Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:7824

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
C/10/546873 / KG ZA 18-262
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, erfrecht, vordering tot verstrekken informatie aan legitimarissen ter berekening legitieme beperkt toegewezen. Vooralsnog onaannemelijk dat eisers een vordering hebben, maar door gebrekkige informatie erfgenaam ook niet volstrekt ondenkbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/401
ERF-Updates.nl 2018-0211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/546873 / KG ZA 18-262

Vonnis in kort geding van 17 september 2018

in de zaak van

1 [naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

eisers,

advocaat mr. M.H.W.J. Hendriks te Vlaardingen,

tegen

[naam gedaagde] ,

(tevens in haar hoedanigheid van uitvoerder van de laatste wilsbeschikking van erflater, de heer [naam erflater] ),

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 maart 2018, met producties;

  • -

    de producties gedaagde;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 11 april 2018;

  • -

    de pleitnota van eisers;

  • -

    het proces-verbaal van 11 april 2018 met daarin de tussen partijen gemaakte voorlopige afspraken;

  • -

    de aanhouding ten behoeve van de uitvoering van voormelde afspraken en het treffen van een definitieve regeling;

  • -

    de aanvullende producties van eisers;

  • -

    de aanvullende producties van gedaagde;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling gehouden op 3 september 2018;

  • -

    de pleitnota van eisers.

1.2.

Na de eerste mondelinge behandeling hebben partijen de voorzieningenrechter bericht dat tussen hen geen (nadere) minnelijke regeling tot stand is gekomen. Zij hebben verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling. Hierop heeft de voorzieningenrechter de voortzetting van de mondelinge behandeling bepaald op 3 september 2018.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 10 oktober 2016 is overleden de heer [naam erflater] , geboren te [geboorteplaats erflater] op [geboortedatum erflater] (hierna: erflater), laatstelijk wonende te Curaçao (Nederlandse Antillen). Eisers zijn twee van de drie kinderen van erflater uit zijn eerste (en enige) huwelijk.

2.2.

Bij testament van 9 mei 2016 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. Hierbij heeft erflater gedaagde (zijn partner) benoemd tot zijn enige erfgename. Daarnaast heeft hij haar aangewezen als executeur. Gedaagde heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en zij heeft haar benoeming tot executeur aanvaard.

2.3.

Bij leven genoot erflater inkomen uit AOW. Daarnaast was hij (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van twee op Curaçao gevestigde besloten vennootschappen. Uit [naam vennootschap 1] ontving hij provisie voor werkzaamheden verricht voor [naam vennootschap 2] . In 2015 ontving erflater een dividenduitkering van € 107.000,00.

2.4.

Bij brief van 11 januari 2017 heeft de voormalig echtgenote van erflater (de moeder van eisers) aan gedaagde meegedeeld dat zij aanspraak maakt op € 139.570,90 aan achterstallige partneralimentatie over de periode van 1 maart 2012 tot en met 10 oktober 2016.

2.5.

Eisers zijn legitimarissen. Zij hebben bij brieven van 11 januari 2017 respectievelijk 3 februari 2017 bij gedaagde aanspraak gemaakt op hun legitieme portie en daartoe om informatie verzocht.

2.6.

Na een herhaald verzoek op 15 mei 2017 van de advocaat van eisers heeft gedaagde op of omstreeks 7 juli 2017 een overzicht van bezittingen en schulden (een boedelbeschrijving) verstrekt en daarna ook een aantal onderliggende bescheiden.

Op de schuldenlijst staan bij de schulden na overlijden posten van in totaal ruim € 9.000,00 ter zake van onder meer rouwadvertenties en een verblijf op Curaçao, waaronder vliegtickets, hotel- en dinerkosten, en kosten voor hondenopvang.

2.7.

Op voormelde boedelbeschrijving staat ook een flexibel krediet van ABN AMRO met een saldo van -/- € 8.632,92. Dit krediet was bij brief van 9 mei 2017 kwijtgescholden.

2.8.

Op de boedelbeschrijving staat onder ‘overige bezittingen’ vermeld dat de waarde van de aandelen in [naam vennootschap 2] nihil was.

2.9.

