gesteld noch gebleken is dat Aon dat op het later moment alsnog heeft gedaan. Aldus heeft Aon niet alleen nagelaten terug te komen op het uitvoeren van een waardebepaling van de verzekerde panden, maar staat – als onvoldoende gemotiveerd betwist – tevens vast dat Aon [eiser] niet op enige heeft gewezen op het belang van een juiste waardebepaling en op de risico’s van onderverzekering.

Aon heeft in dit verband nog aangevoerd dat [eiser] zelf heeft aangegeven dat niet de volle herbouwwaarde verzekerd hoefde te worden omdat hij het financiële risico dat daarmee gepaard ging kon dragen. Aon wijst in dit verband op een gespreksnotitie van [persoon 1] van 3 mei 2016. [eiser] betwist dat hij niet de volledige herbouwwaarde wilde verzekeren. Hij wijst erop dat hij een akkoordverklaring ter zake een waardebepaling had ondertekend en dat hij inmiddels de verzekerde waarde van het hoofdgebouw fors naar boven heeft bijgesteld. In zoverre er gesproken is over het financiële risico dat hij kon dragen zag dit op de hoogte van het eigen risico, aldus [eiser] . Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] is niet komen vast te staan dat [eiser] niet de volle herbouwwaarde verzekerd wilde hebben. Daarbij geldt dat indien [eiser] wel zou hebben verklaard dat de volle herbouwwaarde niet verzekerd hoefde te worden, dit reden te meer was voor Aon als professioneel assurantietussenpersoon, om [eiser] op de risico’s van onderverzekering te wijzen en de noodzaak van het (alsnog) laten uitvoeren van een waardebepaling.

4.7.

Aon had zich moeten overtuigen van een juiste herbouwwaarde van de drie opstallen en in dat verband actiever moeten handelen. Immers, het belang van de herbouwwaarde zoals in de verzekering is opgenomen betreft één van de essentialia van een brandverzekering. Daarbij had Aon [eiser] moeten informeren over het belang van de juiste herbouwwaarde en moeten wijzen op het risico van onderverzekering. Aon heeft dit nagelaten en daarmee niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Aon is dan ook toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon en in beginsel gehouden de door [eiser] hierdoor geleden schade te vergoeden.

4.8.

Hierbij is nog van belang dat het verweer van Aon dat de omstandigheid dat [eiser] een ondernemer is die vastgoed beheert en verhuurt, dat hij zelf (financiële) risico’s kon dragen en over voldoende kennis van zaken beschikte om de waarde van de opstallen te kunnen inschatten, wordt gepasseerd. Een verzekeringnemer heeft weliswaar een eigen verantwoordelijkheid bij het aangaan van een verzekering, echter deze verantwoordelijkheid doet niet af aan de zorgplicht van de assurantietussenpersoon, die onder meer inhoudt dat Aon [eiser] had moeten wijzen op de risico’s van onderverzekering. Daarbij komt nog dat [eiser] heeft betwist dat hij als deskundige op het gebied van onroerend goed kan worden aangemerkt en dat dit door Aon niet is onderbouwd.

Causaal verband

4.9.

Voorts betwist Aon dat er een causaal verband is tussen het tekortschieten in haar zorgplicht en de (gestelde) geleden schade. [eiser] ziet immers zelf geen aanleiding zich voldoende te verzekeren, hetgeen blijkt uit het feit dat hij pas een half jaar na koop van De Hertenkamp een deel van de opstallen heeft laten verzekeren, hij tot op heden geen waardeverslag heeft laten opstellen en panden op het terrein nog altijd onverzekerd laat. Geen enkele gedraging van Aon voorafgaand aan de schade zou er dus toe hebben geleid dat [eiser] de verzekerde waarde zou hebben verhoogd. De rechtbank volgt Aon hierin niet. Niet weersproken is dat [eiser] na de brand in ieder geval één van de drie panden tegen een aanzienlijk hogere waarde heeft verzekerd. Ook heeft [eiser] tijdens de comparitie toegelicht, hetgeen door Aon niet is betwist, dat hij slechts drie van de negen panden had verzekerd omdat de andere panden al waren verzekerd, dan wel dusdanig verbouwd/afgebroken zouden worden dat een verzekering geen doel diende. Voor het overige heeft Aon niet aangegeven op grond waarvan [eiser] bij een actievere houding van Aon ook zou hebben afgezien van het laten opmaken van een waardeverslag en daarmee de verzekerde waarde zou hebben opgehoogd. De stelling van [eiser] dat er sprake is van causaal verband tussen het tekort schieten en de schade is aldus onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Schade

4.10.

Aon stelt dat [eiser] geen schade lijdt nu [eiser] niet heeft aangetoond dat hij het pand niet kan herstellen met het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag. Ook zou [eiser] hebben aangegeven dat hij het pand kan herbouwen voor een lager bedrag dan aan schade is vastgesteld. Dit verweer treft geen doel. De onderverzekering als zodanig – en dus een te laag vastgestelde herbouwwaarde – staat vast. De opstalverzekeraars hebben op basis hiervan niet de volledig vastgestelde schade aan het pand uitgekeerd. De hoogte van de schade aan het pand wordt door Aon niet betwist. De stelling dat [eiser] het pand kan herbouwen voor een lager bedrag dan door Cunningham Lindsey aan schade is vastgesteld is niet onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd.

Eigen schuld

4.11.

Aon doet tot slot een beroep op eigen schuld aan de zijde van [eiser] . De schade dient volgens Aon volledig voor rekening van [eiser] te blijven nu [eiser] zelf de herbouwwaarden heeft doorgegeven en hij af zag van het aanbod een waardeverslag op te laten stellen. Daarnaast is [eiser] geen leek op dit gebied maar aan te merken als een deskundige partij. De rechtbank passeert dit verweer gelet op hetgeen onder r.o. 4.3., 4.5. en 4.8. is overwogen.

Conclusie

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat Aon in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon toerekenbaar tekort is geschoten waardoor [eiser] schade heeft geleden ten bedrage van € 43.141,60. De vordering van [eiser] is daarmee toewijsbaar. Ook de gevorderde wettelijke rente zal, als niet weersproken, worden toegewezen.

4.13.

Aon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 102,10

- griffierecht 883,00

- salaris advocaat 2.148,00 (2,0 punten× tarief € 1.074,00)

Totaal € 3.133,10

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Aon om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 43.141,60 (drieënveertig duizendéénhonderdéénenveertig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 21 september 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Aon in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.133,10, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 19 september 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Aon in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Aon niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018. 3008/2872