Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7862

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/4409
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boetes opgelegd door de NVWA aan een pluimveeslachterij omdat de temperatuur van het water in de sterilisatoren te laag was. Het gaat om een overtreding van punt 3 van Bijlage III, Sectie II, Hoofdstuk II, van Verordening 853/2004 waarin staat dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten beschikken over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. De rechtbank overweegt onder meer dat uit het rapport van bevindingen voldoende blijkt dat op het moment van de constatering door de toezichthouder van de NVWA het slachtproces al begonnen was en dat de sterilisatoren nog niet aan stonden. Daarnaast volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat het op de weg van verweerder lag om nader te onderzoeken of er voor de ontsmetting van gereedschap een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect bij eiseres aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 17/4409

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluyter,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Turuçlu.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 2.500,- vanwege een overtreding van bij of krachtens de Wet Dieren gestelde voorschriften.

Bij besluit van het 6 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde bijgestaan door [naam] , directeur van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. N. Aamimi, en [naam] , toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiseres een boete van € 2500,- opgelegd omdat eiseres als exploitant van een levensmiddelenbedrijf niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van tenminste 82 graden Celsius of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig ontsmettend effect. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk II, punt 3 van Verordening (EG) nr. 853/2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004), gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren en artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten, overtreden.

2. Eiseres voert in beroep aan dat geen sprake is van een overtreding. De sterilisatoren waren wel aanwezig op het moment van de controle door de NVWA, maar deze waren nog niet in bedrijf. De betreffende afdelingen waren op dat moment namelijk nog niet in bedrijf, ze waren nog aan het opstarten. De omschrijving van verweerder in het rapport van bevindingen is te vaag en te algemeen om vast te stellen wat er op de afdelingen gebeurde op het moment van de controle.

Verweerder leidt uit het rapport van bevindingen ten onrechte af dat eiseres niet over een alternatief systeem voor ontsmetting beschikte. Onder verantwoordelijkheid en controle van de leidinggevende en met schriftelijke verslaglegging reinigt en ontsmet eiseres ook op andere verantwoorde wijze het gereedschap. Uit het rapport van bevindingen blijkt niet of en hoe de toezichthouder onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect, zoals in Verordening 853/2004 wordt genoemd. Verweerder heeft hiermee niet aan zijn bewijsplicht voldaan, aldus eiseres.

2.1.

Verweerder heeft de boete gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 14 oktober 2016 op ambtsbelofte is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA met toezichthoudernummer 32730. De toezichthouder beschrijft in dit rapport dat hij op 14 oktober 2016 omstreeks 08.00 uur in het bedrijf van eiseres was in het kader van regulier toezicht. Hij heeft twee sterilisatoren gecontroleerd in de aanvoerhal, op de panklaarafdeling en in de delenhal. Deze controle heeft hij gedaan door gebruik te maken van een door de NVWA ter beschikking gestelde gekalibreerde thermometer. Hij zag dat de sterilisatoren in de aanvoerhal (aansnijders) een temperatuur hadden van 40,9 en 42,9 graden Celsius, op de panklaarafdeling een temperatuur van 82,1 en 80,6 graden Celsius en in de delenhal een temperatuur van 11,7 en 15,7 graden Celsius: in die hal stonden de sterilisatoren zelfs nog niet aan. Hij constateerde dat de uitsnijderij (waaronder de delenhal), waar vlees van pluimvee werd bewerkt niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 graden Celsius en dat daar geen alternatief systeem met een gelijkwaardig effect aanwezig was. Toen de toezichthouder de chef van de delenhal/inpak van het bedrijf van eiseres hiermee confronteerde, heeft deze, nadat hem de cautie was gegeven, verklaard dat men vergeten was de sterilisatoren aan te zetten.

Bij het verweerschrift van 22 september 2017 heeft verweerder een aanvullend/gewijzigd rapport van bevindingen van dezelfde toezichthouder gevoegd dat op ambtsbelofte is opgemaakt op 21 augustus 2017. De enige wijzigingen ten opzichte van het eerdere rapport is dat de toezichthouder heeft toegevoegd dat hij tijdens het slachtproces (cursivering door de rechtbank) heeft geconstateerd dat de uitsnijderij waar vlees van pluimvee werd verwerkt niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 graden Celsius of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig steriliserend effect.

2.2.

Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een controlerapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en uit het rapport zelf niet blijkt dat kan worden getwijfeld aan de juistheid van de bevindingen van dit rapport. De persoon bij wiens bedrijf de controle is verricht moet dan aannemelijk maken dat de bevindingen in dit rapport toch onjuist zijn.