In antwoord op vragen van eisers heeft de advocaat van gedaagde bij brief van 11 september 2017 onder meer aan eisers meegedeeld dat:

  • -

    de nalatenschap negatief is;

  • -

    er geen sprake is geweest van giften, zodat daarvan geen bewijs kan worden overgelegd;

  • -

    er geen woning of inboedel op Curaçao is;

  • -

    de kosten van de rouwadvertenties zijn kwijtgescholden;

  • -

    de kosten van de executele al hoger zijn dan de activa van de nalatenschap.

2.10.

Bij verzoekschrift van (eveneens) 11 september 2017 heeft gedaagde onder overlegging van de in 2.6 vermelde boedelbeschrijving de kantonrechter van de rechtbank Den Haag verzocht de vereffening van de nalatenschap op te heffen.

In het verzoekschrift heeft gedaagde verklaard dat de legitieme portie nihil is en dat zij

dat zij niet bekend is met schenkingen van erflater die dat anders maken.

2.11.

Bij brief van 12 september 2017 heeft [naam bedrijf 1] te Curaçao (hierna: [naam bedrijf 1] ) aan gedaagde opgave gedaan van de bezittingen en schulden (waaronder bankrekeningen en creditcard) van [naam vennootschap 1] en [naam vennootschap 2] . In deze brief staat vermeld dat de bezittingen en schulden van [naam vennootschap 1] op 10 oktober 2016 per saldo € 10.137,96 bedroegen en die van [naam vennootschap 2] nihil. Volgens deze opgave had [naam vennootschap 1] twee bankrekeningen en een creditcard en had [naam vennootschap 2] , buiten de aandelen in [naam vennootschap 1] met waarde nihil, geen bankrekening, bezittingen of schulden.

2.12.

Bij beschikking van 8 januari 2018 heeft de kantonrechter het verzoek tot opheffing van de vereffening afgewezen. Hiertoe is overwogen dat de vereffening kennelijk al heeft plaatsgevonden omdat de boedelbeschrijving is ingediend, de goederen te gelde zijn gemaakt en de opbrengst is verdeeld.

2.13.

Bij brief van 20 februari 2018 heeft gedaagde met verwijzing naar de in 2.11 vermelde brief van [naam bedrijf 1] aan eisers meegedeeld dat de bezittingen en schulden van [naam vennootschap 1] een positief saldo hadden van € 10.137,96. Daarnaast heeft gedaagde in die brief geschreven dat er geen giften gedaan zijn aan haar.

2.14.

In een e-mail van 1 april 2018 heeft de heer [naam] , werkzaam bij [naam bedrijf 2] te Curaçao, aan gedaagde het volgende geschreven:

Beste [naam gedaagde] , (...)

Wat een ellende. De kinderen zijn op zijn zachtst gezegd niet goed bij hun hoofd.

[naam erflater] bezat praktisch niets en leefde eigenlijk van hetgeen hij verdiende en dat was ook weer niet zoveel, dat je daar geld aan over hield. (...)

[naam erflater] was zeker geen eigenaar van wat dan ook.

Als [naam erflater] kwam dan verbleef hij in een hotel. En het huis waar ik je heb bezocht was toch ook gehuurd en geen eigendom? En daar moest je toch ook uit?

2.15.

Naar aanleiding van de op 11 april 2018 tussen partijen getroffen minnelijke regeling heeft gedaagde aan eisers afschriften verstrekt van de bankafschriften en creditcard(s) van erflater over een periode van zes maanden voorafgaand aan zijn overlijden.

2.16.

Eveneens op grond van de in 2.11 bedoelde regeling heeft [naam bedrijf 2] op verzoek van gedaagde over dezelfde periode een overzicht gegeven van zakelijke geldstromen in de vennootschappen die te herleiden zijn tot erflater privé en van privéuitgaven die ten laste van de vennootschappen zijn gebracht. In dit overzicht zijn meerdere “wire transfers”, zonder verdere aanduiding, opgenomen.

2.17.

Bij brief van 31 juli 2018 heeft [naam bedrijf 2] verklaard dat [naam vennootschap 1] over twee bankrekeningen beschikte, een rekening eindigend op 195 en een creditcardrekening.

2.18.

[naam bedrijf 2] heeft in verband met de werkzaamheden een factuur verzonden van ANG 7.488,60.

2.19.

In een ongedateerde verklaring heeft gedaagde het volgende geschreven:

Ontvangen bedragen over een periode van 10-04-2016 tot en met 10-10-2016. Dit heb ik van mijn eigen bankafschriften overgenomen. Deze betalingen werden gedaan, omdat ik in die periode vaak kosten voor [naam erflater] voorschoot. We rekenden dat niet altijd precies uit, we gingen ook geen bonnetjes bewaren ofzo, maar we deden dat gewoon zo. Ik zie de betalingen niet als schenkingen aan mij. Weet niet of dat nog van belang is. De laatste 7.500,00 was voor de begrafenis waar ook het eten met z’n allen bijhoorde.

26-04-20016 € 1.000,00

01-06-2016 € 1.000,00

27-06-2016 € 1.000,00

20-07-2016 € 2.000,00

09-08-2016 € 1.000,00

26-09-2016 € 2.500,00

06-10-2016 € 2.500,00

07-10-2016 € 2.500,00

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – samengevat – gedaagde te veroordelen aan eisers af te geven de volgende bescheiden:

- ABN AMRO privérekening, rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] , afschriften van 10 oktober

2011 tot 10 oktober 2016;

- ABN AMRO flexibel krediet, rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] , afschriften van 10 oktober

2011 tot 10 oktober 2016;

- SET /Vidanova Bank N.V. te Curaçao, rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] , afschriften van 10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016;

- SET / Vidanova Bank N.V. te Curaçao, rekeningnummer [bankrekeningnummer 4] , afschriften van 10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016;

- RBC bank te Curaçao, verklaring over de door erflater aangehouden rekeningen en

vervolgens van al deze rekeningen afschriften van 10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016;

- ORCO Bank te Curaçao, verklaring over de door erflater en de door [naam vennootschap 1]

gehouden rekeningen en vervolgens van al deze rekeningen afschriften van

10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016;

- Alex bank beleggingsportefeuille en rekening-courant, rekeningnummer [bankrekeningnummer 5] ,

afschriften van 10 oktober 2011 tot 10 oktober 2016;

- Aangiften en aanslag inkomstenbelasting Curaçao over de jaren 2011 tot en met 2016,

dan wel indien over enig jaar geen aangifte is gedaan een verklaring hieromtrent van de

belastingdienst;

- Aangiften en aanslag inkomstenbelasting Nederland over de jaren 2011 tot en met

2016, dan wel indien over enig jaar geen aangifte is gedaan een verklaring hieromtrent

van de belastingdienst;

- Verklaring [naam bedrijf 2] over hun werkzaamheden voor erflater dan wel zijn B.V. dan wel

erfgename rondom 10 oktober 2016 en meer in het bijzonder aangaande

vermogensverschuivingen die zijn uitgevoerd met het oog op het overlijden van erflater;

- Onderbouwde waardering aandelen B.V. ‘s op peildatum (jaarstukken 2016 zijn geen waardering en niet van peildatum);

- Opgave van levensverzekeringen (sommenverzekeringen) van erflater welke als gevolg van zijn overlijden tot uitkering zijn gekomen, met vermelding van uitgekeerde bedragen en begunstigden;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering leggen eisers het volgende ten grondslag.

Op grond van artikel 4:78 BW hebben eisers recht op informatie om de omvang van hun legitieme portie te kunnen berekenen. De tot op heden door gedaagde als erfgename en executeur verstrekte gegevens (dezelfde gegevens die ook aan kantonrechter zijn verstrekt) bevatten aantoonbare onjuistheden, met name voor wat betreft de opgevoerde schulden. Ook de naar aanleiding van de minnelijke regeling verstrekte informatie roept vragen op over de volledigheid ervan. Zo is ten aanzien van een bedrag van € 22.160,01 aan privéopnamen uit [naam vennootschap 1] onduidelijk waaraan deze bedragen zijn besteed en niet valt uit te sluiten dat er nog andere bankrekeningen/creditcards waren dan die thans bij eisers bekend zijn. Zo eisers nog altijd niet duidelijk van welke creditcard op 7 oktober 2016 de zuurstof is betaald. In de maanden voor het overlijden van erflater zijn er forse opnamen gedaan en daarnaast was ook sprake van een royaal uitgavenpatroon. Eisers hebben voor diens overlijden bij erflater medewerkers van [naam bedrijf 2] aangetroffen. Op enig moment heeft gedaagde tegen haar dochter gezegd dat “alles was overgezet”, of woorden van gelijke strekking.