2.3.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in voldoende mate uit het rapport van bevindingen van 14 oktober 2016 en 21 augustus 2017 wat de toezichthouder eiseres heeft verweten. De toezichthouder heeft geconstateerd dat de in het bedrijf van eiseres aangetroffen sterilisatoren niet de vereiste temperatuur hadden. Hierdoor kon het gereedschap voor de slacht van pluimvee niet op de juiste wijze worden ontsmet. In het aanvullend proces-verbaal van 21 augustus 2017 staat expliciet dat de constateringen door de toezichthouder tijdens het slachtproces zijn gedaan. Maar ook uit het rapport van bevindingen van 14 oktober 2016 blijkt al dat het slachtproces was aangevangen op het moment van de controle door de toezichthouder. Op pagina 1 van dit rapport staat immers dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat de uitsnijderij waar vlees van pluimvee werd bewerkt (cursivering door de rechtbank) niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 graden Celsius of een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Anders dan eiseres in beroep stelt, vindt de rechtbank deze omschrijving in het rapport voldoende duidelijk en concreet om aan te nemen dat het slachtproces op dat moment al was begonnen. Er is dus geen grond voor het oordeel dat het rapport van bevindingen op dit punt onvoldoende duidelijk is en dat verweerder het rapport in beroep niet had mogen aanvullen.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de delenhal deel uitmaakt van de uitsnijderij. In het rapport staat dat eiseres ( [naam] ) rapport is aangezegd voor de delenhal (waar de sterilisatoren niet aan stonden). Uit het rapport blijkt dat de sterilisatoren in de delenhal op het tijdstip van de controle door de toezichthouder (8.00 uur) nog niet aan stonden. Hoewel in het rapport ook de aanvoerhal en de panklaarafdeling worden genoemd, heeft de geconstateerde overtreding uitsluitend betrekking op de delenhal, aldus verweerder. Op die afdeling heeft de toezichthouders geconstateerd dat de twee sterilisatoren een temperatuur van 11,7 graden en 15,7 graden Celsius hadden. Eiseres heeft dat ook niet betwist.

Uit het rapport blijkt verder dat eiseres niet over een alternatief systeem met een gelijkwaardig steriliserend effect beschikte. Eiseres stelt in beroep slechts dat er een andere methode voor ontsmetting binnen haar bedrijf wordt gehanteerd, maar zij heeft dit tijdens de controle niet toegelicht. Indien eiseres andere methoden van ontsmetting zou hanteren, dan had dit voor de toezichthouder zichtbaar moeten zijn. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om tijdens de controle te reageren op de bevindingen van de toezichthouder en zij had op dat moment kunnen aantonen dat er een alternatief ontsmettingssysteem beschikbaar was. De chef delenhal/inpak heeft op dat moment alleen verklaard dat men was vergeten om de sterilisatoren aan te zetten. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het op de weg van verweerder lag om nader te onderzoeken of er een alternatief systeem voor de ontsmetting van het gereedschap aanwezig was. Dit volgt ook niet uit artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk II, punt 3 van Verordening 853/2004.

2.4.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap adequaat te ontsmetten. Verweerder gaat er terecht van uit dat het er om gaat dat de apparatuur om te ontsmetten voorhanden en in werking is; niet of er zich een onhygiënische situatie heeft voorgedaan. In de bijlage III, sectie I, hoofdstuk II, onder punt 3 van de Verordening 853/2004 staat het als volgt omschreven: “… moeten beschikken over de nodige voorzieningen…. ”. Die voorzieningen moeten dus klaar staan en geschikt zijn om te ontsmetten. Daar gaat het om. Als de apparatuur niet klaarstaat en geschikt is, is het risico te groot dat bijvoorbeeld een slachter ervoor kiest om een mes dat op de grond valt weer te gebruiken, zonder het op de vereiste wijze te ontsmetten; als hij op dat moment de apparatuur nog moet aanzetten, kost dat teveel oponthoud. Over de uitleg van de bepaling van genoemd punt 3 kan in die zin geen twijfel bestaan.

Verweerder heeft dus terecht vastgesteld dat eiseres artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk II, punt 3 van Verordening 853/2004, gelezen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren en artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten heeft overtreden. Gelet op artikel 8.6 en artikel 8.7 van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.2, eerste lid, onder c, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, artikel 1.2 en de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren was verweerder bevoegd om eiseres een boete van € 2.500,- op te leggen.

3. Eiseres voert aan dat, als er al sprake is van een overtreding, de boete op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren moet worden gehalveerd, omdat het door verweerder gestelde risico voor de volksgezondheid niet in verband staat met het onvoldoende op temperatuur zijn van het water in de sterilisatoren. Uit het rapport van bevindingen blijkt niet dat is geconstateerd dat het gereedschap is ontsmet in water met een te lage temperatuur. Verweerder verwijt haar dan ook ten onrechte dat zij niet hygiënisch zou hebben gewerkt, aldus eiseres.

3.1.

Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat door de handelwijze van eiseres het risico ontstaat dat ziekmakende bacteriën en ongedierte zich kunnen nestelen en vermeerderen in de bedrijfsruimte van eiseres waar levensmiddelen worden verwerkt. Verontreinigde levensmiddelen leveren een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid, ook voor de gezondheid van de eigen medewerkers van eiseres. Dat het gevaar pas ontstaat op het moment dat de sterilisatoren met water op een te lage temperatuur daadwerkelijk worden gebruikt voor het ontsmetten van gereedschap doet niets af aan het hiervoor genoemde risico.

Nu er geen sprake is van een gering risico voor de volksgezondheid, heeft verweerder de boete niet hoeven halveren op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.

4. Het beroep is dus ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van

P. Deinum, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 21 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.