Eisers hebben daarom voldoende belang bij verstrekking van de gevraagde bescheiden teneinde zelf vast te stellen of sprake is van giften. Pas na overlegging alle informatie kan worden vastgesteld dat legitimaire massa negatief is en dat eisers geen vordering hebben. Bij de huidige stand van zaken valt het bestaan van die vordering niet uit te sluiten. Eisers hebben belang bij oplegging van een dwangsom, zodat gedaagde niet opnieuw bescheiden zal achterhouden.

3.3.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer en voert daartoe het volgende aan.

Gedaagde heeft de gevraagde informatie verstrekt en daarmee heeft zij ruimschoots aan haar verplichtingen voldaan. Anders dan eisers menen, is gedaagde niet gehouden tot het afleggen rekening en verantwoording en/of het verstrekken van informatie over haar eigen bankrekening. De door eisers gevraagde informatie is bovendien niet eenvoudig te verkrijgen bij [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 2] brengt daarvoor ook nog hoge kosten in rekening.

De gevraagde inspanning is ook niet redelijk, omdat niet tot een positieve legitieme kan worden gekomen. De nalatenschap is negatief. In verband met de alimentatievordering van de ex-echtgenote van erflater zou om te komen tot een positieve legitimaire massa € 140.000,- aan giften nodig zijn. Voor zijn dood heeft gedaagde bedragen opgenomen voor erflater, maar gedaagde weet niet wat hij met die bedragen heeft gedaan. De door gedaagde ontvangen betalingen zijn geen giften. Een deel was bestemd voor de uitvaart. Van de bedragen die gedaagde en erflater voor elkaar betaalden is geen administratie bijgehouden. Er zijn niet meer bankrekeningen of andere vermogensbestanddelen. De zuurstof op 7 oktober 2016 is betaald van de betaalrekening van erflater.

Met hun vordering maken eisers misbruik van (proces)recht en eisers moeten dan ook worden veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling staat voorop dat eisers – legitimarissen die geen erfgenaam zijn – op grond van artikel 4:78 BW tegenover gedaagde – als erfgenaam en executeur – aanspraak kunnen maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van hun legitieme portie behoeven. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 4:67 BW bij de berekening van de legitieme portie schenkingen van erflater tot vijf jaar voor overlijden in aanmerking kunnen worden genomen.

4.2.

Op grond van de tussen partijen gesloten minnelijke regeling heeft gedaagde informatie verstrekt over de bankrekeningen en creditcards van erflater alsmede over zakelijke geldstromen die tot zijn privé te herleiden zijn over de periode van zes maanden voor diens overlijden. Eisers leiden uit deze informatie af dat een bedrag van € 22.160,01 aan uitgaven niet traceerbaar of onverifieerbaar is en dat gedaagde voor ten minste € 13.000,00 aan giften heeft ontvangen. Hoewel gedaagde heeft betwist dat de door haar ontvangen bedragen giften waren, valt niet uit te sluiten dat dit (deels) wél het geval was. Zij heeft in ieder geval niet concreet gemaakt welke uitgaven zij voor erflater had voorgeschoten. Daar komt nog bij dat deze stelling voor het eerst ter gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling is ingenomen en wezenlijk afwijkt van de eerder door gedaagde ingenomen stellingen. Eerder verklaarde zij namelijk dat erflater zeer royaal was en van alles voor iedereen betaalde en veel mensen fêteerde. Over de grote cashopnames stelde gedaagde tijdens de tweede mondelinge behandeling verder dat de huur ervan betaald werd. Nadat eisers haar erop wezen dat die giraal betaald werd, was het opeens de hovenier die ervan betaald werd.

4.3.

Zelfs indien tot uitgangspunt wordt genomen dat voormelde bedragen geheel zijn aan te merken als giften die bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen, heeft te gelden dat eisers hebben nagelaten om, bijvoorbeeld op basis van extrapolatie, een schatting te maken op grond waarvan aannemelijk is dat sprake is een positieve legitimaire massa. Op basis van de thans bekende gegevens is – mede gelet op de alimentatievordering van de ex-echtgenote van erflater – daarvoor een bedrag van € 140.000,00 aan giften en/of verzwegen vermogensbestanddelen nodig. Dat dit het geval is, is vooralsnog niet aannemelijk. Zonder nadere toelichting die eisers niet hebben gegeven kan het bestaan van een extra creditcard niet worden afgeleid uit de betaling van 7 oktober 2016 voor zuurstof, die volgens hen met een creditcard zou zijn verricht.

4.4.

Daar staat tegenover dat gedaagde onweersproken heeft gelaten dat zij op de eerste boedelbeschrijving substantiële kosten (vliegtickets Curaçao, rouwadvertenties, flexibel krediet) heeft opgevoerd, waarvan zij wist of had moeten weten dat deze niet ten laste van de nalatenschap kwamen. Daarnaast heeft gedaagde wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de door de erflater gedane giften. Waar zij eerst verklaarde dat er geen (relevante) giften waren, heeft zij naar aanleiding van de na de minnelijke regeling naar voren gekomen informatie verklaard dat er toch sprake was van giften en dat ook zij betalingen heeft ontvangen van erflater. In antwoord op een vraag over door erflater in juli 2016 aangeschafte golfspullen die niet voorkwamen op de boedellijst heeft gedaagde ter zitting verklaard dat erflater deze golfspullen in februari 2016 tezamen met een contant bedrag heeft geschonken aan de broer van eisers. De stelling van gedaagde dat zij hierover al eerder heeft verklaard, wordt op geen enkele wijze ondersteund. Een en ander, ook het in 4.2 overwogene, roept vragen op over de mate van zorgvuldigheid waarmee gedaagde eisers tot op heden heeft geïnformeerd en over de vraag of er niet meer giften/vermogensbestanddelen zijn dan waarover gedaagde tot nu toe heeft verklaard. Op grond hiervan is het – hoewel nog altijd niet zeer aannemelijk – ook weer niet volstrekt ondenkbaar dat eisers op gedaagde een vordering hebben. Om na te gaan of die vordering er is, hebben eisers nadere informatie nodig.

4.5.

In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de vordering van eisers in zoverre toe te wijzen dat gedaagde – voor zover dat niet reeds is gebeurd – informatie moet verschaffen over de bankrekeningen en creditcards van erflater, zowel in Nederland als in Curaçao over de periode vanaf 1 januari 2015 alsmede over de belastingaangiftes over de jaren 2015 en 2016 in Nederland en Curaçao, voor zover deze zijn gedaan. Aan de hand van deze informatie moeten eisers in staat zijn na te gaan of zij op grond van thans nog niet bekende vermogensbestanddelen en/of giften (mogelijk) een vordering hebben en of het nog zinvol is daarvoor nog nadere informatie op te vragen. Aangezien het bestaan van die vordering vooralsnog onvoldoende aannemelijk is, hebben eisers thans geen gerechtvaardigd belang bij verstrekking van gegevens over de gehele vijfjaarstermijn.

4.6.

De termijn waarbinnen gedaagde deze gegevens moet verstrekken zal worden bepaald op vier weken na betekening van dit vonnis.

4.7.

Oplegging van een dwangsom is passend en geboden. In de aard van de toegewezen vordering ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat gedaagde per informatiestroom een eenmalige dwangsom van € 12.500,00 verbeurt.

4.8.

Slotsom is dat de vordering van eisers op de hierna te vermelden wijze zal worden toegewezen Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- dagvaarding € 99,91

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 1.470,00

Totaal € 1.860,91

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt gedaagde binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan eisers af te geven de volgende bescheiden (voor zover niet al verstrekt):

  • -

    de afschriften van alle door erflater in Nederland aangehouden bankrekeningen en creditcards over de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 oktober 2016;

  • -

    de afschriften van alle door erflater in Curaçao aangehouden bankrekeningen en creditcards over de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 oktober 2016;

  • -

    de aangifte Inkomstenbelasting van erflater in Nederland over de jaren 2015 en 2016;

  • -

    de aangifte Inkomstenbelasting van erflater in Curaçao over de jaren 2015 en 2016;

en indien over enig jaar geen aangifte is gedaan een verklaring hieromtrent van de

belastingdienst;

5.2.

bepaalt dat indien gedaagde met de afgifte van een of meer van de hiervoor vermelde bescheiden in gebreke blijft, zij aan eisers een dwangsom moet betalen van € 12.500,00 per informatiestroom;

5.3.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van [naam eisers] c.s. tot op heden begroot op € 1.860,91;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2018.

3077/2009